Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/42.1
42.1 Inleiding
mr. dr. D.G.J. Sanderink, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. D.G.J. Sanderink
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 23 oktober 1985, nr. 8848/80, ECLI:CE:ECHR:1985:1023JUD000884880, AB 1986/1 m.nt. Hirsch Ballin, NJ 1986/102 m.nt. Alkema (Benthem/Nederland) en Kamerstukken II 1991/92, 22 495, 3, p. 48 e.v. Zie hierover ook T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, ‘Het EVRM als inspiratiebron en correctiemechanisme voor de Awb’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), Bestuursrecht harmoniseren: 15 jaar Awb, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 557-587. Een deel van het bestuursprocesrecht is natuurlijk ook neergelegd in hoofdstuk 6 van de Awb.
Zie over de invloed op het omgevingsrecht uitgebreid D.G.J. Sanderink, Het EVRM en het materiële omgevingsrecht, Deventer: Kluwer 2015. Zie over de invloed op het socialezekerheidsrecht bijv. A.E.M. Leijten, ‘Eigendomsrechten en proportionaliteit: toetsing aan artikel 1 Eerste Protocol EVRM in het socialezekerheidsrecht’, JBplus 2016/2, p. 67-83. Op het gebied van het vreemdelingenrecht is Nederland diverse keren veroordeeld door het EHRM (zie bijv. EHRM 20 juli 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0720JUD00049 0006, AB 2011/132 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, EHRC 2010/113 m.nt. Woltjer (A./Nederland), EHRM 11 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804, AB 2007/76 m.nt. Vermeulen, JB 2007/52, EHRC 2007/36 m.nt. Woltjer (Salah Sheekh/Nederland) en EHRM 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, EHRC 2006/35 m.nt. Woltjer (Rodrigues da Silva en Hoogkamer/Nederland)). Binnen het belastingrecht worden soms schendingen van art. 1 EP en het discriminatieverbod van art. 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM vastgesteld (zie bijv. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1943, AB 2011/32 m.nt. Sanderink, Gst. 2010/117 m.nt. Teunissen, HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846).
Aangezien de bijdragen in deze bundel in omvang beperkt moeten blijven, wordt met deze bijdrage geen volledige en diepgaande analyse van de invloed van het EVRM op de Awb beoogd. De bijdrage beoogt slechts een globaal overzicht te geven van de raakvlakken tussen het EVRM en de Awb en waar in de toekomst ontwikkelingen te verwachten zijn.
Op 1 januari 2019 viert de Algemene wet bestuursrecht (Awb) haar vijfentwintigste verjaardag. De redactie van deze bundel heeft mij gevraagd ter gelegenheid hiervan een bijdrage te schrijven met een toekomstgerichte analyse van de invloed van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) op de Awb. Toekomstige ontwikkelingen hebben meestal hun wortels in het verleden. Dat is voor de toekomstige invloed van het EVRM op de Awb natuurlijk niet anders. Om uitspraken te kunnen doen over die toekomstige invloed is het dus onontkoombaar ook een blik te werpen op de invloed die het EVRM in het verleden op de Awb heeft gehad. Die invloed is waarschijnlijk het sterkst geweest op het bestuursprocesrecht, aangezien het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak-Benthem/Nederland in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de afschaffing van het Kroonberoep en de totstandkoming van het stelsel van algemene bestuursrechtspraak zoals dat sinds 1994 in met name hoofdstuk 8 van de Awb is neergelegd.1
De invloed van het EVRM op het bestuursrecht is verder vooral zichtbaar in delen van het bijzondere bestuursrecht, zoals het omgevingsrecht, het socialezekerheidsrecht, het vreemdelingenrecht en het belastingrecht.2 In de hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Awb zijn nu eenmaal niet veel onderwerpen te vinden waarop het EVRM een duidelijke invloed heeft (gehad). Het EVRM bemoeit zich niet of nauwelijks met de definities en andere algemene bepalingen van hoofdstuk 1 van de Awb. Dat geldt ook voor de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Awb over het verkeer tussen burgers en bestuursorganen. Tussen de (deels) in hoofdstuk 3 van de Awb en artikel 2:4 Awb gecodificeerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het EVRM bestaan wel raakvlakken. Hierop zal in paragraaf 2 kort worden ingegaan. De titels 4.1 tot en met 4.4 van de Awb gaan dan weer over onderwerpen (beschikkingen, subsidies, beleidsregels en geldschulden) waarop de invloed van het EVRM nauwelijks waarneembaar is, zodat deze onderwerpen buiten beschouwing blijven in deze bijdrage. Dat is anders voor de nog niet in werking getreden titel 4.5 van de Awb. Deze titel bevat een regeling voor nadeelcompensatie en heeft daardoor een duidelijke relatie met artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Deze komt in paragraaf 3 beknopt aan de orde. Ook de in hoofdstuk 5 van de Awb geregelde bestuurlijke handhaving ondervindt invloed van het EVRM. Deze komt aan bod in paragraaf 4. Paragraaf 5 bevat een korte bespreking van de invloed die het EVRM nog steeds op het bestuursprocesrecht heeft. Paragraaf 6 bevat een slotbeschouwing.3