Vgl. het hierna nog aan de orde komende arrest HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga (rov. 3.3.3 en de punten 15 en 16 in de noot).
HR, 20-06-2023, nr. 21/03120
ECLI:NL:HR:2023:945
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-2023
- Zaaknummer
21/03120
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:945, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:476
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:7022
ECLI:NL:PHR:2023:476, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:945
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑07‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0121
Uitspraak 20‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Opzettelijke brandstichting in eigen sportschool (art. 157.1 Sr), voorhanden hebben van pistool en munitie (art. 26.1 WWM), doen van valse aangifte van poging moord/doodslag en brandstichting (art. 188 Sr). Kennelijke leugenachtigheid. Is sprake van kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte die voor bewijs kan worden gebruikt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1864 m.b.t. gebruik kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs. Oordeel hof dat verklaring van verdachte, v.zv. inhoudende dat anderen verantwoordelijk zijn voor brandstichting in sportschool en beschieten van verdachte, als kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hof heeft overwogen dat de onderzoeksresultaten om drie redenen niet zijn te rijmen met fundamentele onderdelen van verklaring van verdachte. Hof heeft gedetailleerd aangegeven welke onderdelen van de verklaring als kennelijk leugenachtig moeten worden aangemerkt en op welke uit de bewijsvoering blijkende f&o zijn oordeel berust dat die verklaring niet alleen onverenigbaar is met die f&o, maar ook als kennelijk leugenachtig moet worden beschouwd. Daarbij is i.h.b. van belang dat de door hof vastgestelde discrepanties tussen die verklaring en de door hof besproken onderzoeksbevindingen van zodanige aard zijn dat deze zich niet verdragen met (bijvoorbeeld) een vergissing. Hof heeft verder i.v.m. relevantie van discrepanties voor bewijsvoering in aanmerking genomen dat verdachte zelf tijd en gelegenheid had om brand te stichten en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen, zodat het (gelet op de uit bewijsvoering blijkende f&o in samenhang met de door verdachte afgelegde kennelijk leugenachtige verklaring) niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die brand heeft gesticht, zichzelf heeft beschoten en valse aangifte heeft gedaan. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03120
Datum 20 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2021, nummer 21-003980-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt, kort gezegd, over het gebruik voor het bewijs van de door het hof als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van de verdachte.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 24 mei 2013 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (sportschool) aan de [a-straat 1] , hebbende verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met brand bevorderende vloeistoffen, te weten motorbenzine en een combinatie van motorbenzine en aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie, ten gevolge waarvan het interieur van dat pand en dat pand gedeeltelijk zijn verband, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het interieur van dat pand en dat pand te duchten was;
2.
hij op 24 mei 2013 te Groningen een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Smith & Wesson, model 2213 Sportsman, kaliber .22 LR), en munitie van categorie III, te weten een Randvuur kogelpatroon (merk Remington, kaliber .22 LR), voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 24 mei 2013 te Groningen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van hoofdagenten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting in zijn sportschool.”
2.2.2
De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2. Daarvan zijn in het bijzonder van belang:
“verklaring van verdachte
1.1
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2013, opgenomen op pagina 1 e.v. (map relaas A) van het dossier met nummer 20130501373 d.d. 25 mei 2013, inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik doe aangifte van poging tot moord dan wel poging doodslag en van brandstichting in mijn sportschool. Ik ben met [betrokkene 1] naar zijn woning gegaan, hij woont ook aan de [b-straat] . Hier hebben we wat gegeten. Ik ben om ongeveer 21:00 uur weer naar de sportschool gegaan. Ik ben daar alleen naartoe gegaan. Ik was in een witte Opel Vivaro bus. Ik was daar om ongeveer 21:20 uur. Ik wilde de laatste administratie wegwerken voordat we zouden verhuizen. Toen ik klaar was, zag ik op de klok dat het inmiddels 00:15 uur was. Ik heb afgerond, heb de verlichting allemaal uit gedaan en ben naar beneden gegaan. Ik ben naar buiten gegaan en was bezig om de toegangsdeur af te sluiten met een sleutelbos. Aan deze bos zitten mijn autosleutels en onder andere de sleutels van de sportschool. Ik voelde op dat moment, ik stond toen met mijn gezicht naar de deur, iets kouds tegen mijn achterhoofd. Ik heb een kaal hoofd. Ik besefte dat dit mogelijk een vuurwapen was. Ik wilde mij omdraaien maar ik hoorde dat er werd gezegd “Don’t turn” en “Open the door” en “Shut your mouth”. Ik heb de deur open gedaan en ben naar binnen gegaan. Ik kon op dat moment niemand zien. Er werd toen met een pistool in mijn rug geduwd. Zo werd ik gedwongen naar binnen en later naar boven te lopen. Ik probeerde een uitweg te zoeken. Ik wilde eerst naar achteren trappen, maar ze waren met z’n tweeën. De man met het pistool dwong mij de trap op naar boven. Toen ik bij de balie stond heb ik mij omgedraaid. Ik stond vlakbij de ingang om achter de balie te komen. Ik wilde zien met wie ik te maken had. De man met het pistool stond voor mij. Ik zag dat hij het pistool op mij richtte. Ik ken het verschil wel tussen een pistool en een revolver. Hij hield het pistool in zijn rechterhand ter hoogte van zijn buik vast. Het was geen groot pistool, het glom wel. Ik zag dat de andere man door de zaal liep. Ik rook benzine. Ik zag dat de andere man iets uitsprenkelde in de zaal. Ik zag dat hij een lichtkleurige soort jerrycan vast had. Ik heb met mijn linkerhand geprobeerd het pistool af te pakken. Daar is een techniek voor die ik ken vanuit de vechtsport. Ik pakte dus als het ware de slede van het wapen vast. Ik wilde zo het wapen van mij af bewegen en de pols van de man naar voren drukken in een soort klem, zodat hij het pistool los moest laten. Dit ging mis. De man schrok kennelijk en trok het pistool terug. Ik hoorde een schot en voelde direct een stekende pijn in mijn linkerzij. Het schot werd op een afstand van ongeveer 20 centimeter van mijn buik gelost. Van schrik en van pijn liet ik het pistool los. Ik voelde dat ik een ‘push’ kreeg van de man en daarna gelijk een trap in mijn kruis kreeg. Hierdoor boog ik voorover/kroop in elkaar, ik had mijn handen bij mijn kruis omdat ik erg veel pijn had. Ik hoorde toen nog een schot en voelde pijn in mijn linker bovenarm. Door de pijn viel ik op de grond. Ik viel als het ware zijwaarts. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Hij riep tegen mij: “Is that what you want?” Terwijl ik viel hoorde ik nog een schot. Ik voelde pijn in mijn rechteronderbeen. Ik werd geraakt in mijn rechterkuit. Ik lag voor de balie. Ik hoorde de man met het pistool zeggen “We’ve got your family too”. Ik kwam op mijn linkerzij te liggen. De man met het pistool bond mij vervolgens vast met tie-wraps. Ik weet niet waar hij deze vandaan had. Hij bond mijn polsen aan elkaar vast. Ze zaten zo vast dat mijn handpalmen naar elkaar toe zaten. De tie-wraps zaten over mijn jasje heen. Ook mijn voeten werden vast gemaakt met tie-wraps. Ik kreeg tie-wraps om mijn enkels, over mijn broek heen. De tie-wraps waren licht/wit van kleur. Ik lag nog steeds voor de ingang van de balie op de grond. Rechts achterin de fitnesszaal zit nog een aparte lesruimte, de aerobiczaal. Hier is een nooduitgang met een trap aan de buitenzijde van het gebouw. Ik vermoedde dat ze daar heen gingen. Naar mijn idee wisten de mannen hoe mijn sportschool eruit zag. De gebroken spiegel was op ongeveer 1 meter van mij. Deze stond rechtop tegen de muur. Ik heb de tie-wrap, door mijn handen op en neer te bewegen, langs het scherpe deel van de spiegel gehaald. Zo heb ik de tie-wraps om mijn polsen losgemaakt. Ik heb de tie-wraps om mijn enkels kapot getrokken. Ik ben over de balie gesprongen. Achter de balie is een deur naar het balkon. Ik ben het balkon op gegaan. Binnen brandde het. Ik weet niet wat er brandde. Ik zag wel veel vuur en rook.
(…)
letselrapportage
1.4
Een geneeskundige verklaring, op 30 mei 2013 opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts, opgenomen op pagina 43 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als haar verklaring:
Betreft
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] -1974
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Datum letsel: in de nacht van 23 op 24 mei 2013
Datum letselonderzoek: 24 mei 2013
Bij binnenkomst was sprake van een 6-tal schotwonden (3x inschot en 3x uitschot): in de linker bovenarm, de linker flank en de rechter kuit. Alle wonden bleken oppervlakkig, dus niet dieper dan de spierlaag te verlopen. Het is aannemelijk dat het bij verdachte gaat om een drietal schotverwondingen.
Onderzoek plaats delict
1.5
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 15 juli 2013, opgenomen op pagina 29 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 5] :
Op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 01.45 uur, kreeg ik van de meldkamer Noord-Nederland het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te Groningen. In dit perceel was sportschool [A] gevestigd. In het pand zou brand zijn gesticht. Tevens zou de eigenaar van dit pand zijn overvallen en beschoten en vanuit het brandend pand naar het dak zijn gevlucht. Tijdens het ter plaatse gaan hoorde ik via de mobilofoon dat het slachtoffer door de brandweer van het dak was gehaald met behulp van een ladderwagen. Het slachtoffer zou drie schotwonden hebben en werd door de ambulancedienst overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Groningen. Tevens hoorde ik dat de brandweer het vuur in het pand inmiddels onder controle had.
Aan de rechterzijde van de bar, waar zich de ingang bevond, zag ik een kapotte spiegel op de grond liggen.
Voor de bar zag ik een barkruk en een stoel met kunststof vlechtwerk, een zogeheten wickerstoel staan. Op de vloer, links van de wickerstoel zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4888NL.
Op het werkblad van de bar zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4889NL. Op de vloer, rechts naast de bar, trof ik een huls aan. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4890NL.
Op de vloer, tussen de bar en de blauwe stoel, zag ik twee witte kabelbinders liggen. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4891NL en AAFS4892NL. Op het werkblad van de bar, op het uiteinde en op de vloer voor de bar zag ik witte kabelbinders liggen. Ik zag op het werkblad, naast de kabelbinder, een niet beroete gedeelte in de vorm van een kabelbinder, een zogeheten void. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4893NL en AAFS4894NL.
In het pand werden door mij verder geen sporen en/of sporendragers aangetroffen die mogelijk dader en/of delict gerelateerd waren.
1.6
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 7 juli 2013, opgenomen op pagina 105 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 4] :
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 10.10 uur, een nader forensisch onderzoek verricht met betrekking tot het schietincident. Tijdens dit onderzoek werd onderzoek naar sporen/sporendragers gedaan. Mij, [verbalisant 6] , kon blijken dat het schietincident zich had afgespeeld bij de balie van genoemd sportcentrum op de bovenverdieping.
Door mij werd het volgende gezien/geconstateerd:
Op de plaats-delict waren door collega [verbalisant 5] de markeringsbordjes achtergelaten op de locatie waar zij sporen/sporendragers had aangetroffen. Dit betroffen de bordjes 1 t/m 6.
Door mij werden de volgende sporen/sporendragers aangetroffen, waarbij de aangetroffen sporen/sporendragers door mij doorgenummerd werden vanaf markeringsbordje 7.
Aangetroffen sporen/sporendragers
> markeringsbord nr. 7
Punt 22 (5.7mm) huls, merk Rem, deze lag op de vloer rechts naast de balie. De huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5230NL
> markeringsbord nr. 8
Inschot kastdeurtje achter de balie. Een kogel was door het kastje geschoten en zat achter de gipsplaat achter het kastje. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5231NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 75 cm vanaf de vloer en 21.8 cm vanaf rechter de zijkant kastje. Tevens werd door ons een schootlijn met betrekking tot dit inschot “uitgezet”.
Uit deze schootlijn kan geconcludeerd worden dat er zeer waarschijnlijk geschoten is vlak voor de balie of vlak achter de balie.
> markeringsbord nr. 9
Ricochetbeschadiging op reclamefolders die op de balie lagen. Zeer waarschijnlijk is deze beschadiging ontstaan door de kogel welke was afgeketst op de voorzijde van de koelkast achter de balie (markeringsbord 13), waarvan de gedeformeerde kogel op de vloer onder de balie werd aangetroffen (markeringsbord 17).
> markeringsbord 10
Inschot in de achterzijde van een blauwe stoel welke rechts naast de balie stond. Vermoedelijk was deze stoel door de brandweer verplaatst, in de stoel werd een kogel aangetroffen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5232NL Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en een schootlijn met betrekking tot genoemde stoel “uitgezet”.
Hieruit kon blijken dat met een hoek van circa 43 graden in de stoel geschoten was. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er vermoedelijk in de nabijheid van de stoel geschoten moet zijn.
> markeringsbord 11
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5233NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 27 cm vanaf de vloer en 80 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 12
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5234NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 200 cm vanaf de vloer en 40 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 13
Ricochetbeschadiging op de voorzijde van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens via de reclamefolders welke op de balie lagen (markeringsbord 9) op de vloer onder de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 17.
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de Ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 104 cm vanaf de vloer en 93 cm vanaf de rechter zijkant koelkast.
> markeringsbord 14
Ricochetbeschadiging op de rechterzijkant van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 12. Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de Ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 150 cm vanaf de vloer en 8.9 cm vanaf de achterzijde van de koelkast.
> markeringsbord 16
Op het platte dak, links van het sportcentrum, werd een kogel (punt 22/ 5,7mm) aangetroffen. Deze kogel lag nagenoeg bij de linker zijmuur van het sportcentrum, onder een raam welke door de brandweer was ingeslagen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5236
> markeringsbord 17
Op de vloer onder de balie werd door ons een volledig gedeformeerde kogel (vermoedelijk punt 22) aangetroffen. Zeer waarschijnlijk was deze kogel afgeketst op de voorzijde van de koelkast, te weten markeringsbord 13, waarna de kogel gericocheerd werd, de reclamefolders welke op de balie lagen beschadigd, en vervolgens op de vloer was terechtgekomen. Deze werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5237NL
> markeringsbord 18
Op de vloer, rechts van de balie, werd door ons een punt 22 (5.7 mm) huls aangetroffen. Deze huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5238
Op de locatie waar de huls werd aangetroffen was al veelvuldig door de hulpdiensten, te weten brandweer en politie, gelopen. Derhalve was de huls waarschijnlijk verplaatst.
Aantreffen vuurwapen
Door mij, [verbalisant 6] , werd op vrijdag 24 mei 2013 in de omgeving van het sportcentrum een onderzoek verricht. Hierbij werd door mij een vuurwapen aangetroffen op het voormalige terrein van “KPN”. Dit terrein is (oostelijk) direct achter het sportcentrum gesitueerd en werd slechts gescheiden door een brandsteeg. Het vuurwapen betrof een Smith & Wesson .22 long rifle, waarvan het serienummer was weggefreesd.
(...)
Onderzoek “schootlijnen”
Met betrekking tot bovenstaand onderzoek werd op maandag 27 mei 2013 door ons [verbalisant 6] en [verbalisant 4] de aangetroffen inschoten en ricochetbeschadigingen voor zover mogelijk ingemeten en daar waar mogelijk werden zogenaamde “schootslijnen” uitgezet om te kunnen vaststellen vanaf welke locatie geschoten was. Voor het uitzetten van een schotlijn zijn twee vaste referentiepunten noodzakelijk, bijvoorbeeld een inschot en een uitschot. Dit gegeven was bij het schietincident aan de [a-straat] bij twee inschoten het geval, te weten:
- het inschot en uitschot in het kastje achter de balie (markering 8)
- het inschot en aangetroffen kogel in de blauwe stoel. Bij laatstgenoemde stoel wordt vermeld dat deze na het incident vermoedelijk is verplaatst door de brandweer (markering 10)
Conclusie
- Het inschot in het kastje achter de balie werd vlak voor de balie of direct achter de balie afgevuurd.
(…)
1.8
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162, d.d. 10 oktober 2013 opgemaakt door B. Jacobs, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 236 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
Er zijn aanwijzingen gevonden dat de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit pistool [AAFZ0509NL]. De sterkte van deze aanwijzingen wordt hieronder verder toegelicht.
Hulzen
Voor de zes hulzen [AAFS488SNL, -4889NL, -4890NL, -5230NL, -52.38NL en -5248NL], .22 Long (Rifle), en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met het pistool.
Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.
Kogels
Voor de zes kogels [AAFS5231NL t/m -34NL, -36NL en -37NL], die het best passen bij het kaliber .22 Long Rifle, en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 3: De kogels zijn afgevuurd uit de loop van het pistool.
Hypothese 4: De kogels zijn afgevuurd uit één of meerdere andere lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is.
(…)
schotbaan
1.9
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013 + bijlagen, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
O: De aangever maakt een tekening van welke apparatuur er op de bovenverdieping aanwezig was. Deze tekening zal als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd worden.
O: Wij verbalisanten laten de aangever op een tekening aangeven waar de spiegel staat en waar de aangever de twee mannen zag. Dit staat ook vermeld in Bijlage 1.
Ik moest meelopen naar voren naar de spiegels tegen de muur recht tegenover de trap. Hij drukte mij vooruit met het pistool. Ik hoorde de man zeggen: “Forward, forward.” De andere persoon zag ik niet. Ik moest op mijn knieën gaan zitten van de man met het pistool, ik weigerde dit. Ik zocht een moment om te draaien. Ik zei: “What do you want from me:” en “Who are you.” Ik weet niet in welke volgorde ik dit zei. Ik hoorde de man zeggen “On your knees motherfucker.”
O: Wij verbalisanten laten de aangever aangeven op een tekening waar hij zich bevond op dit moment. Deze tekening zal als bijlage 2 worden bijgevoegd bij dit proces verbaal.
Ik moest op mijn knieën gaan zitten, ik keek richting de zonnebankruimte en een koelkast. De man met pistool stond achter mij. Ik heb geweigerd om op mijn knieën te gaan zitten. Ik heb me omgedraaid en keek nu de dader in zijn gezicht. Ik keek naar beneden en zag een pistool in zijn hand. Deze glinsterde. Ik zag de andere man achter hem. Ik heb gereageerd, de man met pistool had het pistool voor zijn buik in mijn richting. De dader had het vuurwapen in zijn rechterhand. Ik wilde een soort bokkenpoot maken. De dader haalde het vuurwapen naar achteren. Ik wilde hem naar mij toe trekken, blijkbaar heb ik hem niet goed beetgepakt. Ik hoorde een knal, voelde iets in mijn zij. Hierop trapte de man met een gestrekt rechterbeen mij in mijn kruis. Ik voelde zijn scheenbeen mijn kruis raken. Ik kroop ineen. Ik voelde de meeste pijn in mijn kruis. Ik voelde ook een soort prik in mijn zij. Ik zag nu het wapen niet meer. Ik hoorde nu weer een knal en nu voelde ik een pijn in mijn arm. Dit deed wel veel pijn. Ik viel nu voorover en hoorde nog een knal en voelde nu wat aan mij rechterbeen, de bovenkant van mijn kuit. Ik viel hierna op mijn rechterzij. Ik kijk hierbij in de richting van de zonnebank.
[afbeelding]
1.10
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2014, opgenomen op pagina 94 e.v. (map Relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Afbeelding 7: Jij verklaart dat je bent beschoten terwijl je voor de bar lag, ongeveer op de plek die met een kruis is aangegeven. Daar ben je heel duidelijk in. Afbeelding 7 wordt getoond.
[afbeelding]
Afbeelding 8: In de sportschool worden vijf huizen en vijf kogels gevonden. Van één kogel was het mogelijk om de schotbaan te reconstrueren. Dat is met de rode pijl aangegeven. Die schotbaan vertelt een heel ander verhaal. Jouw verklaring klopt niet.
[afbeelding]
de kabelbinders
1.11
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Hoe zaten de tie-wraps vast?
A: Mijn handen zaten met meerdere tie-wraps vast over mijn jas. Twee of drie tie-wraps. Mijn handen zaten op elkaar en meerdere tie-wraps er omheen. De tie-wrap was verlengd door middel van een tweede tie-wrap en deze zat éénmaal om mijn arm. Ik dacht twee of drie tie-wraps aan elkaar. Om mijn voeten was dit hetzelfde. V: Wat is er gebeurd toen je het ineens licht zag worden van het vuur?
A: Ik wilde opstaan, ik voelde dat ik vast zat, ik bemerkte nu dat mijn benen ook vast zaten. Ik trok mijn knieën naar mijn buik om te kunnen opstaan. Ik probeerde met mijn handen mij los te maken. Dit lukte niet. Ik keek om me heen, om wat te vinden. Ik zag de spiegel voor me. Dit waren losgemaakte spiegels welke zich recht tegenover de trap bevonden, Ik lag op ongeveer 1 à 1,5 meter afstand van deze spiegel. Ik kon niet opstaan, ik werd duizelig. Ik trok mijzelf naar de spiegel toe, met behulp van mijn armen, ik zat op handen en knieën. Ik ben hier opgestaan, mijn handen en voeten waren nog vastgebonden. Ik heb toen aan de zijkant van de spiegel met mijn vastgebonden handen zagende bewegingen gemaakt om de tie-wraps door te snijden, Ik deed mijn handen dus omhoog en naar beneden langs de spiegel. De tie-wraps gingen door.
V: Wat heb je met de tie-wraps gedaan welke je doorgesneden/getrokken hebt gedaan?
A: Daar heb ik niks mee gedaan.
1.12
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162 (006), d.d. 26 september 2013 opgemaakt door drs. J. Klaver, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 260 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
- AFS4891NL #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA-profiel [verdachte]
- AAFS4892 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: geen DNA-profiel verkregen
- AAFS4893 #01: bemonsteringen van kabelbinder: DNA-profiel van een man, [verdachte] / matchkans kleiner dan een op een miljard.
- AAFS4894 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA-profiel [verdachte] .
1.13
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162 (006), d.d. 1 november 2013 opgemaakt door R. Pieterman, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 268 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
Overzicht ontvangen materiaal:
AAFS4891NL: kabelbinder
AAFS4892NL: kabelbinder
AAFS4893NL: kabelbinder
AAFS4894NL: kabelbinder
Wanneer de trekband van een kabelbinder op de juiste wijze is aangebracht in de sluitkop van de kabelbinder, of in een andere kabelbinder, zijn deze niet meer van elkaar te scheiden (los te trekken) zonder dat er duidelijke beschadigingen ontstaan. Bij proeven, waarbij getracht is gesloten kabelbinders open te trekken met de hand, is gebleken dat de sluitkop op zijn plaats blijft zitten en dat er druksporen ten gevolge van insnoering ontstaan. Dit is ook het geval wanneer met behulp van een bankschroef getracht wordt de gesloten kabelbinders open te trekken. Bij relatief veel uitgeoefende trekkracht met de bankschroef breekt de trekband (uiteindelijk). De kabelbinders van de plaats delict tonen geen beschadigingen die op een uitgeoefende trekkracht wijzen.
Uit onderzoek is gebleken dat bij het plaatsen van de trekband aan de verkeerde kant van de sluitkop en getwist (180 graden gedraaid) er indrukken en krassporen ontstaan aan de tanden van de trekband. Bij het onderste boven insteken van de trekband ontstaan er kras- en druksporen in de bovenzijde van de sluitkop. In de kabelbinders van de plaats delict zijn deze sporen niet waargenomen. In beide gevallen glijdt bij een zeer licht uitgevoerde handmatige trekkracht de sluitkop makkelijk van de trekband af.
(...)
Met betrekking tot vraag 2 en 3
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4892NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4891 NL gezeten?
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4894NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4893NL gezeten?
*Hypothese 5: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAFS489 1NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 6: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 7: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 6 juist is, dan wanneer hypothese 5 of 7 juist is.
*Hypothese 8: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAF54893NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 9: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 10: De trekband van kabelbinder [AAF54894NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 9 juist is, dan wanneer hypothese 8 of 10 juist is.
- Ervan uitgaande dat de totaal drie kabelbinders [AAFS4891NL] en [AAFS4892NL] samen een gesloten lus hebben gevormd, en de kabelbinders juist met elkaar waren verbonden, is de verwachting, dat het niet mogelijk is om deze van elkaar los te trekken, zonder dat daarbij aan de tanden in de sluitkop en aan de tanden van de trekband, duidelijk zichtbare beschadigingen ontstaan.
de telefoon
1.13
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2013, opgenomen op pagina 171 e.v. (map AH/TTI/FDO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 11] :
Op 27 mei 2013 werd gevorderd de verkeersgegevens van de bij aangever [verdachte] , nader te noemen [verdachte] , aangetroffen Iphone met daaraan gekoppeld telefoonnummer [telefoonnummer] (bij Vodafone) & imei-nummer [imei-nummer] (bij KPN,T-mobile & VODAFONE) over de periode 1 juni 2012 t/m 25 mei 2013.
Op 23-05-2013 om 22:49 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 23-05-2013 om 23:43 uur. Hierbij bevond de gsm zich om 22:49 uur binnen het dekkingsgebied van CellID 34781 gevestigd Kraaienest te Groningen; om 22:53 uur binnen het dekkingsgebied van CellID 42891 gevestigd Koningsweg te Groningen; gevolgd door 23:31, 23:33, 23:35 & 23:39 van CellID’s te Joure & om 23:37 van een CellID te Terband.
Op 23-05-2013 om 23:43 uur en 24-05-2013 om 00:28 uur was een internet verbinding (GPRS WAP) waarbij was vermeld CellID 43053 gevestigd te Heerenveen.
Op 24-05-2013 om 00:35 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 24-05-2013 om 09:54 uur. Hierbij bevond de gsm zich binnen het dekkingsgebied van CellID’s gevestigd te Groningen.
Bij de opbouw van het mobiele netwerk heeft elke CellID die bevestigd is aan een zendmast een bepaald dekkingsgebied die kan variëren tot meerdere vierkante kilometers. Vooral in een landelijk gebied kan een gsm, die zich op een afstand tot bijvoorbeeld 15 kilometer van de zendmast bevindt, gebruik maken van deze zendmast.
1.14
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2014, opgenomen op pagina 133 e.v. (map [a-straat] Deel 2 Proces) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 12] :
In het onderzoek 01 [a-straat] zijn er historische verkeersgegevens gevorderd van het Vodafone telefoonnummer [telefoonnummer] over de periode 01-06-2012 t/m 25-05-2013. Bij het analyseren van deze historische verkeersgegevens kwamen een aantal vragen naar boven met betrekking tot de locatiegegevens van de mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] op 23-05-2013 en 24-05-2013. Bij het onderzoeksteam stelde men zich de vraag hoe het kan dat in regel 18 van het bijgevoegde Excellbestand (bijlage 1) de telefoon aangemeld is op de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) op 24-05-2013 om 00:28:09 uur en vervolgens in regel 19 is de telefoon aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen) op 24-05-2013 om 00:35:15 uur. Tussen deze twee bovengenoemde sessies zit slechts 7 minuten. De afstand tussen beide masten in bovengenoemde sessies betreft ruim 60 kilometer. Het is onmogelijk dat de telefoon in 7 minuten een afstand van bijna 60 kilometer heeft afgelegd. Voor het antwoord op deze vraag werd het team door mij doorverwezen naar [betrokkene 2] , Lawful Intercept Operational Coordinator, Corporate Security Vodafone Libertel BV te Maastricht. [betrokkene 2] beantwoordde op donderdag 13-02-2014 om 14:02 uur via mail hoe de bovengenoemde sessies geïnterpreteerd dienen te worden. Uit de uitleg van [betrokkene 2] blijkt dat de telefoon op 23-05-2013 om 23:43:12 uur zich aanmeldt op het UMTS netwerk van Vodafone via de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) en vervolgens op 24-05-2013 om 00:35:15 uur is aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen). Tussen deze sessies zit 52 minuten, een veel reëlere tijd om de afstand van ongeveer 60 kilometer af te leggen. In een tussenliggende sessie, 24- 05-2014 om 00:28:09, werd ook de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP IOA, Heerenveen) genoemd. Echter uit de uitleg van [betrokkene 2] blijkt dat deze mastgegevens gekopieerd werden van de sessie op 23-05-2013 om 23:43:12 uur, maar er feitelijk bij deze tussenliggende sessie niet een nieuwe locatie update heeft plaatsgevonden. Hierdoor ontstond de verwarring bij het onderzoeksteam. Uit de Excellijst (bijlage 1) blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 23-05-2013 rond 21.00 uur in Groningen is. Tussen 23-05-2013 23.30 uur en 24-05-2013 00:35 uur is de telefoon in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen). Op 24-05-2013 00:35:15 is de telefoon weer terug in Groningen.
1.15
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2013, opgenomen op pagina 1 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Mijn telefoonnummers zijn:
Mobiel : 06- [telefoonnummer]
(...)
1.16
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Waar is de telefoon als je bij [betrokkene 1] vertrekt?
A: In mijn linker broekzak.
V: Aangekomen bij de sportschool waar is dan je telefoon?
A: In mijn linker broekzak, ik ben onderweg niet gebeld. In de sportschool leg ik de telefoon naast me op de balie, de eerste keer dat ik de telefoon weer gebruik is als ik ben overvallen en de politie bel.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“Standpunt verdediging
Door en namens verdachte is vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is door de raadsman - overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitaantekeningen - samengevat het volgende aangevoerd. Verdachtes verklaringen afgelegd tegenover de politie, inhoudende dat hij door twee mannen in zijn sportschool is overvallen, lijken hier en daar inconsistent maar zijn dat niet. Het gaat om marginale punten en dat is in de gegeven context helemaal niet vreemd. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 13] betreft geen ‘eerste verklaring’ van verdachte maar betreft een verklaring van verbalisant [verbalisant 13] met betrekking tot zijn bevindingen. Verbalisant [verbalisant 13] heeft het proces-verbaal pas de volgende dag uit zijn hoofd opgemaakt: hij had geen aantekeningen gemaakt. Voorts kan het bij verdachte opgetreden geheugenverlies goed verklaard worden uit het post traumatisch stress syndroom dat bij verdachte is vastgesteld.
Verdachte had voorts geen enkel motief voor de brandstichting. De sportschool was zijn levenswerk en er waren geen financiële problemen.
De rechtbank heeft gesteld dat er geen enkele aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van andere personen dan verdachte in het pand. Dat is onjuist. Er zijn drie getuigen die bevestigen dat er gestommel en geroep heeft plaatsgevonden in en rond de sportschool. Het gaat om getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Voorts is op het wapen DNA aangetroffen van verdachte maar ook van minimaal één andere persoon. Van het van verdachte aangetroffen DNA op het wapen is niet duidelijk waar het zich precies bevond. Het DNA kan er via de worsteling van verdachte met de schutter of via secundaire overdracht op terecht zijn gekomen. Er is ook DNA van verdachte aangetroffen op de kogel in de halfopen kamer van het wapen. Ook dit kan er via de worsteling of via secundaire overdacht op terecht zijn gekomen. Op de binnenzijde van de kolfplaten van het wapen is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee andere personen, maar niet van verdachte. Dit duidt er temeer op dat het pistool niet van verdachte was, maar van iemand anders. Er is voorts geen DNA materiaal van verdachte aangetroffen op de andere hulzen, hetgeen je wel zou verwachten als hij degene zou zijn geweest die het pistool geladen had. Ten aanzien van de aangetroffen aansteker heeft de raadsman aangevoerd dat niet zeker is dat de brand met die aansteker is aangestoken. Ook op de aansteker zou het DNA van verdachte er via secundaire overdracht op terecht kunnen zijn gekomen.
Voor wat betreft de in de sportschool aangetroffen tiewraps heeft de raadsman aangevoerd dat niet vaststaat dat dat de tiewraps waren waarmee verdachte gebonden is geweest. Het is goed mogelijk dat de tiewraps waarmee verdachte gebonden is geweest, zijn verbrand in het vuur in de sportschool.
De benzine die is aangetroffen in de rechterschoen van verdachte kan daarop zijn gekomen toen verdachte snel de ruimte moest verlaten.
Verdachte heeft geen verklaring voor het aantreffen van 5 kogels in de sportschool en 1 kogel op het dak.
Voorts heeft verdachte geen verklaring voor de telefoongegevens waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte de avond van 23 mei 2013 in de buurt van Heerenveen en Joure was. Het moet op een vergissing berusten.
De schotwonden van verdachte betreffen geen oppervlakkige doorschotwonden zoals is gesteld. Het is onaannemelijk dat verdachte zichzelf zou hebben beschoten. Voorts heeft de deskundige Oude Grotebevelsborg, anders dan forensisch arts Naujocks, aangegeven dat uit de aard van de verwondingen niet kan worden vastgesteld of deze gericht zijn toegebracht al dan niet tijdens een dynamische interactie of tijdens een meer statisch proces.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde schriftelijke requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Oordeel hof
De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier volgt dat in de nacht van 23 op 24 mei 2013 brand is uitgebroken in de sportschool waarvan verdachte destijds, samen met zijn partner, de eigenaar was. Verdachte werd die nacht door de gealarmeerde hulpdiensten op het platte dak van de sportschool aangetroffen. Hij had drie schotwonden. Door verdachte is aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag en brandstichting in zijn sportschool. Verdachte heeft - kort samengevat - verklaard dat hij een pistool op zijn hoofd kreeg toen hij kort na middernacht de sportschool wilde verlaten. Hij werd door twee mannen gedwongen om de sportschool weer naar binnen te gaan. Hij is toen, na een poging de man met het wapen te overmeesteren, driemaal beschoten: in zijn linkerflank, zijn linker bovenarm en zijn rechterkuit. Vervolgens is hij vastgebonden met tiewraps. Verdachte kreeg tiewraps om zijn polsen en om zijn enkels. De andere man sprenkelde benzine in de sportschool. De mannen verlieten vervolgens de sportschool. Verdachte heeft de tiewraps om zijn polsen doorgesneden aan een gebroken spiegel. De tiewraps om zijn enkels heeft hij kapot getrokken. Hij is vervolgens over de balie gesprongen en via de deur achter de balie het balkon opgegaan. In de sportschool woedde toen brand.
Het hof bezigt de hiervoor bedoelde verklaring van de verdachte tot het bewijs, nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof beoordeelt de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte. Die kennelijke leugenachtigheid blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Ten eerste is de verklaring van verdachte dat hij op 23 mei 2013 om ongeveer 21:20 uur in zijn sportschool aan de [a-straat 1] te Groningen was en daar is gebleven tot circa 00:15 uur, in strijd met de verkeersgegevens van zijn telefoon. Daaruit blijkt immers dat de telefoon van verdachte tussen 23.30 uur en 00:35 uur in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen) was. Op 24 mei 2013 00:35:15 was de telefoon weer terug in Groningen. Verdachte heeft verklaard dat hij de gehele avond van 23 mei 2013 in het bezit was van zijn telefoon. Het hof gaat er aldus vanuit dat verdachte de avond van 23 mei 2013 in Friesland is geweest, hetgeen in strijd is met zijn verklaring.
Ten tweede zijn de bevindingen van de politie op het plaats delict in strijd met verdachtes verklaringen. In de sportschool zijn vijf hulzen en vijf kogels aangetroffen. Op het dak van de sportschool is één kogel aangetroffen. Gelet op de bevindingen van het NFI gaat het hof ervan uit dat deze kogels met het aangetroffen wapen zijn verschoten. Verdachte heeft echter steeds verklaard dat de schutter slechts drie keer heeft geschoten. Deze verklaring is aldus in strijd met de bevindingen van de politie op het plaats delict. Ook de schotbaan van de kogel die is aangetroffen in het kastje achter de balie kan niet worden gerijmd met de verklaring van verdachte. Van die kogel is vastgesteld dat deze vlak voor de balie of direct achter de balie werd afgevuurd. Verdachte heeft aan de hand van een door hem getekende plattegrond van de bovenverdieping verklaard dat hij zich tussen de balie en de muur met de spiegels bevond toen hij werd beschoten. Deze spiegels stonden naast de balie. Deze verklaring rijmt op geen enkele wijze met de schootbaan van de aangetroffen kogel in het kastje achter de balie.
Ten derde zijn de bevindingen met betrekking tot de tiewraps in strijd met verdachtes verklaring. Verdachte heeft verklaard dat er tiewraps om zijn polsen en enkels zijn gebonden. Er zaten meerdere tiewraps aan elkaar. Het waren witte/lichtkleurige tiewraps. Verdachte heeft verklaard dat hij de tiewraps bij de spiegels in de buurt van de balie heeft losgemaakt. Hij heeft verder niets met de tiewraps gedaan. De politie heeft op de vloer, tussen de bar (het hof begrijpt: de balie) en de blauwe stoel, twee witte tiewraps (kabelbinders) gevonden. Ook op het werkblad van de bar, op het uiteinde en op de vloer voor de bar heeft de politie twee witte tiewraps gevonden. Op die plek in de sportschool zijn verder geen andere tiewraps aangetroffen. Op die plek heeft ook geen brand gewoed. De politie heeft aldus op de plek die verdachte heeft aangewezen als de plek waar hij de tiewraps heeft afgedaan, ook daadwerkelijk tiewraps aangetroffen, alsmede in de directe nabijheid van deze plek. Die tiewraps voldoen ook aan de beschrijving die verdachte daarvan heeft gegeven: het ging om twee of drie witte tiewraps aan elkaar. Op die tiewraps is ook DNA van verdachte aangetroffen. Het kan niet anders dan dat dat de tiewraps betreffen waarmee verdachte claimt gebonden te zijn geweest. Uit onderzoek van het NFI is vervolgens gebleken dat die tiewraps nooit als een gesloten lus aan elkaar hebben gezeten en dat het dus onmogelijk is dat verdachte hiermee is vastgebonden geweest en het derhalve niet noodzakelijk was om deze tiewraps door te snijden dan wel los te trappen.
De onderzoeksresultaten zijn aldus niet te rijmen met fundamentele onderdelen van de verklaring van verdachte.
De verdediging heeft (onder meer) gewezen op de getuigenverklaring van [betrokkene 5] waaruit zou blijken dat er twee mannen in of bij de sportschool aanwezig waren op het moment van de schietpartij. De getuige heeft onder meer verklaard dat ze op 24 mei 2013 omstreeks 01:30 uur twee mannenstemmen heeft gehoord, waarbij de ene man zachter sprak dan de andere man en zij bij een van de twee mannen een accent hoorde zoals zij dat wel eens hoorde bij negroïde mannen. De getuige heeft geen personen gezien.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat deze getuige op honderden meters afstand van de sportschool woont en er tussen de woning en de sportschool niet alleen meerdere gebouwen staan maar ook een N-weg ligt terwijl daarnaast de inhoud van haar verklaring zodanig vaag en onbepaald is, dat het hof aan deze verklaring geen waarde toekent met betrekking tot het gebeuren in de sportschool in de nacht van 23 op 24 mei 2013.
Gelet op de reeds als leugenachtig geduide verklaring van verdachte en op de omstandigheid dat verdachte tijd en gelegenheid had zelf brand te stichten in de sportschool, terwijl er, buiten het scenario van verdachte, geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen dan verdachte in de sportschool op het moment van het uitbreken van de brand, brengt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte zelf degene is geweest die de brand heeft gesticht.
Een en ander betekent dat het voorts niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad en daarmee zichzelf heeft beschoten. Uit het voorgaande volgt tenslotte ook dat ook het onder 3 tenlastegelegde, te weten het doen van valse aangifte, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het dossier bevat een grote hoeveelheid informatie over omstandigheden die zowel door de verdediging als door het openbaar ministerie zijn genoemd ter ondersteuning van het door hun ingenomen standpunt. Dit betreffen met name de veranderingen in de verklaring van verdachte, de plaats van aantreffen van DNA op het wapen waarmee geschoten is, de aard en plaats van de verwondingen aan het lichaam van verdachte, het aantreffen van brandversnellende stoffen in de rechter schoen van verdachte, het duiden van de geluiden waarover buurtbewoners hebben verklaard, de buiten aangetroffen aansteker met daarop DNA waarvan gesteld kan worden dat het van verdachte afkomstig is en tenslotte de financiële toestand waarin het bedrijf van verdachte zich bevond.
Het hof concludeert ten aanzien van al die omstandigheden dat er niet meer over valt te zeggen dan dat zij voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, in die zin dat zij zowel verklaard zouden kunnen worden binnen het scenario van het openbaar ministerie als binnen het scenario van de verdediging. Het hof concludeert echter ook dat deze omstandigheden niets afdoen aan de leugenachtigheid van de verklaring van verdachte en de bewijsbaarheid van de tenlastegelegde feiten op basis van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen. Deze omstandigheden kunnen om die reden dan ook verder onbesproken blijven.”
2.3
De Hoge Raad is in zijn arrest van 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864 ingegaan op het bij het oordeel over de bewezenverklaring betrekken van een onaannemelijke of onwaar gebleken verklaring van de verdachte. Daarin is uiteengezet dat het niet uitgesloten is dat de rechter een onwaar gebleken verklaring van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt. Over het gebruik van zo’n kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte is daarbij onder meer het volgende overwogen:
“3.3.2 De rechtspraak van de Hoge Raad hierover houdt het volgende in. Het moet gaan om een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. Het oordeel dat van zo’n verklaring sprake is, moet voldoende grondslag vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in een of meer andere voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen echter niet worden gerekend bewijsmiddelen die verklaringen van de verdachte zelf inhouden, dan wel verklaringen van andere personen betreffen die alleen weergeven wat de verdachte hun heeft meegedeeld. Ook de omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd over een bepaald punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. (Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.) Deze rechtspraak heeft overigens niet zonder meer betrekking op gevallen waarin de onwaarheid van de verklaring zelf het te bewijzen bestanddeel is, zoals bij het doen van valse aangifte of het afleggen van een valse verklaring onder ede (artikel 188 en 207 van het Wetboek van Strafrecht).
3.3.3
Met de formulering dat het moet gaan om een verklaring van de verdachte die “kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te verhullen”, wordt tot uitdrukking gebracht dat het afleggen door de verdachte van een verklaring die onverenigbaar is met de uit een of meer andere gebruikte bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in het concrete geval als een voor het aannemen van de bewezenverklaring relevante omstandigheid moet kunnen worden aangemerkt. Dat de verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, kan vooral van belang zijn voor de betekenis die de rechter aan de overige bewijsmiddelen toekent.
3.3.4
Het oordeel dat de bewezenverklaring mede op grond van het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel kan worden aangenomen, moet door de rechter nader worden gemotiveerd. In die motivering moet, mede gelet op wat onder 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, tot uitdrukking komen:
(i) welke door de verdachte afgelegde verklaring of welke onderdelen van die verklaring door de rechter als kennelijk leugenachtig wordt of worden aangemerkt;
(ii) op welke door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel berust dat de betreffende verklaring van de verdachte niet alleen onverenigbaar is met die feiten en omstandigheden maar ook als kennelijk leugenachtig – en niet bijvoorbeeld als een vergissing – moet worden beschouwd; en
(iii) wat – los van de omstandigheid dat de feitenlezing van de verdachte naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk is geworden – de relevantie is voor de bewijsvoering als geheel en dus voor het aannemen van de bewezenverklaring van de omstandigheid dat de verdachte op een bepaald punt kennelijk leugenachtig heeft verklaard.”
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. In de nacht van 23 op 24 mei 2013 is brand uitgebroken in een sportschool in Groningen waarvan de verdachte destijds één van de eigenaren was. De verdachte werd die nacht door gealarmeerde hulpdiensten op het platte dak van de sportschool aangetroffen met drie schotwonden. De verdachte heeft aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag en brandstichting in zijn sportschool. De verdachte heeft daarover – kort samengevat – verklaard dat hij een pistool op zijn hoofd kreeg toen hij kort na middernacht de sportschool wilde verlaten en door twee mannen werd gedwongen de sportschool weer binnen te gaan. Hij is toen driemaal beschoten en vervolgens vastgebonden met tiewraps. De andere man sprenkelde benzine in de sportschool. De mannen verlieten vervolgens de sportschool. De verdachte heeft de tiewraps om zijn polsen doorgesneden aan een gebroken spiegel en de tiewraps om zijn enkels kapot getrokken. Hij is daarna het balkon opgegaan. Op dat moment woedde in de sportschool brand.
2.4.2
Het hof heeft geoordeeld dat deze verklaring van de verdachte, voor zover deze inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in de sportschool en het beschieten van de verdachte, moet worden aangemerkt als kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te verhullen. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat om drie redenen de onderzoeksresultaten niet zijn te rijmen met fundamentele onderdelen van wat de verdachte heeft verklaard. Ten eerste blijkt uit de verkeergegevens van de telefoon van de verdachte dat hij tussen 23:30 uur tot 00:35 uur in Friesland in plaats van in Groningen was, en dus niet – zoals de verdachte heeft verklaard – dat hij van ongeveer 21:20 uur tot 00:15 uur steeds in de sportschool was. Ten tweede heeft het hof vastgesteld dat in de sportschool vijf kogels zijn aangetroffen en op het dak van de sportschool nog één kogel is aangetroffen, terwijl de verdachte heeft verklaard drie keer te zijn beschoten, en verder dat de gereconstrueerde schotbaan van één van de kogels die is aangetroffen niet past bij de verklaring van de verdachte over de plek waar hij zou zijn beschoten. Ten derde volgt uit onderzoek van het NFI dat de aangetroffen tiewraps waarmee de verdachte claimt vastgebonden te zijn geweest en waarvan hij zich daarna zou hebben bevrijd door die door te snijden en los te trappen, nooit als een gesloten lus aan elkaar hebben gezeten en dat het daarom onmogelijk is dat de verdachte hiermee vastgebonden is geweest. Het was dus ook niet noodzakelijk om deze tiewraps door te snijden dan wel los te trappen.
2.4.3
Het oordeel van het hof dat de onder 2.4.1 weergegeven verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt, getuigt – gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het hof heeft in zijn overwegingen gedetailleerd aangegeven welke onderdelen van de door de verdachte afgelegde verklaring als kennelijk leugenachtig moeten worden aangemerkt en op welke uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden zijn oordeel berust dat die verklaring niet alleen onverenigbaar is met die feiten en omstandigheden, maar ook als kennelijk leugenachtig moet worden beschouwd. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de door het hof vastgestelde discrepanties tussen die verklaring en de door het hof besproken onderzoeksbevindingen van zodanige aard zijn dat deze zich niet verdragen met (bijvoorbeeld) een vergissing. Het hof heeft verder in verband met de relevantie van de onder 2.4.2 omschreven discrepanties voor de bewijsvoering in aanmerking genomen dat de verdachte zelf tijd en gelegenheid had om brand te stichten en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen, zodat het – gelet op de uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden in samenhang met de door de verdachte afgelegde kennelijk leugenachtige verklaring – niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die brand heeft gesticht, zichzelf heeft beschoten en een valse aangifte heeft gedaan.
2.4.4
Ook verder heeft het hof de bewezenverklaring met de onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven bewijsvoering toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2023.
Conclusie 09‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Geënsceneerde gewapende overval en brandstichting sportschool. Bewijsklacht met name over het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring. AG is van oordeel dat de bewezenverklaring en het bezigen van de kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs voldoende is gemotiveerd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03120
Zitting 9 mei 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 14 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens brandstichting, het voorhanden hebben van een wapen en munitie en het doen van valse aangifte, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het aangetroffen wapen en de munitie.
1.2
Het cassatieberoep is op 23 juli 2023 ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de wijze waarop het hof tot de bewezenverklaring is gekomen. De daarvoor gegeven bewijsoverweging en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zouden de bewezenverklaring niet kunnen dragen. Volgens de steller van het middel wringt de schoen in de als kennelijk leugenachtig aangemerkte en voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 24 mei 2013 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (sportschool) aan de [a-straat 1] , hebbende verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met brand bevorderende vloeistoffen, te weten motorbenzine en een combinatie van motorbenzine en een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie, ten gevolge waarvan het interieur van dat pand en dat pand gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het interieur van dat pand en dat pand te duchten was;
2.
hij op 24 mei 2013 te Groningen een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Smith & Wesson, model 2213 Sportsman, kaliber .22 LR), en munitie van categorie III, te weten een Randvuur kogelpatroon (merk Remington, kaliber .22 LR), voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 24 mei 2013 te Groningen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van de hoofdagenten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting in zijn sportschool.”
2.2
De bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“verklaring van verdachte
1.1
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2013, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik doe aangifte van poging tot moord dan wel poging doodslag en van brandstichting in mijn sportschool. Ik ben met [betrokkene 1] naar zijn woning gegaan, hij woont ook aan de [b-straat] . Hier hebben we wat gegeten. Ik ben om ongeveer 21:00 uur weer naar de sportschool gegaan. Ik ben daar alleen naartoe gegaan. Ik was in een witte Opel Vivaro bus. Ik was daar om ongeveer 21:20 uur. Ik wilde de laatste administratie wegwerken voordat we zouden verhuizen. Toen ik klaar was, zag ik op de klok dat het inmiddels 00:15 uur was. Ik heb afgerond, heb de verlichting allemaal uit gedaan en ben naar beneden gegaan. Ik ben naar buiten gegaan en was bezig om de toegangsdeur af te sluiten met een sleutelbos. Aan deze bos zitten mijn autosleutels en onder andere de sleutels van de sportschool. Ik voelde op dat moment, ik stond toen met mijn gezicht naar de deur, iets kouds tegen mijn achterhoofd. Ik heb een kaal hoofd. Ik besefte dat dit mogelijk een vuurwapen was. Ik wilde mij omdraaien maar ik hoorde dat er werd gezegd ‘Don’t turn’ en ‘Open the door’ en ‘Shut your mouth’. Ik heb de deur open gedaan en ben naar binnen gegaan. Ik kon op dat moment niemand zien. Er werd toen met een pistool in mijn rug geduwd. Zo werd ik gedwongen naar binnen en later naar boven te lopen. Ik probeerde een uitweg te zoeken. Ik wilde eerst naar achteren trappen, maar ze waren met z’n tweeën. De man met het pistool dwong mij de trap op naar boven. Toen ik bij de balie stond heb ik mij omgedraaid. Ik stond vlakbij de ingang om
achter de balie te komen. Ik wilde zien met wie ik te maken had. De man met het pistool stond voor mij. Ik zag dat hij het pistool op mij richtte. Ik ken het verschil wel tussen een pistool en een revolver. Hij hield het pistool in zijn rechterhand ter hoogte van zijn buik vast. Het was geen groot pistool, het glom wel. Ik zag dat de andere man door de zaal liep. Ik rook benzine. Ik zag dat de andere man iets uitsprenkelde in de zaal. Ik zag dat hij een lichtkleurige soort jerrycan vast had. Ik heb met mijn linkerhand geprobeerd het pistool af te pakken. Daar is een techniek voor die ik ken vanuit de vechtsport. Ik pakte dus als het ware de slede van het wapen vast. Ik wilde zo het wapen van mij af bewegen en de pols van de man naar voren drukken in een soort klem, zodat hij het pistool los moest laten. Dit ging mis. De man schrok kennelijk en trok het pistool terug. Ik hoorde een schot en voelde direct een stekende pijn in mijn linkerzij. Het schot werd op een afstand van ongeveer 20 centimeter van mijn buik gelost. Van schrik en van pijn liet ik het pistool los. Ik voelde dat ik een ‘push’ kreeg van de man en daarna gelijk een trap in mijn kruis kreeg. Hierdoor boog ik voorover/kroop in elkaar, ik had mijn handen bij mijn kruis omdat ik erg veel pijn had. Ik hoorde toen nog een schot en voelde pijn in mijn linker bovenarm. Door de pijn viel ik op de grond. Ik viel als het ware zijwaarts. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Hij riep tegen mij: “ls that what you want?” Terwijl ik viel hoorde ik nog een schot. Ik voelde pijn in mijn rechteronderbeen. Ik werd geraakt in mijn rechterkuit. Ik lag voor de balie. Ik hoorde de man met het pistool zeggen ‘We’ve got your family too’. Ik kwam op mijn linkerzij te liggen. De man met het pistool bond mij vervolgens vast met tie-wraps. Ik weet niet waar hij deze vandaan had. Hij bond mijn polsen aan elkaar vast. Ze zaten zo vast dat mijn handpalmen naar elkaar toe zaten. De tie-wraps zaten over mijn jasje heen. Ook mijn voeten werden vast gemaakt met tie-wraps. Ik kreeg tie-wraps om mijn enkels, over mijn broek heen. De tie-wraps waren licht/wit van kleur. Ik lag nog steeds voor de ingang van de balie op de grond. Rechts achterin de fitnesszaal zit nog een aparte lesruimte, de aerobiczaal. Hier is een nooduitgang met een trap aan de buitenzijde van het gebouw. Ik vermoedde dat ze daar heen gingen. Naar mijn idee wisten de mannen hoe mijn sportschool eruit zag. De gebroken spiegel was op ongeveer 1 meter van mij. Deze stond rechtop tegen de muur. Ik heb de tie-wrap, door mijn handen op en neer te bewegen, langs het scherpe deel van de spiegel gehaald. Zo heb ik de tie-wraps om mijn polsen losgemaakt. Ik heb de tie-wraps om mijn enkels kapot getrokken. Ik ben over de balie gesprongen. Achter de balie is een deur naar het balkon. Ik ben het balkon op gegaan. Binnen brandde het. Ik weet niet wat er brandde. Ik zag wel veel vuur en rook.
brandonderzoek
1.2
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 10 juli 2013, (…), inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 24 mei 2013 werd onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand . Het object was gelegen op een perceel, direct gelegen aan de openbare weg, de [a-straat ] te Groningen. ( [a-straat 1] , Groningen. Object: bedrijfspand (sportschool). De brand had gewoed in de trapopgang en de bovenverdieping.
Conclusies:
Gelet op het aangetroffen brand - en schadebeeld kon worden vastgesteld dat er meerdere brandhaarden waren. Op zowel de begane grond als op de bovenverdieping zijn brandhaarden aangetroffen, welke alle, uitgezonderd die op de begane grond, konden worden getypeerd als primaire brandhaarden. Een primaire brandhaard is een plaats van waaruit de eerste vuurverschijnselen ontstaan. De brandhaard op de begane grond kan zowel worden getypeerd als primaire of secundaire brandhaard.
De oorzaak voor het ontstaan van deze brand moet worden gezocht in het opzettelijk ter plaatse brengen van vuur, daarbij gebruikmakend van brand bevorderende middelen, waarbij een voor dit soort branden typerende schadebeeld was ontstaan. Gelet op de omvang van de sprenkelsporen was te verwachten dat er hier sprake geweest moet zijn van een grote hoeveelheid vloeistoffen, welke op de vloer en/of voorwerpen is (uit)gegoten, gevloeid of gesprenkeld. Door het NFI werden in de geanalyseerde sporen vluchtige stoffen aangetoond, te weten motorbenzine en een combinatie van motorbenzine en een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie.
Ondanks het feit dat de ontstekingsbron niet kon worden vastgesteld, kon er van worden uitgegaan dat deze gezocht moet worden in open vuur, bijvoorbeeld een aansteker of brandend materiaal.
Het tot ontbranding brengen van (de damp van) een ontbrandbare stof is niet geheel ongevaarlijk: een explosie is mogelijk indien er sprake is van een mengsel van gasdamp met lucht indien dat zich binnen het explosiegebied bevindt. Door de plotselinge vergroting van het volume en het vrijkomen van energie op een gewelddadige manier ontstaan hoge temperaturen en er komen gassen en/of vlammen vrij.
Indien het incident niet tijdig was ontdekt en er geen brandbestrijding had plaatsgevonden, had de brand zich verder kunnen ontwikkelen. Hierbij was grotere schade te verwachten geweest aan zowel het object (opstal en inboedel) als aan belendende panden, in het bijzonder het links aangrenzende bedrijfspand. In onderhavige casus was er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.
1.3
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, (…), d.d. 17 juni 2013 opgemaakt door dr. M.M.P. Grutters, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
AAE3098NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
AAES3100NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
AAES3102NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond. Een deel van de vluchtige stoffen is afkomstig van motorbenzine. Een ander deel van de vluchtige stoffen is afkomstig van een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie.
letselrapportage
1.4
Een geneeskundige verklaring, op 30 mei 2013 opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts, (…), voor zover inhoudende, als haar verklaring:
Betreft
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1974
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Datum letsel: in de nacht van 23 op 24 mei 2013
Datum letselonderzoek: 24 mei 2013
Bij binnenkomst was sprake van een 6-tal schotwonden (3x inschot en 3x uitschot): in de linker bovenarm, de linker flank en de rechter kuit. Alle wonden bleken oppervlakkig, dus niet dieper dan de spierlaag te verlopen. Het is aannemelijk dat het bij verdachte gaat om een drietal schotverwondingen.
onderzoek plaats delict
1.5
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 15 juli 2013, (…), inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 5] :
Op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 01.45 uur, kreeg ik van de meldkamer Noord-Nederland het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te Groningen. In dit perceel was sportschool [A] gevestigd. In het pand zou brand zijn gesticht. Tevens zou de eigenaar van dit pand zijn overvallen en beschoten en vanuit het brandend pand naar het dak zijn gevlucht. Tijdens het ter plaatse gaan hoorde ik via de mobilofoon dat het slachtoffer door de brandweer van het dak was gehaald met behulp van een ladderwagen. Het slachtoffer zou drie schotwonden hebben en werd door de ambulancedienst overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Groningen. Tevens hoorde ik dat de brandweer het vuur in het pand inmiddels onder controle had.
Aan de rechterzijde van de bar, waar zich de ingang bevond, zag ik een kapotte spiegel op de grond liggen.
Voor de bar zag ik een barkruk en een stoel met kunststof vlechtwerk, een zogeheten wickerstoel staan. Op de vloer, links van de wickerstoel zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4888NL. Op het werkblad van de bar zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4889NL. Op de vloer, rechts naast de bar, trof ik een huls aan. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4890NL.
Op de vloer, tussen de bar en de blauwe stoel, zag ik twee witte kabelbinders liggen. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4891NL en AAFS4892NL. Op het werkblad van de bar op het uiteinde en op de vloer voor de bar zag ik witte kabelbinders liggen. Ik zag op het werkblad, naast de kabelbinder, een niet beroete gedeelte in de vorm van een kabelbinder, een zogeheten void. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4893NL en AAFS4894NL.
In het pand werden door mij verder geen sporen en/of sporendragers aangetroffen die mogelijk dader en/of delict gerelateerd waren.
1.6
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 7 juli 2013, (…), inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 4] :
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 10.10 uur, een nader forensisch onderzoek verricht met betrekking tot het schietincident. Tijdens dit onderzoek werd onderzoek naar sporen/sporendragers gedaan. Mij, [verbalisant 6] , kon blijken dat het schietincident zich had afgespeeld bij de balie van genoemd sportcentrum op de bovenverdieping.
Door mij werd het volgende gezien/geconstateerd:
Op de plaats-delict waren door collega [verbalisant 8] de markeringsbordjes achtergelaten op de locatie waar zij sporen/sporendragers had aangetroffen. Dit betroffen de bordjes 1 t/m 6.
Door mij werden de volgende sporen/sporendragers aangetroffen, waarbij de aangetroffen sporen/sporendragers door mij doorgenummerd werden vanaf markeringsbordje 7.
Aangetroffen sporen/sporendragers
> markeringsbord nr. 7
Punt 22 (5.7mm) huls, merk Rem, deze lag op de vloer rechts naast de balie. De huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5230NL
> markeringsbord nr. 8
lnschot kastdeurtje achter de balie. Een kogel was door het kastje geschoten en zat achter de gipsplaat achter het kastje. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld.
SIN AAFS5231NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 75 cm vanaf de vloer en 21.8 cm vanaf de rechter zijkant kastje. Tevens werd door ons een schootlijn met betrekking tot dit inschot “uitgezet”. Uit deze schootlijn kan geconcludeerd worden dat er zeer waarschijnlijk geschoten is vlak voor de balie of vlak achter de balie.
> markeringsbord nr. 9
Ricochetbeschadiging op reclamefolders die op de balie lagen. Zeer waarschijnlijk is deze beschadiging ontstaan door de kogel welke was afgeketst op de voorzijde van de koelkast achter de balie (markeringsbord 13), waarvan de gedeformeerde kogel op de vloer onder de balie werd aangetroffen (markeringsbord 17).
> markeringsbord 10
Inschot in de achterzijde van een blauwe stoel welke rechts naast de balie stond.
Vermoedelijk was deze stoel door de brandweer verplaatst, in de stoel werd een kogel aangetroffen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5232NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en een schootlijn met betrekking tot genoemde stoel “uitgezet”.
Hieruit kon blijken dat met een hoek van circa 43 graden in de stoel geschoten was. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er vermoedelijk in de nabijheid van de stoel geschoten moet zijn.
> markeringsbord 11
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5233NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 27 cm vanaf de vloer en 80 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 12
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5234NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 200 cm vanaf de vloer en 40 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 13
Ricochetbeschadiging op de voorzijde van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens via de reclamefolders welke op de balie lagen (markeringsbord 9) op de vloer onder de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 17.
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 104 cm vanaf de vloer en 93 cm vanaf de rechter zijkant koelkast.
> markeringsbord 14
Ricochetbeschadiging op de rechterzijkant van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 12.
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 150 cm vanaf de vloer en 8.9 cm vanaf de achterzijde van de koelkast.
> markeringsbord 16
Op het platte dak, links van het sportcentrum, werd een kogel (punt 22/ 5,7mm) aangetroffen. Deze kogel lag nagenoeg bij de linker zijmuur van het sportcentrum, onder een raam welke door de brandweer was ingeslagen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5236
> markeringsbord 17
Op de vloer onder de balie werd door ons een volledig gedeformeerde kogel (vermoedelijk punt 22) aangetroffen. Zeer waarschijnlijk was deze kogel afgeketst op de voorzijde van de koelkast, te weten markeringsbord 13, waarna de kogel gericocheerd werd, de reclamefolders welke op de balie lagen beschadigd, en vervolgens op de vloer was terechtgekomen. Deze werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5237NL
> markeringsbord 18
Op de vloer, rechts van de balie, werd door ons een punt 22 (5.7 mm) huls aangetroffen. Deze huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5238
Op de locatie waar de huls werd aangetroffen was al veelvuldig door de hulpdiensten, te weten brandweer en politie, gelopen. Derhalve was de huls waarschijnlijk verplaatst.
Aantreffen vuurwapen
Door mij, [verbalisant 6] , werd op vrijdag 24 mei 2013 in de omgeving van het sportcentrum een onderzoek verricht. Hierbij werd door mij een vuurwapen aangetroffen op het voormalige terrein van “KPN”. Dit terrein is (oostelijk) direct achter het sportcentrum gesitueerd en werd slechts gescheiden door een brandsteeg. Het vuurwapen betrof een Smith & Wesson .22 long rifle, waarvan het serienummer was weggefreesd.
Wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , zagen dat dit wapen op de bestrating vlak voor een schuif/kanteldeur van een garagebox lag en dat dit wapen zeer waarschijnlijk hier naartoe was gegooid. Wij zagen namelijk een beschadiging in genoemde garagedeur, vermoedelijk afkomstig van het wapen. Zeer waarschijnlijk was het wapen hetzij vanaf genoemde brandsteeg over een dakje gegooid of vanaf het platte dak links van het sportcentrum over dit dakje gegooid, waarna het wapen tegen de garagedeur aan kwam en hier naar beneden op de vindplaats viel. Tevens zagen wij dat er een huls (merk Rem) dwars tussen de slede en de loop van dit wapen vastgeklemd zat. Zichtbaar was dat in de houder van het wapen (welke nog in het pistool zat) in ieder geval nog een patroon aanwezig was. Nabij het pistool troffen wij een borging aan, welke van het pistool afkomstig was.
Door mij, [verbalisant 7] , werd genoemd pistool en borging veiliggesteld en vervolgens ten behoeve van een DNA-vervolgonderzoek de volgende onderdelen van het pistool afzonderlijk verpakt en voorzien van een SIN, te weten: AAFZ0509NL
Ten behoeve van het DNA-onderzoek werden door mij, [verbalisant 7] , de volgende pistoolonderdelen afzonderlijk verpakt en voorzien van SIN:
- Pistool SIN AAFZ0509NL
- Houder SIN AAFS5246NL
- Patroon SIN AAFS5247NL
- Huls SIN AAFS5248NL
- Borging van het pistool SIN AAFZ0510NL
Onderzoek “schootlijnen”
Met betrekking tot bovenstaand onderzoek werd op maandag 27 mei 2013 door ons [verbalisant 6] en [verbalisant 4] de aangetroffen inschoten en ricochetbeschadigingen voor zover mogelijk ingemeten en daar waar mogelijk werden zogenaamde “schootlijnen” uitgezet om te kunnen vaststellen vanaf welke locatie geschoten was. Voor het uitzetten van een schotlijn zijn twee vaste referentiepunten noodzakelijk, bijvoorbeeld een inschot en een uitschot. Dit gegeven was bij het schietincident aan de [a-straat ] bij twee inschoten het geval, te weten:
- het inschot en uitschot in het kastje achter de balie (markering 8)
- het inschot en aangetroffen kogel in de blauwe stoel. Bij laatstgenoemde stoel wordt vermeld dat deze na het incident vermoedelijk is verplaatst door de brandweer, (markering 10)
Conclusie
- Het inschot in het kastje achter de balie werd vlak voor de balie of direct achter de balie afgevuurd.
het vuurwapen
1.7
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 18 juni 2013, (…), inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 9] :
Door personeel van de politie Noord Nederland werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp inbeslaggenomen. Door mij is het vuurwapen op 27 mei 2013 veilig gemaakt door het te ontladen. In het vuurwapen was een leeg patroonmagazijn aanwezig. In het uitwerpvenster aan de rechterzijde van het wapen, bovenzijde handgreep, zat een afgevuurde huls. Deze huls van het kaliber .22 LR zat vastgeklemd tussen de slede en de kast.
Het voorwerp is een pistool:
Merk : Smith en Wesson
Model : 2213 Sportsman
Kaliber : .22 LR
Serienummer : Verwijderd
Land Fabricage : Verenigde Staten van Amerika
Het voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing.
Derhalve is het voorwerp een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Bij het pistool is een bijpassend patroonmagazijn aanwezig. Dit magazijn is ingericht voor 8 randvuurkogelpatronen van het kaliber .22 LR. Met een patroon in de kamer kan het voormelde pistool maximaal geladen zijn met 9 kogelpatronen.
Munitie: aangetroffen in voormeld vuurwapen
Soort : Randvuur kogelpatroon
Merk : Remington
Kaliber : . 22 LR
Aantal : 1
Deze patroon is geschikt om een projectiel door middel van een, (voormeld) vuurwapen af te schieten.
Derhalve is dit munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
1.8
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, (…), d.d. 10 oktober 2013 opgemaakt door [verbalisant 10] , op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
Er zijn aanwijzingen gevonden dat de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit pistool [AAFZ0509NL]. De sterkte van deze aanwijzingen wordt hieronder verder toegelicht.
Hulzen
Voor de zes hulzen [AAFS488SNL, -4889NL, -4890NL, -5230NL, -5238NL en -5248NL], .22 Long (Rifle), en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met het pistool.
Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend huisonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.
Kogels
Voor de zes kogels [AAFS5231NL t/m -34NL, -36NL en -37NL], die het best passen bij het kaliber .22 Long Rifle, en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 3: De kogels zijn afgevuurd uit de loop van het pistool.
Hypothese 4: De kogels zijn afgevuurd uit één meerdere andere lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is.
(…)
Tijdens het veiligstellen van het vuurwapen door de FO werd geconstateerd dat er een afgevuurde huls klem zat in het hulzenvenster van het vuurwapen. In deze huls bevinden zich normale afvuursporen. Een storing, zoals genoemd, kan optreden als direct na het schot het hulzenvenster wordt geblokkeerd (bijvoorbeeld door kleding of iets dergelijks), of dat de slede in zijn naar achtergaande beweging wordt geremd en niet voldoende ver naar achteren komt om de huls uit het wapen te werpen. De huls kan dan dwars in het hulzenvenster komen te zitten, een nieuw patroon kan eveneens onder de niet uitgeworpen huls vast zitten. Indien het wapen in deze toestand wordt weggeworpen kan de huls tamelijk vast komen te zitten tussen de slede en de kast van het wapen. De beschadigingen in de huls en het ontzetten van het frame passen bij deze veronderstelling.
Hypothese A: Er is eerst een uitwerpstoring opgetreden en daarna is het wapen weggegooid. Hypothese B: Het wapen is weggegooid en daarbij is een uitwerpstoring opgetreden.
De bevindingen van het technisch onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A juist is, dan wanneer hypothese B juist is.
schotbaan
1.9
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013 + bijlagen, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
O: De aangever maakt een tekening van welke apparatuur er op de bovenverdieping aanwezig was. Deze tekening zal als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd worden.
O: Wij verbalisanten laten de aangever op een tekening aangeven waar de spiegel staat en waar de aangever de twee mannen zag. Dit staat ook vermeld in Bijlage 1.
Ik moest meelopen naar voren naar de spiegels tegen de muur recht tegenover de trap. Hij drukte mij vooruit met het pistool. Ik hoorde de man zeggen: “Forward, forward.” De andere persoon zag ik niet. Ik moest op mijn knieën gaan zitten van de man met het pistool, ik weigerde dit. Ik zocht een moment om te draaien. Ik zei: “What do you want from me:” en “Who are you.” Ik weet niet in welke volgorde ik dit zei. Ik hoorde de man zeggen “On your knees motherfucker.”
O: Wij verbalisanten laten de aangever aangeven op een tekening waar hij zich bevond op dit moment. Deze tekening zal als bijlage 2 worden bijgevoegd bij dit proces verbaal.
Ik moest op mijn knieën gaan zitten, ik keek richting de zonnebankruimte en een koelkast. De man met pistool stond achter mij. Ik heb geweigerd om op mijn knieën te gaan zitten. Ik heb me omgedraaid en keek nu de dader in zijn gezicht. Ik keek naar beneden en zag een pistool in zijn hand. Deze glinsterde. Ik zag de andere man achter hem. Ik heb gereageerd, de man met pistool had het pistool voor zijn buik in mijn richting. De dader had het vuurwapen in zijn rechterhand. Ik wilde een soort bokkenpoot maken. De dader haalde het vuurwapen naar achteren. Ik wilde hem naar mij toe trekken, blijkbaar heb ik hem niet goed beetgepakt. Ik hoorde een knal, voelde iets in mijn zij. Hierop trapte de man met een gestrekt rechterbeen mij in mijn kruis. Ik voelde zijn scheenbeen mijn kruis raken. Ik kroop ineen. Ik voelde de meeste pijn in mijn kruis. Ik voelde ook een soort prik in mijn zij. Ik zag nu het wapen niet meer. Ik hoorde nu weer een knal en nu voelde ik een pijn in mijn arm. Dit deed wel veel pijn. Ik viel nu voorover en hoorde nog een knal en voelde nu wat aan mij rechterbeen, de bovenkant van mijn kuit. Ik viel hierna op mijn rechterzij. Ik kijk hierbij in de richting van de zonnebank.


1.10
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2014, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
Afbeelding 7: Jij verklaart dat je bent beschoten terwijl je voor de bar lag, ongeveer op de plek die met een kruis is aangegeven. Daar ben je heel duidelijk in. Afbeelding 7 wordt getoond.
afbeelding 7

Afbeelding 8: In de sportschool worden vijf hulzen en vijf kogels gevonden. Van één kogel was het mogelijk om de schotbaan te reconstrueren. Dat is met de rode pijl aangegeven. Die schotbaan vertelt een heel ander verhaal. Jouw verklaring klopt niet.
afbeelding 8

de kabelbinders
1.11
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Hoe zaten de tie-wraps vast?
A: Mijn handen zaten met meerdere tie-wraps vast over mijn jas. Twee of drie tie-wraps. Mijn handen zaten op elkaar en meerdere tie-wraps er omheen. De tie-wrap was verlengd door middel van een tweede tie-wrap en deze zat éénmaal om mijn arm. Ik dacht twee of drie tie-wraps aan elkaar. Om mijn voeten was dit hetzelfde.
V: Wat is er gebeurd toen je het ineens licht zag worden van het vuur?
A: Ik wilde opstaan, ik voelde dat ik vast zat, ik bemerkte nu dat mijn benen ook vast zaten. Ik trok mijn knieën naar mijn buik om te kunnen opstaan. Ik probeerde met mijn handen mij los te maken. Dit lukte niet. Ik keek om me heen, om wat te vinden. Ik zag de spiegel voor me. Dit waren losgemaakte spiegels welke zich recht tegenover de trap bevonden. Ik lag op ongeveer 1 à 1,5 meter afstand van deze spiegel. Ik kon niet opstaan, ik werd duizelig. Ik trok mijzelf naar de spiegel toe, met behulp van mijn armen, ik zat op handen en knieën. Ik ben hier opgestaan, mijn handen en voeten waren nog vastgebonden. Ik heb toen aan de zijkant van de spiegel met mijn vastgebonden handen zagende bewegingen gemaakt om de tie-wraps door te snijden. Ik deed mijn handen dus omhoog en naar beneden langs de spiegel. De tie-wraps gingen door.
V: Wat heb je met de tie-wraps gedaan welke je doorgesneden/getrokken hebt gedaan?
A: Daar heb ik niks mee gedaan.
1.12
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, (…), d.d. 26 september 2013 opgemaakt door drs. J. Klaver, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
- AAFS4891NL #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA-profiel [verdachte]
- AAFS4892 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: geen DNA-profiel verkregen
- AAFS4893 #01: bemonsteringen van kabelbinder: DNA-profiel van een man, [verdachte] / matchkans kleiner dan een op een miljard.
- AAFS4894 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA-profiel [verdachte] .
1.13
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, (…), d.d. 1 november 2013 opgemaakt door R. Pieterman, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
Overzicht ontvangen materiaal:
AAFS4891NL: kabelbinder
AAFS4892NL: kabelbinder
AAFS4893NL: kabelbinder
AAFS4894NL: kabelbinder
Wanneer de trekband van een kabelbinder op de juiste wijze is aangebracht in de sluitkop van de kabelbinder, of in een andere kabelbinder, zijn deze niet meer van elkaar te scheiden (los te trekken) zonder dat er duidelijke beschadigingen ontstaan. Bij proeven, waarbij getracht is gesloten kabelbinders open te trekken met de hand, is gebleken dat de sluitkop op zijn plaats blijft zitten en dat er druksporen ten gevolge van insnoering ontstaan. Dit is ook het geval wanneer met behulp van een bankschroef getracht wordt de gesloten kabelbinders open te trekken. Bij relatief veel uitgeoefende trekkracht met de bankschroef breekt de trekband (uiteindelijk). De kabelbinders van de plaats delict tonen geen beschadigingen die op een uitgeoefende trekkracht wijzen.
Uit onderzoek is gebleken dat bij het plaatsen van de trekband aan de verkeerde kant van de sluitkop en getwist (180 graden gedraaid) er indrukken en krassporen ontstaan aan de tanden van de trekband. Bij het onderste boven insteken van de trekband ontstaan er kras- en druksporen in de bovenzijde van de sluitkop. In de kabelbinders van de plaats delict zijn deze sporen niet waargenomen. In beide gevallen glijdt bij een zeer licht uitgevoerde handmatige trekkracht de sluitkop makkelijk van de trekband af.
(...)
Met betrekking tot vraag 2 en 3
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4892NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4891 NL gezeten?
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4894NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4893NL gezeten?
*Hypothese 5: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 6: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 7: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 6 juist is, dan wanneer hypothese 5 of 7 juist is.
*Hypothese 8: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAF54893NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 9: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 10: De trekband van kabelbinder [AAF54894NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 9 juist is, dan wanneer hypothese 8 of 10 juist is.
- Ervan uitgaande dat de totaal drie kabelbinders [AAFS4891NL] en [AAFS4892NL] samen een gesloten lus hebben gevormd, en de kabelbinders juist met elkaar waren verbonden, is de verwachting, dat het niet mogelijk is om deze van elkaar los te trekken, zonder dat daarbij aan de tanden in de sluitkop en aan de tanden van de trekband, duidelijk zichtbare beschadigingen ontstaan.
de telefoon
1.13
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2013, (…), inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 11] :
Op 27 mei 2013 werd gevorderd de verkeersgegevens van de bij aangever [verdachte] , nader te noemen [A] , aangetroffen Iphone met daaraan gekoppeld telefoonnummer [telefoonnummer 1] (bij Vodafone) & imei-nummer [001] (bij KPN, T-mobile & VODAFONE) over de periode 1 juni 2012 t/m 25 mei 2013.
Op 23-05-2013 om 22:49 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 23-05-2013 om 23:43 uur. Hierbij bevond de gsm zich om 22:49 uur binnen het dekkingsgebied van Cellld 34781 gevestigd Kraaienest te Groningen; om 22:53 uur binnen het dekkingsgebied van Cellld 42891 gevestigd Koningsweg te Groningen; gevolgd door 23:31, 23:33, 23:35 & 23:39 van Cellld’s te Joure & om 23:37 van een Cellld te Terband.
Op 23-05-2013 om 23:43 uur en 24-05-2013 om 00:28 uur was een internet verbinding (GPRS WAP) waarbij was vermeld Cellld 43053 gevestigd te Heerenveen.
Op 24-05-2013 om 00:35 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 24-05-2013 om 09:54 uur. Hierbij bevond de gsm zich binnen het dekkingsgebied van Cellld’s gevestigd te Groningen.
Bij de opbouw van het mobiele netwerk heeft elke Cellld die bevestigd is aan een zendmast een bepaald dekkingsgebied die kan variëren tot meerdere vierkante kilometers. Vooral in een landelijk gebied kan een gsm, die zich op een afstand tot bijvoorbeeld 15 kilometer van de zendmast bevindt, gebruik maken van deze zendmast.
1.14
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2014, (…), inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 12] :
In het onderzoek 01 [a-straat ] zijn er historische verkeersgegevens gevorderd van het Vodafone telefoonnummer [telefoonnummer 1] over de periode 01-06-2012 t/m 25-05-2013. Bij het analyseren van deze historische verkeersgegevens kwamen een aantal vragen naar boven met betrekking tot de locatiegegevens van de mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 23-05-2013 en 24-05-2013. Bij het onderzoeksteam stelde men zich de vraag hoe het kan dat in regel 18 van het bijgevoegde Excellbestand (bijlage 1) de telefoon aangemeld is op de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) op 24-05-2013 om 00:28:09 uur en vervolgens in regel 19 is de telefoon aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen) op 24-05-2013 om 00:35:15 uur. Tussen deze twee bovengenoemde sessies zit slechts 7 minuten. De afstand tussen beide masten in bovengenoemde sessies betreft ruim 60 kilometer. Het is onmogelijk dat de telefoon in 7 minuten een afstand van bijna 60 kilometer heeft afgelegd. Voor het antwoord op deze vraag werd het team door mij doorverwezen naar [betrokkene 2] , Lawful Intercept Operational Coordinator, Corporate Security Vodafone Libertel BV te Maastricht. [betrokkene 2] beantwoordde op donderdag 13-02-2014 om 14:02 uur via mail hoe de bovengenoemde sessies geïnterpreteerd dienen te worden. Uit de uitleg van [betrokkene 2] blijkt dat de telefoon op 23-05-2013 om 23:43:12 uur zich aanmeldt op het UMTS
netwerk van Vodafone via de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) en vervolgens op 24-05-2013 om 00:35:15 uur is aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen). Tussen deze sessies zit 52 minuten, een veel reëlere tijd om de afstand van ongeveer 60 kilometer afte leggen. In een tussenliggende sessie, 24-05-2014 om 00:28:09, werd ook de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1OA, Heerenveen) genoemd. Echter uit de uitleg van [betrokkene 2] blijkt dat deze mastgegevens gekopieerd werden van de sessie op 23-05-2013 om 23:43:12 uur, maar er feitelijk bij deze tussenliggende sessie niet een nieuwe locatie update heeft plaatsgevonden. Hierdoor ontstond de verwarring bij het onderzoeksteam. Uit de Excellijst (bijlage 1) blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op
23-05-2013 rond 21.00 uur in Groningen is. Tussen 23-05-2013 23.30 uur en 24-05-2013 00:35 uur is de telefoon in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen). Op 24-05-2013 00:35:15 is de telefoon weer terug in Groningen.
1.15
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2013, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
Mijn telefoonnummers zijn:
Mobiel : [telefoonnummer 2]
(…)
1.16
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, (…), inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Waar is de telefoon als je bij [betrokkene 1] vertrekt?
A: In mijn linker broekzak.
V: Aangekomen bij de sportschool waar is dan je telefoon?
A: In mijn linker broekzak, ik ben onderweg niet gebeld. In de sportschool leg ik de telefoon naast me op de balie, de eerste keer dat ik de telefoon weer gebruik is als ik ben overvallen en de politie bel.”
2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt verdediging
Door en namens verdachte is vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is door de raadsman – overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitaantekeningen – samengevat het volgende aangevoerd. Verdachtes verklaringen afgelegd tegenover de politie, inhoudende dat hij door twee mannen in zijn sportschool is overvallen, lijken hier en daar inconsistent maar zijn dat niet. Het gaat om marginale punten en dat is in de gegeven context helemaal niet vreemd. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 13] betreft geen ‘eerste verklaring’ van verdachte maar betreft een verklaring van verbalisant [verbalisant 13] met betrekking tot zijn bevindingen. Verbalisant [verbalisant 13] heeft het proces-verbaal pas de volgende dag uit zijn hoofd opgemaakt: hij had geen aantekeningen gemaakt. Voorts kan het bij verdachte opgetreden geheugenverlies goed verklaard worden uit het post traumatisch stress syndroom dat bij verdachte is vastgesteld.
Verdachte had voorts geen enkel motief voor de brandstichting. De sportschool was zijn levenswerk en er waren geen financiële problemen.
De rechtbank heeft gesteld dat er geen enkele aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van andere personen dan verdachte in het pand. Dat is onjuist. Er zijn drie getuigen die bevestigen dat er gestommel en geroep heeft plaatsgevonden in en rond de sportschool. Het gaat om getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Voorts is op het wapen DNA aangetroffen van verdachte maar ook van minimaal één andere persoon. Van het van verdachte aangetroffen DNA op het wapen is niet duidelijk waar het zich precies bevond. Het DNA kan er via de worsteling van verdachte met de schutter of via secundaire overdracht op terecht zijn gekomen. Er is ook DNA van verdachte aangetroffen op de kogel in de halfopen kamer van het wapen. Ook dit kan er via de worsteling of via secundaire overdacht op terecht zijn gekomen. Op de binnenzijde van de kolfplaten van het wapen is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee andere personen, maar niet van verdachte. Dit duidt er temeer op dat het pistool niet van verdachte was, maar van iemand anders. Er is voorts geen DNA materiaal van verdachte aangetroffen op de andere hulzen, hetgeen je wel zou verwachten als hij degene zou zijn geweest die het pistool geladen had. Ten aanzien van de aangetroffen aansteker heeft de raadsman aangevoerd dat niet zeker is dat de brand met die aansteker is aangestoken. Ook op de aansteker zou het DNA van verdachte er via secundaire overdracht op terecht kunnen zijn gekomen.
Voor wat betreft de in de sportschool aangetroffen tiewraps heeft de raadsman aangevoerd dat niet vaststaat dat dat de tiewraps waren waarmee verdachte gebonden is geweest. Het is goed mogelijk dat de tiewraps waarmee verdachte gebonden is geweest, zijn verbrand in het vuur in de sportschool.
De benzine die is aangetroffen in de rechterschoen van verdachte kan daarop zijn gekomen toen verdachte snel de ruimte moest verlaten.
Verdachte heeft geen verklaring voor het aantreffen van 5 kogels in de sportschool en 1 kogel op het dak.
Voorts heeft verdachte geen verklaring voor de telefoongegevens waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte de avond van 23 mei 2013 in de buurt van Heerenveen en Joure was. Het moet op een vergissing berusten.
De schotwonden van verdachte betreffen geen oppervlakkige doorschotwonden zoals is gesteld. Het is onaannemelijk dat verdachte zichzelf zou hebben beschoten. Voorts heeft de deskundige Oude Grotebevelsborg, anders dan forensisch arts Naujocks, aangegeven dat uit de aard van de verwondingen niet kan worden vastgesteld of deze gericht zijn toegebracht al dan niet tijdens een dynamische interactie of tijdens een meer statisch proces.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Oordeel hof
De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier volgt dat in de nacht van 23 op 24 mei 2013 brand is uitgebroken in de sportschool waarvan verdachte destijds, samen met zijn partner, de eigenaar was. Verdachte werd die nacht door de gealarmeerde hulpdiensten op het platte dak van de sportschool aangetroffen. Hij had drie schotwonden. Door verdachte is aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag en brandstichting in zijn sportschool. Verdachte heeft – kort samengevat – verklaard dat hij een pistool op zijn hoofd kreeg toen hij kort na middernacht de sportschool wilde verlaten. Hij werd door twee mannen gedwongen om de sportschool weer naar binnen te gaan. Hij is toen, na een poging de man met het wapen te overmeesteren, driemaal beschoten: in zijn linkerflank, zijn linker bovenarm en zijn rechterkuit. Vervolgens is hij vastgebonden met tiewraps. Verdachte kreeg tiewraps om zijn polsen en om zijn enkels. De andere man sprenkelde benzine in de sportschool. De mannen verlieten vervolgens de sportschool. Verdachte heeft de tiewraps om zijn polsen doorgesneden aan een gebroken spiegel. De tiewraps om zijn enkels heeft hij kapot getrokken. Hij is vervolgens over de balie gesprongen en via de deur achter de balie het balkon opgegaan. In de sportschool woedde toen brand .
Het hof bezigt de hiervoor bedoelde verklaring van de verdachte tot het bewijs, nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof beoordeelt de verklaring van de verdachte als kennelijke leugenachtig voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte. Die kennelijke leugenachtigheid blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Ten eerste is de verklaring van verdachte dat hij op 23 mei 2013 om ongeveer 21:20 uur in zijn sportschool aan de [a-straat 1] te Groningen was en daar is gebleven tot circa 00:15 uur, in strijd met de verkeersgegevens van zijn telefoon. Daaruit blijkt immers dat de telefoon van verdachte tussen 23.30 uur en 00:35 uur in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen) was. Op 24 mei 2013 00:35:15 was de telefoon weer terug in Groningen. Verdachte heeft verklaard dat hij de gehele avond van 23 mei 2013 in het bezit was van zijn telefoon. Het hof gaat er aldus vanuit dat verdachte de avond van 23 mei 2013 in Friesland is geweest, hetgeen in strijd is met zijn verklaring.
Ten tweede zijn de bevindingen van de politie op het plaats delict in strijd met verdachtes verklaringen. In de sportschool zijn vijf hulzen en vijf kogels aangetroffen. Op het dak van de sportschool is één kogel aangetroffen. Gelet op de bevindingen van het NFI gaat het hof ervan uit dat deze kogels met het aangetroffen wapen zijn verschoten. Verdachte heeft echter steeds verklaard dat de schutter slechts drie keer heeft geschoten. Deze verklaring is aldus in strijd met de bevindingen van de politie op het plaats delict. Ook de schotbaan van de kogel die is aangetroffen in het kastje achter de balie kan niet worden gerijmd met de verklaring van verdachte. Van die kogel is vastgesteld dat deze vlak voor de balie of direct achter de balie werd afgevuurd. Verdachte heeft aan de hand van een door hem getekende plattegrond van de bovenverdieping verklaard dat hij zich tussen de balie en de muur met de spiegels bevond toen hij werd beschoten. Deze spiegels stonden naast de balie. Deze verklaring rijmt op geen enkele wijze met de schootbaan van de aangetroffen kogel in het kastje achter de balie.
Ten derde zijn de bevindingen met betrekking tot de tiewraps in strijd met verdachtes verklaring. Verdachte heeft verklaard dat er tiewraps om zijn polsen en enkels zijn gebonden. Er zaten meerdere tiewraps aan elkaar. Het waren witte/lichtkleurige tiewraps. Verdachte heeft verklaard dat hij de tiewraps bij de spiegels in de buurt van de balie heeft losgemaakt. Hij heeft verder niets met de tiewraps gedaan. De politie heeft op de vloer, tussen de bar (het hof begrijpt: de balie) en de blauwe stoel, twee witte tiewraps (kabelbinders) gevonden. Ook op het werkblad van de bar, op het uiteinde en op de vloer voor de bar heeft de politie twee witte tiewraps gevonden. Op die plek in de sportschool zijn verder geen andere tiewraps aangetroffen. Op die plek heeft ook geen brand gewoed. De politie heeft aldus op de plek die verdachte heeft aangewezen als de plek waar hij de tiewraps heeft afgedaan, ook daadwerkelijk tiewraps aangetroffen, alsmede in de directe nabijheid van deze plek. Die tiewraps voldoen ook aan de beschrijving die verdachte daarvan heeft gegeven: het ging om twee of drie witte tiewraps aan elkaar. Op die tiewraps is ook DNA van verdachte aangetroffen. Het kan niet anders dan dat dat de tiewraps betreffen waarmee verdachte claimt gebonden te zijn geweest. Uit onderzoek van het NFI is vervolgens gebleken dat die tiewraps nooit als een gesloten lus aan elkaar hebben gezeten en dat het dus onmogelijk is dat verdachte hiermee is vastgebonden geweest en het derhalve niet noodzakelijk was om deze tiewraps door te snijden dan wel los te trappen.
De onderzoeksresultaten zijn aldus niet te rijmen met fundamentele onderdelen van de verklaring van verdachte.
De verdediging heeft (onder meer) gewezen op de getuigenverklaring van [getuige 3] waaruit zou blijken dat er twee mannen in of bij de sportschool aanwezig waren op het moment van de schietpartij. De getuige heeft onder meer verklaard dat ze op 24 mei 2013 omstreeks 01:30 uur twee mannenstemmen heeft gehoord, waarbij de ene man zachter sprak dan de andere man en zij bij een van de twee mannen een accent hoorde zoals zij dat wel eens hoorde bij negroïde mannen. De getuige heeft geen personen gezien.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat deze getuige op honderden meters afstand van de sportschool woont en er tussen de woning en de sportschool niet alleen meerdere gebouwen staan maar ook een N-weg ligt terwijl daarnaast de inhoud van haar verklaring zodanig vaag en onbepaald is, dat het hof aan deze verklaring geen waarde toekent met betrekking tot het gebeuren in de sportschool in de nacht van 23 op 24 mei 2013.
Gelet op de reeds als leugenachtig geduide verklaring van verdachte en op de omstandigheid dat verdachte tijd en gelegenheid had zelf brand te stichten in de sportschool, terwijl er, buiten het scenario van verdachte, geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen dan verdachte in de sportschool op het moment van het uitbreken van de brand , brengt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte zelf degene is geweest die de brand heeft gesticht.
Een en ander betekent dat het voorts niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad en daarmee zichzelf heeft beschoten. Uit het voorgaande volgt tenslotte ook dat ook het onder 3 tenlastegelegde, te weten het doen van valse aangifte, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het dossier bevat een grote hoeveelheid informatie over omstandigheden die zowel door de verdediging als door het openbaar ministerie zijn genoemd ter ondersteuning van het door hun ingenomen standpunt. Dit betreffen met name de veranderingen in de verklaring van verdachte, de plaats van aantreffen van DNA op het wapen waarmee geschoten is, de aard en plaats van de verwondingen aan het lichaam van verdachte, het aantreffen van brandversnellende stoffen in de rechter schoen van verdachte, het duiden van de geluiden waarover buurtbewoners hebben verklaard, de buiten aangetroffen aansteker met daarop DNA waarvan gesteld kan worden dat het van verdachte afkomstig is en tenslotte de financiële toestand waarin het bedrijf van verdachte zich bevond.
Het hof concludeert ten aanzien van al die omstandigheden dat er niet meer over valt te zeggen dan dat zij voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, in die zin dat zij zowel verklaard zouden kunnen worden binnen het scenario van het openbaar ministerie als binnen het scenario van de verdediging.
Het hof concludeert echter ook dat deze omstandigheden niets afdoen aan de leugenachtigheid van de verklaring van verdachte en de bewijsbaarheid van de tenlastegelegde feiten op basis van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen. Deze omstandigheden kunnen om die reden dan ook verder onbesproken blijven.”
3. Bespreking van het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat “de bewijsmiddelen (…) in deze zaak de verschillende bewezenverklaringen niet [kunnen] dragen”, omdat de verklaringen van de verdachte die het hof als kennelijk leugenachtige verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt “niet redengevend zijn voor het bewijs en het overige bewijsmateriaal niet toereikend is om de bewezenverklaringen op te baseren”.
3.2
In het strafrechtelijk bewijsstelsel is de kennelijk leugenachtige verklaring een vreemde eend in de bijt. Bewijsmiddelen dienen immers redengevend te zijn voor de bewezenverklaring. Een kennelijk leugenachtige verklaring kan materieel nooit redengevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde feit, omdat de verklaring per definitie in strijd is met andere bewijsmiddelen en met hetgeen is ten laste gelegd. Bij een voor het bewijs gebruikte kennelijk leugenachtige verklaring is derhalve niet de inhoud van de verklaring zelf redengevend, maar de vaststelling dat die verklaring kennelijk leugenachtig is. Die vaststelling leidt ertoe dat de leugenachtige verklaring de redengevende kracht van de andere beschikbare bewijsmiddelen versterkt.1.
3.3
Het is vaste jurisprudentie dat een verklaring van de verdachte als bewijsmiddel mag worden gebruikt indien de verklaring i) in strijd is met de waarheid, dat wil zeggen onverenigbaar is met de vastgestelde feiten en omstandigheden, ii) opzettelijk vals is afgelegd en iii) is afgelegd om de waarheid te verhullen.2.De gevolgtrekking dat een verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.3.
3.4
Nog los van mogelijke procesrechtelijke bezwaren, dient met een kennelijke leugenachtige verklaring als bewijsmiddel behoedzaam te worden omgegaan. Er moet voor worden gewaakt dat bewijsmanco’s worden opgevuld zonder dat aan het bewijs wezenlijk iets wordt bijgedragen.4.Mijn ambtgenoot Harteveld heeft er terecht meermalen op gewezen dat niet elke leugen zonder meer impliceert dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.5.De kennelijke leugenachtigheid moet daadwerkelijk redengevend zijn voor het bewezenverklaarde.6.
3.5
Eind 2022 heeft de Hoge Raad in een arrest dat is gewezen in een Caribische zaak een aantal algemene overwegingen gewijd aan het bij de bewijsvoering betrekken van een onaannemelijke of onware verklaring van de verdachte.7.De Hoge Raad benadrukt in dat arrest het bijzondere karakter van de kennelijk leugenachtige verklaring en scherpt de motiveringseisen aan in het geval de rechter een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel gebruikt. Ik citeer:
“3.3.1 (…) (N)iet (is) uitgesloten dat de rechter, onder de hierna te noemen voorwaarden, een onwaar gebleken verklaring van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt in dit verband gesproken van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte.
3.3.2
De rechtspraak van de Hoge Raad hierover houdt het volgende in. Het moet gaan om een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. Het oordeel dat van zo’n verklaring sprake is, moet voldoende grondslag vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in een of meer andere voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen echter niet worden gerekend bewijsmiddelen die verklaringen van de verdachte zelf inhouden, dan wel verklaringen van andere personen betreffen die alleen weergeven wat de verdachte hun heeft meegedeeld. Ook de omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd over een bepaald punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. (Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.) (…).
3.3.3
Met de formulering dat het moet gaan om een verklaring van de verdachte die “kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te verhullen”, wordt tot uitdrukking gebracht dat het afleggen door de verdachte van een verklaring die onverenigbaar is met de uit een of meer andere gebruikte bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in het concrete geval als een voor het aannemen van de bewezenverklaring relevante omstandigheid moet kunnen worden aangemerkt. Dat de verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, kan vooral van belang zijn voor de betekenis die de rechter aan de overige bewijsmiddelen toekent.
3.3.4
Het oordeel dat de bewezenverklaring mede op grond van het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel kan worden aangenomen, moet door de rechter nader worden gemotiveerd. In die motivering moet, mede gelet op wat onder 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, tot uitdrukking komen:
(i) welke door de verdachte afgelegde verklaring of welke onderdelen van die verklaring door de rechter als kennelijk leugenachtig wordt of worden aangemerkt;
(ii) op welke door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel berust dat de betreffende verklaring van de verdachte niet alleen onverenigbaar is met die feiten en omstandigheden maar ook als kennelijk leugenachtig – en niet bijvoorbeeld als een vergissing – moet worden beschouwd; en
(iii) wat – los van de omstandigheid dat de feitenlezing van de verdachte naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk is geworden – de relevantie is voor de bewijsvoering als geheel en dus voor het aannemen van de bewezenverklaring van de omstandigheid dat de verdachte op een bepaald punt kennelijk leugenachtig heeft verklaard.
3.4
Het voorgaande komt er dus op neer dat het weliswaar niet is uitgesloten een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte als bewijsmiddel te gebruiken, maar dat die bewijsconstructie van bijzondere aard is en alleen is toegelaten als het gebruik van die verklaring voor het bewijs door de rechter in overeenstemming met de onder 3.3.4 genoemde vereisten toereikend wordt gemotiveerd. Terughoudend gebruik van deze bewijsconstructie ligt dan ook in de rede. (…).”
3.6
Na deze inleidende opmerkingen ga ik over tot de bespreking van het middel. Ik meen daarin drie deelklachten te herkennen.
Eerste deelklacht
3.7
In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het “opnemen van de verklaringen van verzoeker als bewijsmiddelen in het arrest, (…) het bewijsoordeel onbegrijpelijk [maakt], omdat “een kennelijk leugenachtige verklaring (…) immers per definitie een onbetrouwbare, ongeloofwaardige en/of onwaarschijnlijke verklaring [is]”, zodat een dergelijke verklaring “onmogelijk als redengevend bewijsmiddel dienst [kan] doen.”
3.8
De eerste deelklacht is vergeefs voorgesteld. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van 20 december 2022, maar ook al uit eerdere jurisprudentie,8.volgt dat een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte wel degelijk als bewijsmiddel kan worden gebruikt. De redengevendheid van een dergelijke verklaring is erin gelegen dat de verdachte de waarheid heeft geprobeerd te verhullen. Het feit dat de verdachte heeft gelogen met het doel de waarheid te bemantelen draagt dan bij aan de conclusie dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.9.Het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring an sich maakt het bewijsoordeel niet zonder meer onbegrijpelijk.
3.9
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
3.10
De tweede deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte als kennelijk leugenachtig zijn aan te merken. Zo merkt de steller van het middel op dat “de verschillen tussen de verklaringen van verzoeker en de onderzoeksbevindingen niet zo groot zijn als wordt gesuggereerd”, dat er “een plausibele verklaring kan worden gegeven voor de geconstateerde verschillen en ongerijmdheden”, terwijl het hof niet heeft “onderbouwd waarom wordt aangenomen dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd” en dat “over het door het hof gestelde doel dat verzoeker zou hebben gehad met het afleggen van zijn verklaring – t.w. ‘om de waarheid te bemantelen’ – (…) geen nadere vaststellingen [zijn] gedaan door het hof”. Ook wordt geklaagd dat “het verband tussen de vermeende leugens en het tenlastegelegde (…) niet zonder meer duidelijk [is] en [niet] dwingt (…) tot de conclusie dat verzoeker degene is geweest” die de strafbare feiten heeft gepleegd.
3.11
Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat het oordeel van het hof dat een verklaring als kennelijk leugenachtig kan worden aangemerkt gemotiveerd dient te worden.10.Aan die motivering mogen bepaaldelijk eisen worden gesteld, zo volgt uit het in randnummer 3.5 aangehaalde arrest van 20 december 2022 (rov. 3.3.4). Uit het arrest van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1190, NJ 2023/99 m.nt. W.H. Vellinga volgt m.i. dat de motivering ook besloten kan liggen in de vaststellingen van het hof.
3.12
In de onderhavige zaak heeft het hof allereerst vastgesteld dat de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig moet worden aangemerkt, “voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht welke onderdelen van de verklaring het kennelijk leugenachtig acht (motiveringseis (i)). Verder heeft het hof in de nadere bewijsoverweging uiteen gezet dat een aantal (forensisch) technische11.onderzoeksresultaten – de aan zendmastgegevens ontleende locatiegegevens, het aantal afgevuurde kogels, de schotbaan van één kogel en de onbeschadigde tiewraps – niet is te rijmen met fundamentele onderdelen van de verklaring van de verdachte (motiveringseis (ii), eerste deel). Het hof heeft geduid dat en waarom die onderzoeksresultaten niet verenigbaar zijn met de verklaring van de verdachte.12.
3.13
Hoewel het hof niet expliciet is ingegaan op de vraag waarom moet worden aangenomen dat de verdachte opzettelijk onjuist heeft verklaard (motiveringseis ii, deel 2) en waarom de kennelijke leugenachtigheid relevant is voor de bewezenverklaring (motiveringseis iii), acht ik de kennelijke leugenachtigheid niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Met zijn overwegingen heeft het hof immers tot uitdrukking gebracht dat de verdachte politie en justitie opzettelijk op het verkeerde been heeft willen zetten door een onjuiste verklaring af te leggen en zo heeft willen verhullen dat hijzelf verantwoordelijk was voor de brandstichting, zodat zijn verklaring in dat opzicht redengevend is voor de bewezenverklaring.13.Eén of meer vergissingen aan de kant van de verdachte heeft het hof kennelijk onaannemelijk geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in het bijzonder door de vaststellingen van het hof aangaande de tiewraps. Het feit dat de verdachte heeft verklaard te zijn vastgebonden met tiewraps en deze tiewraps heeft losgesneden respectievelijk losgetrokken, terwijl de tiewraps nooit op juiste wijze met elkaar verbonden zijn geweest, verdraagt zich niet met een vergissing aan de kant van de verdachte en is evenmin te verklaren door geheugenverlies waar de verdediging op heeft gewezen. Het vastgebonden zijn met de tiewraps is bovendien een dusdanig essentieel onderdeel van het door de verdachte gesuggereerde overval-scenario, dat daarmee de kennelijke leugenachtigheid van dat hele scenario komt vast te staan.14.Daarmee staat de betekenis van de kennelijk leugenachtige verklaring voor de bewezenverklaring15.buiten kijf. Met andere woorden, de leugen over de tiewraps houdt zo nauw verband met de vraag wie de handelingen in de sportschool heeft verricht, dat uit de leugen daadwerkelijk kan worden afgeleid dat het de verdachte is die de overval heeft geënsceneerd.16.Dat neemt overigens niet weg dat het de overtuigingskracht van het arrest ten goede was gekomen als het hof het opzet op en de redengevendheid van de onjuistheid van de verklaring nader had geduid.17.
3.14
De tweede deelklacht faalt.
Derde deelklacht
3.15
In de derde deelklacht wordt geklaagd dat de “bewijsmiddelen en de (…) bewijsoverweging (…) de bewezenverklaarde feiten niet [kunnen] dragen, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat verzoeker: 1. opzettelijk brand heeft gesticht; 2. een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad; 3. opzettelijk een valse aangifte heeft gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting. Het oordeel van het hof dat verzoeker op bepaalde punten niet de (volledige) waarheid heeft verklaard, maakt dat niet anders.”
3.16
Laat ik voorop stellen dat in onderhavige zaak naar mijn mening geen sprake is van een bewezenverklaring die ook zonder de kennelijk leugenachtige verklaring toereikend zou zijn gemotiveerd.18.Dat komt doordat het overige bewijsmateriaal overwegend indirect is. Enkel met de kennelijk leugenachtige verklaring erbij kan het hof concluderen dat het niet anders kan dan dat de verdachte zelf degene is geweest die de brand heeft gesticht, het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad en een valse aangifte heeft gedaan.
3.17
Zoals hiervoor uiteen is gezet, is het als kennelijk leugenachtig aanmerken van de verklaring van de verdachte niet onbegrijpelijk en heeft het hof het gebruik van deze verklaring voor de bewijsvoering voldoende gemotiveerd. Het beschikbare indirecte bewijs heeft meer betekenis gekregen door de kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte. Alle bewijsmiddelen tezamen, in combinatie met het feit dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van andere personen in de sportschool, kon het hof oordelen dat het buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zelf schuldig is aan de bewezenverklaarde feiten.19.
3.18
Ook de derde deelklacht faalt.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑05‑2023
Zie bv HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 6.2.
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3.
Vgl. de noot van J.M. Reijntjes onder HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2866, NJ 2016/110 (punt 4).
Conclusies AG Harteveld voorafgaand aan HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:625, HR 16 februari 2016 ECLI:NL:HR:2016:239 en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2406.
HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:239, rov. 3.4.
HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.
HR 29 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6349, NJ 1971/417; HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC3716, NJ 1993/54, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 7.3. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968, NJ 2012/466, rov. 4.2; HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 6.2.
W.H.B. Dreissen, Bewijsmotivering in strafzaken, Den Haag: BJu 2007, p. 200.; B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2020, p. 562; A.N. Biersteker en B. de Wilde, ‘Het gebruik van kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachten en bewijsmotiveringen’, DD 2015/77. Anders begrijp ik: G.J.M. Corstens en M.J. Borgers/T. Kooijmans, Het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2021, p. 818.
Zie bv HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897, NJ 2005/396, rov. 3.5; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968, NJ 2012/466, rov. 4.3; HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 6.4; HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:228, rov. 2.4.
Bij tactische onderzoeksresultaten, zoals een verklaring van de medeverdachte, lijkt de Hoge Raad strengere eisen te stellen aan de motivering. Zie HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968.
Vgl. HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0278, HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897, NJ 2005/396, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6616 en HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1569, waarin de onderzoeksresultaten de juistheid van de verklaring van de verdachte niet zonder meer uitsloten.
Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 4.2.4 en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:2 (art. 81 RO).
Dit was bijvoorbeeld anders in HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897, NJ 2005/396, waarin het ging om een onjuiste datum, plaats en bedrag van een aankoop.
In het arrest HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:228 was niet zonder meer duidelijk dat de verdachte leugenachtig had verklaard over het moment waarop hij in het bezit is gekomen van de laptop, met als doel de waarheid te bemantelen. Er bestond een te verwijderd verband tussen de leugen en de bewezenverklaarde heling van de laptop.
Dit was bijvoorbeeld anders in HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:239 (rov. 3.4).
Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:76 (art. 81 RO).
Vgl. bijvoorbeeld HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 6.5 en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2406, rov. 2.3.
In de zaak die ten grondslag ligt aan HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, had het hof het verband tussen de bewijsmiddelen en de bewezenverklaring geduid als “in overwegende mate indirect”.
Beroepschrift 15‑07‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Namens verzoeker, [VERDACHTE ], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1974, wonende [woonplaats], draag ik het volgende cassatiemiddel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, uitgesproken op 14 juli 2021 onder parketnummer 21-003980-16, waarbij verzoeker wegens ‘(onder 1 primair) opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ en ‘(onder 2) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ en ‘(onder 3) aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is’, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan een gedeelte — groot 12 (twaalf) maanden — voorwaardelijk (proeftijd 2 jaren):
Middel:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. De bewijsmiddelen kunnen in deze zaak de verschillende bewezenverklaringen niet dragen. Dit hangt samen met het feit dat het hof de verklaringen van verzoeker tot het bewijs heeft gebruikt, terwijl die verklaringen — als gekeken wordt naar de inhoud ervan en gelet wordt op het feit dat het hof heeft aangegeven de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd over de feitelijke toedracht niet betrouwbaar te achten — niet redengevend zijn voor het bewijs van de bewezen verklaarde feiten en het overige bewijsmateriaal niet toereikend is om de bewezenverklaringen op te baseren.
Wanneer we bovendien inzoomen op hetgeen verzoeker heeft verklaard en het gebruik daarvan in de bewijsvoering, dan geldt nog het volgende. Het gebruik van de verklaring van verzoeker tot het bewijs ‘nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen’, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het mogen aanmerken van een verklaring als een ‘kennelijk leugenachtige verklaring’ en /of ten aanzien van het gebruik van deze zogenoemde ‘kennelijk leugenachtige verklaring’ voor het bewijs.
Het oordeel van het hof met betrekking tot het gebruik van de verklaring van verzoeker voor het bewijs is bovendien onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de feiten waarop het oordeel van het hof is gebaseerd, dit oordeel niet kunnen dragen. Het hof had er beter aan gedaan de als leugenachtig beoordeelde verklaring(en) niet als een redengevende omstandigheid te beschouwen, maar de verklaring(en) als ongeloofwaardig, onwaarschijnlijk of onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Door de verklaring(en) in de bewijsconstructie mee te nemen, dient dit specifieke bewijsmiddel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat daaraan in dit geval niet is voldaan.
Een belangrijk punt in dit verband is dat de rechter een bewezenverklaring dient te baseren op daartoe door de wetgever aangewezen ‘wettige bewijsmiddelen’. Die bewijsmiddelen worden dan door de rechter ‘tot het bewijs gebezigd’. In dit geval heeft het hof uitdrukkelijk aangegeven dat het de bedoelde verklaring(en) van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd. Met andere woorden: het hof gebruikt de door hem als kennelijk leugenachtig bestempelde verklaring(en) van verzoeker tot het bewijs.
Het gaat in deze zaak om de volgende verklaringen:
‘verklaring van verdachte
1.1
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord- Nederland d.d. 25 mei 2013, opgenomen op pagina 1 e.v. (map relaas A) van het dossier met nummer 20130501373 d.d. 25 mei 2013, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘Ik doe aangifte van poging tot moord dan wel poging doodslag en van brandstichting in mijn sportschool. Ik ben met [betrokkene 1] naar zijn woning gegaan, hij woont ook aan de [b-straat]. Hier hebben we wat gegeten. Ik ben om ongeveer 21:00 uur weer naar de sportschool gegaan. Ik ben daar alleen naartoe gegaan. Ik was in een witte Opel Vivaro bus. Ik was daar om ongeveer 21:20 uur. Ik wilde de laatste administratie wegwerken voordat we zouden verhuizen. Toen ik klaar was, zag ik op de klok dat het inmiddels 00:15 uur was. Ik heb afgerond, heb de verlichting allemaal uit gedaan en ben naar beneden gegaan. Ik ben naar buiten gegaan en was bezig om de toegangsdeur af te sluiten met een sleutelbos. Aan deze bos zitten mijn autosleutels en onder andere de sleutels van de sportschool. Ik voelde op dat moment, ik stond toen met mijn gezicht naar de deur, iets kouds tegen mijn achterhoofd. Ik heb een kaal hoofd. Ik besefte dat dit mogelijk een vuurwapen was. Ik wilde mij omdraaien maar ik hoorde dat er werd gezegd ‘Don't turn’ en ‘Open the door’ en Shut your mouth’. Ik heb de deur open gedaan en ben naar binnen gegaan. Ik kon op dat moment niemand zien. Er werd toen met een pistool in mijn rug geduwd. Zo werd ik gedwongen naar binnen en later naar boven te lopen. Ik probeerde een uitweg te zoeken. Ik wilde eerst naar achteren trappen, maar ze waren met z'n tweeën. De man met het pistool dwong mij de trap op naar boven. Toen ik bij de balie stond heb ik mij omgedraaid. Ik stond vlakbij de ingang om achter de balie te komen. Ik wilde zien met wie ik te maken had. De man met het pistool stond voor mij. Ik zag dat hij het pistool op mij richtte. Ik ken het verschil wel tussen een pistool en een revolver. Hij hield het pistool in zijn rechterhand ter hoogte van zijn buik vast. Het was geen groot pistool, het glom wel. Ik zag dat de andere man door de zaal liep.
Ik rook benzine. Ik zag dat de andere man iets uitsprenkelde in de zaal. Ik zag dat hij een lichtkleurige soort jerrycan vast had. Ik heb met mijn linkerhand geprobeerd het pistool af te pakken. Daar is een techniek voor die ik ken vanuit de vechtsport. Ik pakte dus als het ware de slede van het wapen vast. Ik wilde zo het wapen van mij af bewegen en de pols van de man naar voren drukken in een soort klem, zodat hij het pistool los moest laten. Dit ging mis. De man schrok kennelijk en trok het pistool terug. Ik hoorde een schot en voelde direct een stekende pijn in mijn linkerzij. Het schot werd op een afstand van ongeveer 20 centimeter van mijn buik gelost. Van schrik en van pijn liet ik het pistool los. Ik voelde dat ik een ‘push’ kreeg van de man en daarna gelijk een trap in mijn kruis kreeg. Hierdoor boog ik voorover/kroop in elkaar, ik had mijn handen bij mijn kruis omdat ik erg veel pijn had. Ik hoorde toen nog een schot en voelde pijn in mijn linker bovenarm. Door de pijn viel ik op de grond. Ik viel als het ware zijwaarts. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Hij riep tegen mij: ‘Is that what you want?’ Terwijl ik viel hoorde ik nog een schot. Ik voelde pijn in mijn rechteronderbeen. Ik werd geraakt in mijn rechterkuit. Ik lag voor de balie. Ik hoorde de man met het pistool zeggen ‘We've got your family too’. Ik kwam op mijn linkerzij te liggen. De man met het pistool bond mij vervolgens vast met tie-wraps. Ik weet niet waar hij deze vandaan had. Hij bond mijn polsen aan elkaar vast. Ze zaten zo vast dat mijn handpalmen naar elkaar toe zaten. De tie-wraps zaten over mijn jasje heen. Ook mijn voeten werden vast gemaakt met tie-wraps. Ik kreeg tie-wraps om mijn enkels, over mijn broek heen. De tie-wraps waren licht/wit van kleur. Ik lag nog steeds voor de ingang van de balie op de grond. Rechts achterin de fitnesszaal zit nog een aparte lesruimte, de aerobiczaal. Hier is een nooduitgang met een trap aan de buitenzijde van het gebouw. Ik vermoedde dat ze daar heen gingen. Naar mijn idee wisten de mannen hoe mijn sportschool eruit zag. De gebroken spiegel was op ongeveer 1 meter van mij. Deze stond rechtop tegen de muur. Ik héb de tie-wrap, door mijn handen op en neer te bewegen, langs het scherpe deel van de spiegel gehaald. Zo heb ik de tie-wraps om mijn polsen losgemaakt. Ik heb de tie-wraps om mijn enkels kapot getrokken. Ik ben over de balie gesprongen. Achter de balie is een deur naar het balkon. Ik ben het balkon op gegaan. Binnen brandde het. Ik weet niet wat er brandde. Ik zag wel veel vuur en rook.’
1.9
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013 + bijlagen, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘O: De aangever maakt een tekening van welke apparatuur er op de bovenverdieping aanwezig was. Deze tekening zal als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd worden.
O: Wij verbalisanten laten de aangever op een tekening aangeven waar de spiegel staat en waar de aangever de twee mannen zag. Dit staat ook vermeld in Bijlage 1.
Ik moest meelopen naar voren naar de spiegels tegen de muur recht tegenover de trap. Hij drukte mij vooruit met het pistool. Ik hoorde de man zeggen: ‘Forward, forward.’ De andere persoon zag ik niet. Ik moest op mijn knieën gaan zitten van de man met het pistool, ik weigerde dit. Ik zocht een moment om te draaien. Ik zei: ‘What do you want from me:’ en ‘Who are you.’ Ik weet niet in welke volgorde ik dit zei. Ik hoorde de man zeggen ‘On your knees motherfucker.’
O: Wij verbalisanten laten de aangever aangeven op een tekening waar hij zich bevond op dit moment. Deze tekening zal als bijlage 2 worden bijgevoegd bij dit proces verbaal.
Ik moest op mijn knieën gaan zitten, ik keek richting de zonnebankruimte en een koelkast. De man met pistool stond achter mij. Ik heb geweigerd om op mijn knieën te gaan zitten. Ik heb me omgedraaid en keek nu de dader in zijn gezicht. Ik keek naar beneden en zag een pistool in zijn hand. Deze glinsterde. Ik zag de andere man achter hem. Ik heb gereageerd, de man met pistool had het pistool voor zijn buik in mijn richting. De dader had het vuurwapen in zijn rechterhand. Ik wilde een soort bokkenpoot maken. De dader haalde het vuurwapen naar achteren. Ik wilde hem naar mij toe trekken, blijkbaar heb ik hem niet goed beetgepakt. Ik hoorde een knal, voelde iets in mijn zij. Hierop trapte de man met een gestrekt rechterbeen mij in mijn kruis. Ik voelde zijn scheenbeen mijn kruis raken. Ik kroop ineen. Ik voelde de meeste pijn in mijn kruis. Ik voelde ook een soort prik in mijn zij. Ik zag nu het wapen niet meer. Ik hoorde nu weer een knal en nu voelde ik een pijn in mijn arm. Dit deed wel veel pijn. Ik viel nu voorover en hoorde nog een knal en voelde nu wat aan mij rechterbeen, de bovenkant van mijn kuit. Ik viel hierna op mijn rechterzij. Ik kijk hierbij in de richting van de zonnebank.’
1.10
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2014, opgenomen op pagina 94 e.v. (map Relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘Afbeelding 7: Jij verklaart dat je bent beschoten terwijl je voor de bar lag, ongeveer op de plek die met een kruis is aangegeven. Daar ben je heel duidelijk in. Afbeelding 7 wordt getoond.
Afbeelding 8: In de sportschool worden vijf huizen en vijf kogels gevonden. Van één kogel was het mogelijk om de schotbaan te reconstrueren. Dat is met de rode pijl aangegeven. Die schotbaan vertelt een heel ander verhaal. Jouw verklaring klopt niet.’
de kabelbinders
1.11
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘V: Hoe zaten de tie-wraps vast?
A: Mijn handen zaten met meerdere tie-wraps vast over mijn jas. Twee of drie tie-wraps. Mijn handen zaten op elkaar en meerdere tie-wraps er omheen. De tie-wrap was verlengd door middel van een tweede tie-wrap en deze zat éénmaal om mijn arm. Ik dacht twee of drie tie-wraps aan elkaar. Om mijn voeten was dit hetzelfde.
V: Wat is er gebeurd toen je het ineens licht zag worden van het vuur?
A: Ik wilde opstaan, ik voelde dat ik vast zat, ik bemerkte nu dat mijn benen ook vast zaten. Ik trok mijn knieën naar mijn buik om te kunnen opstaan. Ik probeerde met mijn handen mij los te maken. Dit lukte niet. Ik keek om me heen, om wat te vinden. Ik zag de spiegel voor me. Dit waren losgemaakte spiegels welke zich recht tegenover de trap bevonden, Ik lag op ongeveer 1 à 1,5 meter afstand van deze spiegel. Ik kon niet opstaan, ik werd duizelig. Ik trok mijzelf naar de spiegel toe, met behulp van mijn armen, ik zat op handen en knieën. Ik ben hier opgestaan, mijn handen en voeten waren nog vastgebonden. Ik heb toen aan de zijkant van de spiegel met mijn vastgebonden handen zagende bewegingen gemaakt om de tie-wraps door te snijden, Ik deed mijn handen dus omhoog en naar beneden langs de spiegel. De tie-wraps gingen door.
V: Wat heb je met de tie-wraps gedaan welke je doorgesneden/getrokken hebt gedaan?
A: Daar heb ik niks mee gedaan.’
1.15
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2013, opgënomen op pagina 1 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘Mijn telefoonnummers zijn:
Mobiel: [telefoonnummer] (…)’
1.16
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 12 e.v. (map relaas A) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
‘V: Waar is de telefoon als je bij [betrokkene 1] vertrekt?
A: In mijn linker broekzak.
V: Aangekomen bij de sportschool waar is dan je telefoon?
A: In mijn linker broekzak, ik ben onderweg niet gebeld. In de sportschool leg ik de telefoon naast me op de balie, de eerste keer dat ik de telefoon weer gebruik is als ik ben overvallen en de politie bel.’’
Nu is het natuurlijk zo dat de rechter de verklaring van de verdachte als bewijsmiddel kan gebruiken (art. 338 en 339 lid 1, onder 2° Sv). De verklaring moet dan als zodanig redengevend zijn voor het bewijs. Een verklaring waarvan de rechter in een bewijsmotivering aangeeft dat zij naar het oordeel van die rechter ‘kennelijk leugenachtig’ is, kan echter onmogelijk als redengevend bewijsmiddel dienst doen. Een kennelijk leugenachtige verklaring is immers per definitie een onbetrouwbare, ongeloofwaardige en / of onwaarschijnlijke verklaring. En dergelijke verklaringen horen niet thuis in een bewijsconstructie. Een overtuiging die (mede) gebaseerd wordt op ondeugdelijk (namelijk als niet betrouwbaar, ongeloofwaardig en / of onwaarschijnlijk bestempeld) bewijsmateriaal, kan een bewezenverklaring niet ondersteunen en al helemaal niet dragen. Toch is dat wat het hof aangeeft te hebben gedaan, door te overwegen:
‘Het hof bezigt de hiervoor bedoelde verklaring van de verdachte tot het bewijs, nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof beoordeelt de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte.’
Het opnemen van de verklaringen van verzoeker als bewijsmiddelen in het arrest, maakt het bewijsoordeel onbegrijpelijk. De toevoeging dat het hof de verklaringen als kennelijk (gedeeltelijk!, namelijk: ‘voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte) leugenachtig beoordeelt, maakt dat niet anders, aangezien kennelijk leugenachtig bewijsmateriaal niet in een deugdelijke bewijsconstructie thuishoort en de door het hof uitdrukkelijk aangebrachte beperking met zich brengt dat moet worden aangenomen dat de bij de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van verzoeker, naar het oordeel van het hof blijkbaar zowel redengevende onderdelen als kennelijk leugenachtige onderdelen bevat, waarbij moet worden geconstateerd dat de redengevende onderdelen — te weten: de onderdelen die niet inhouden ‘dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte’ — voor een deel botsen met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
Dit neemt uiteraard niet weg dat de rechter bij zijn reactie op een bewijsverweer dat door de verdachte wordt gevoerd, kan aangeven dat hij de verdachte niet gelooft en dat de verdachte blijkbaar met zijn verklaring heeft geprobeerd de waarheid te bemantelen. Het bestempelen van een verklaring als ‘kennelijk leugenachtig’ en ‘afgelegd om de waarheid te bemantelen’, heeft dan vooral als functie de selectie en waardering van het bewijsmateriaal toe te lichten en te benadrukken dat de rechter zich door ander bewijsmateriaal (dat in tegenspraak is met de verklaring van de verdachte die niet wordt geloofd) heeft laten overtuigen. Dat andere bewijsmateriaal moet dan uiteraard de bewezenverklaring kunnen dragen.
In zekere zin is er dan sprake van een overweging ten overvloede. Het aldus onder woorden gebrachte oordeel van de rechter dat hij de verdachte niet gelooft (en dat hij zijn verklaring aanmerkt als kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen), is zo beschouwd geen bewijsmiddel en mag dan ook niet als verklaring van de verdachte tot het bewijs worden gebezigd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het hof dit heeft miskend en dat het (andere) bewijsmateriaal dat aan de bewezenverklaarde feiten ten grondslag is gelegd, de bewezenverklaringen niet kan dragen.
Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen kan — blijkens vaste rechtspraak — bij de bewijsvoering (in het bijzonder in de bewijsmotivering) worden gebruikt. Zodanig oordeel zal dan wel zijn grondslag moeten vinden in andere bewijsmiddelen dan de verklaring(en) van de verdachte.
Om de verklaring van de verdachte als ‘kennelijk leugenachtig’ te kunnen gebruiken in de bewijsvoering, zal (door de rechter in feitelijke aanleg; in casu door het hof) moeten worden vastgesteld (1) dat verklaring vals is, (2) dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd en (3) dat de verdachte met die verklaring het doel had de waarheid te bemantelen. Bovendien zal (4) de leugenachtigheid ‘kennelijk’ moeten zijn. Dat betekent dat de leugenachtigheid voor een redelijk denkend mens buiten kijf moet staan. Ook dat zal uit het arrest van het hof moeten blijken. Dit laatste betekent dat uit ander bewijsmateriaal moet kunnen worden afgeleid dat wat de verdachte heeft verklaard, niet op waarheid berust. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het ‘bewijs’ van de verschillende onderdelen van de in dit beoordelingskader genoemde factoren in het arrest van het hof tekortschiet.
Het hof heeft in zijn motivering van de bewezenverklaring precies aangegeven welke onderdelen van de verklaringen van verzoeker niet op waarheid zouden berusten:
‘Het hof beoordeelt de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte (curs. van mij; JB).’
De andere onderdelen van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van verzoeker zijn — zoals gezegd — dus (ondanks dat die onderdelen voor een deel botsen met de inhoud van andere bewijsmiddelen) blijkbaar voor het hof wel redengevend geweest voor het bewijs. Voor verzoeker maakt dit dat de bewijsconstructie onbegrijpelijk is en in strijd met het uitgangspunt dat de bewijsmiddelen een sluitend verhaal moeten vertellen en niet onderling tegenstrijdig mogen zijn.
Uit de hierboven weergegeven oordeel van het hof volgt ook dat uit ander bewijsmateriaal (dan de verklaringen van verzoeker) zal moeten blijken dat verzoeker verantwoordelijk was voor zowel de brandstichting als voor het schieten. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de bewijsmiddelen geen enkel concrete aanwijzing geven op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat verzoeker de verweten gedragingen zelf heeft begaan. Het enkele feit dat hij ‘kennelijk’ niet helemaal eerlijk is geweest over het tijdstip waarop hij zijn sportschool wilde verlaten, over de plaats waar de schutter zou hebben gestaan en over de plaats waar de tiewraps zijn terechtgekomen nadat hij zich had bevrijd, roept wellicht vragen op over de gang van zaken, maar daaruit kan onmogelijk worden afgeleid dat de verklaring dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in de sportschool en voor het schieten op verzoeker niet op waarheid berust.
Over het door het hof gestelde doel dat verzoeker zou hebben gehad met het afleggen van zijn verklaring — t.w. ‘om de waarheid te bemantelen’ — zijn geen nadere vaststellingen gedaan door het hof. Het hof heeft volstaan met het opnemen van de opmerking dat de verklaring van de verdachte wordt aangemerkt als kennelijk leugenachtig, met het oogmerk de waarheid te bemantelen. Daarmee heeft het hof slechts het criterium van de Hoge Raad genoemd, zonder dat wordt onderbouwd waarom wordt aangenomen dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd. Hierdoor blijft het onduidelijk waarop het hof zijn oordeel baseert dat verzoeker de intentie had om de waarheid te bemantelen. Kan er niet gewoon sprake zijn van een onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige verklaring die het gevolg is geweest van bijvoorbeeld de shock waarin verzoeker als gevolg van de gebeurtenissen verkeerde of die veroorzaakt werd door de fysieke en / of mentale toestand die de gebeurtenissen bij hem hadden veroorzaakt? Het gebezigde bewijsmateriaal biedt geen enkel concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat de (valse) verklaringen (opzettelijk) door verzoeker werden afgelegd met het doel om de waarheid te bemantelen.
Verzoeker verwijst in dit verband naar Biersteker en De Wilde:
‘Een valse verklaring is pas een leugen wanneer de verklarende persoon opzet heeft op het afleggen van een valse verklaring. Wanneer kan worden vastgesteld dat een verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard is immers denkbaar dat hij dit niet willens en wetens heeft gedaan, maar zich heeft vergist. Heeft hij zich niet vergist, dan is de enkele leugenachtigheid niet redengevend. Er moet kunnen worden aangenomen dat de verdachte heeft gelogen met het doel de waarheid te bemantelen. In het materiële strafrecht zou een dergelijk specifiek doel als oogmerk worden aangeduid. Naast opzet op de valsheid moet de verdachte dus het oogmerk hebben gehad om te voorkomen dat de waarheid aan het licht zou komen.’
(A.N. Biersteker & B. de Wilde, ‘Het gebruik van kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachten in bewijsmotiveringen’, DD 2015/77, p. 847 – 848)
Op al deze punten schiet de onderbouwing van het oordeel over de bruikbaarheid van de verklaringen van verzoeker te kort.
Het hof heeft in de bewijsmotivering voor wat betreft zijn oordeel dat de in zijn arrest weergegeven verklaring van verzoeker kennelijk leugenachtig was en bedoeld was om de waarheid te bemantelen, verwezen naar:
- 1.
de verkeersgegevens van de telefoon van verzoeker die erop zouden duiden dat verzoeker tussen 23.30 uur en 00.35 uur in Friesland was, terwijl hij heeft verklaard dat de gebeurtenissen in de sportschool even na 00.15 uur zouden hebben plaatsgevonden;
- 2.
de bevindingen van de politie die afwijken van de door verzoeker afgelegde verklaringen (over het aantal schoten en de schotbaan van een van de kogels);
- 3.
de bevindingen met betrekking tot de tiewraps die — aldus het hof — niet rijmen met de verklaring die verzoeker daarover heeft afgelegd.
Men kan zich afvragen welke waarheid verzoeker zou hebben willen bemantelen met zijn opmerkingen over de tijdstippen waarop het een en ander zich zou hebben afgespeeld, over de plaats waar de schutter stond en over het losmaken van de tiewraps. Het verband tussen de vermeende leugens en het tenlastegelegde is niet zonder meer duidelijk en dwingt niet tot de conclusie dat verzoeker degene is geweest die de brand heeft gesticht, dat het zijn eigen wapen was dat buiten in de steeg werd aangetroffen en dat de aangifte als zodanig opzettelijk vals door hem is gedaan. Het is niet vanzelfsprekend dat verzoeker met zijn verklaringen beoogde een onjuiste voorstelling van zaken te geven ten aanzien van het antwoord op de vraag wie de brand heeft / hebben gesticht en wie er op hem heeft / hebben geschoten. Een nadere motivering van het hof had niet misstaan. Nu die motivering ontbreekt, is het bewijsoordeel niet zonder meer begrijpelijk.
Tegenover het oordeel van het hof staat dat de verdediging heeft aangegeven dat de verschillen tussen de verklaringen van verzoeker en de onderzoeksbevindingen niet zo groot zijn als wordt gesuggereerd en dat er bovendien wel een plausibele verklaring kan worden gegeven voor de geconstateerde verschillen en ongerijmdheden. De raadsman van verzoeker zei hierover onder meer het volgende in zijn pleidooi:
‘Zijn verklaringen lijken misschien hier en daar een beetje inconsistent. Maar ze zijn dat niet en als het wel zo gezien wordt dan betreft dat marginale punten en is dat helemaal niet vreemd. Ook als je geen hartstilstand hebt gehad of in een psychose bent beland is een dergelijke ervaring ernstig genoeg om mensen van slag te brengen. Ik wijs op de verklaring van zijn psychiater de heer [psychiater 1] van 10 maart 2014 waarin deze psychiater zegt:
‘Geachte heer [betrokkene 6], bij de heer [verdachte] speelt mee dat er ook in eniger mate sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Vergeetachtigheid is een symptoom wat überhaupt hoort bij een stresssyndroom/Detentiesituaties of verhoren zijn stress verhogende factoren. Dit samen is een optelsom, waardoor vergeetachtigheid in de hand gewerkt wordt. Vergeetachtigheid en verwarrende verhalen vertellen hoort er bij en wil niet zeggen dat onwaarheid wordt verkondigd. De druk van eventuele detentie en intensieve verhoren zal dus mede gezien zijn voorgeschiedenis extra psychisch belastend voor hem zijn en hem verder ontwrichten.’
Verder is er het trajectconsult dat op 27 februari 2014 is uitgebracht door de psychiater mevr. [psychiater 2] die ook wijst op wenselijk onderzoek naar het geheugenverlies.
De inmiddels verkregen verklaringen van psychiater [psychiater 3] en de psychologe mevrouw [psychologe] geven wel aan dat dit geheugenverlies dat dus al veel eerder werd benoemd goed te verklaren is uit het post traumatisch stress syndroom.
De politie, en het OM, proberen hem op kleine tegenstrijdigheden, of op veronderstelde of gezochte tegenstrijdigheden, te vangen en daar bewijs aan te ontlenen.
Bijvoorbeeld op het punt van de route die de aanvallers bij hun vertrek uit de sportschool zouden hebben gekozen (gingen ze nu op de bovenverdieping naar buiten of beneden?). Of op de vraag wanneer de overvallers kwamen (bij het openen van de deur toen hij naar buiten ging of bij het sluiten van de deur toen hij buiten was?). Of op de vraag of er drie of twee overvallers waren en wat voor huidskleur zij hadden.
Ze leggen hem woorden in de mond, ze gaan uit van een paar eerste opmerkingen die in paniek gegeven zijn aan de verbalisant [verbalisant 14], waarvan het maar zeer de vraag is of die zo gemaakt zijn, en ze suggereren vervolgens dat hij onwaarheid spreekt.
En ze beschouwen hem ineens, in februari 2014, dus zo'n 9 maanden na het voorval, niet als slachtoffer, maar als verdachte. Dat is dan, na de schokkende ervaring die hij heeft opgedaan, opnieuw een zware schok.
Hij heeft meteen na de traumatische gebeurtenis in mei 2013 een hartstilstand gehad, nog in het ziekenhuis, waarna hij gereanimeerd is. Een paar dagen later heeft hij een soort psychose gehad en daarna verklaringen afgelegd, dit terwijl hij aan geheugenverlies leed, ook al ten gevolge van de post traumatische stressstoornis waaraan hij lijdt.
Dat geheugenverlies of vergeetachtigheid is er nog steeds.
Hij kan zich veel dingen niet in detail herinneren. Dat is op zich niet verwonderlijk gezien de hachelijke situatie waarin hij verkeerd heeft. Maar dat is jammer, en hij vindt het pijnlijk, zeker nu hij verdacht wordt.
Hij is het slachtoffer en nu wordt hij ineens door de politie en het OM tot dader bestempeld en moet hij zich in deze strafprocedure verantwoorden.’
De raadsman ging vervolgens uitgebreid in op de veronderstelde tegenstrijdigheden en kwam op het einde van zijn pleidooi nog even terug op de geheugenproblemen van verzoeker:
‘Het geheugen
[verdachte] lijdt aan een posttraumatisch stresssyndroom. Hij is op jeugdige leeftijd in [land] in het leger beland en hij heeft gevochten tegen Irak. Daarbij heeft hij zeer traumatische ervaringen opgedaan. Dat heeft ertoe geleid dat we bij hem kunnen zeggen dat hij een post traumatisch stress syndroom heeft.
Normaal heeft hij daar niet heel veel last van. Zijn psychiater, de heer [psychiater 1], zegt ook dat hij zich er prima mee redt en dat hij, juist in drukke tijden, op zijn best is en dat hij, bij drukte zeer adequaat reageert. De psychiater wijst erop dat dat in de meeste gevallen van post traumatische stress stoornis zo werkt.
Na de gebeurtenis op 23 mei 2013, of nog tijdens deze gebeurtenis, is [verdachte] volledig in de war geraakt. Hij riep om hulp, hij is naar het ziekenhuis gebracht. Daar heeft hij een hartstilstand gehad waaruit hij is gereanimeerd.
Vervolgens is hij met zijn gezin naar een veilige plaats gebracht in het kader van een beschermingsprogramma. Daar heeft hij ten gevolge van de gebeurtenissen een psychose gehad waarbij hij volstrekt buiten de werkelijkheid kwam te staan. Hij dacht dat hij weer in een oorlogssituatie was beland.
Daarvoor is hij psychiatrisch behandeld met medicijnen en therapie. Een en ander verklaart het geheugenverlies. Dat is volgens de psychiater [psychiater 1] een normaal, een veelvoorkomend verschijnsel.
Uit het onderzoek van psychiater [psychiater 3] en psycholoog mevrouw [psychologe] blijkt wel dat de mededeling van de heer [psychiater 1] over de posttraumatische stress stoornis en de verklaring van het geheugenverlies door hen wordt gedeeld.
Dat geheugenverlies was en is voor [verdachte] vervelend, dat is lastig, en het maakt ook dat hij zich ervoor schaamt. Hij heeft geheugenverlies en het doet pijn dat de politie dat niet wil geloven en dat men daar geen rekening mee wil houden, sterker nog, dat men het omkeert en er een verdenking mee opbouwt.
Dat hij een gebrekkige geheugenfunctie heeft is duidelijk. Dat speelt ook in zijn dagelijks functioneren. Stress versterkt dat. Hier is dus geen sprake van een gespeeld geheugenverlies. Dat maakt het ook zo naar ( en voor hem ook een beetje beschamend ) dat hij niet wordt geloofd en dat op kleine, ogenschijnlijke, tegenstrijdigheden tussen het pv van bevinding van hoofdagent [verbalisant 14] op het dak en zijn verschillende verklaringen zo wordt voortgeborduurd. Er zijn 5 verklaringen van [verdachte] die zijn afgelegd over een periode van twee en een halve week in mei/juni 2013.
De eerste was de ochtend na de gebeurtenis in het UMCG.
Later is hij opnieuw gehoord nadat hij ten gevolge van de overval in een psychose is beland en dacht dat hij weer in de oorlogssituatie verzeild was geraakt.
De eerste verklaring van [verdachte] is van 24 mei, de tweede van 29 mei, de derde van 2 juni, de vierde van 6 juni en de vijfde van 11 juni. Die verklaringen zijn mijns inziens consistent.
Hij kon zich op 11 juni niet herinneren dat hij voor reconstructie vastgebonden was geweest en dat hij daarover al had verklaard.
In 2014 is hij weer gehoord.
De rechtbank overweegt in het vonnis ten onrechte dat hij pas na twee weken last kreeg van geheugenverlies. Daaruit mede leidt de rechtbank onbetrouwbaarheid van [verdachte] af. Dat is niet juist en dat oordeel wordt ook niet gedeeld of gesteund door de rapportage van [psychiater 3] en [psychologe].’
Het feit dat bepaalde onderdelen van de verklaring van verzoeker niet lijken te kloppen (op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van verzoeker kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen), bewijst niet dat het scenario dat door het openbaar ministerie wordt geschetst en dat aan de bewezenverklaarde feiten ten grondslag is gelegd ‘waar’ is. Een dergelijke redenering is in strijd met de wetten van de logica. Het oordeel dat een bepaalde verklaring over de feitelijke toedracht gelogen is, vormt als zodanig niet het bewijs van de juistheid van een scenario waarin een andere feitelijke toedracht wordt beschreven.
Dat bewijs zal hoe dan ook gebaseerd moeten kunnen worden op voldoende redengevend, betrouwbaar en overtuigend bewijsmateriaal.
Het oordeel van het hof dat de verklaring van verzoeker kennelijk leugenachtig is, is niet — althans niet zonder meer — redengevend voor het bewijs dat verzoeker de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De kennelijke leugenachtigheid — zo daarvan al sprake is — is (anders gezegd) als zodanig niet redengevend voor de bewezenverklaring (in die zin dat het feit dat de verdachte / verzoeker kennelijk gelogen heeft, duidt op diens betrokkenheid bij de bewezenverklaarde strafbare feiten). Er kunnen immers allerlei redenen zijn waardoor de verklaring van de verdachte niet strookt met andere verklaringen of onderzoeksbevindingen. Zo kan er sprake zijn van een shock, van geheugenproblematiek, van uitgeoefende druk, van angst, van een vergissing, etc. Er zijn talloze omstandigheden denkbaar waardoor iemand — bewust of onbewust — niet (helemaal) het juiste verhaal vertelt. Het afleggen van een (gedeeltelijk) onjuiste verklaring hoeft dan ook niet te betekenen dat het delict als enige juiste verklaring overblijft. Het delict-scenario zal hoe dan ook steun moeten vinden in voldoende redengevend bewijsmateriaal. Dat geldt ook wanneer de feitenrechter heeft geoordeeld dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Het oordeel (dat de betreffende verklaring van de verdachte — op bepaalde punten — kennelijk leugenachtig is) kan slechts dienen ter onderbouwing van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal waarmee de verklaring van verzoeker in strijd is, maar dat betekent niet zonder meer dat het materiaal daarmee toereikend is om de bewezenverklaringen te kunnen dragen.
In dit geval kwam het hof tot de volgende bewezenverklaringen:
- ‘1.primair
hij op 24 mei 2013 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (sportschool) aan de [a-straat 1], hebbende verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met brand bevorderende vloeistoffen, te weten motorbenzine en een combinatie van motorbenzine en een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie, ten gevolge waarvan het interieur van dat pand en dat pand gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het interieur van dat pand en dat pand te duchten was;
- 2.
hij op 24 mei 2013 te Groningen een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Smith & Wesson, model 2213 Sportsman, kaliber .22 LR), en munitie van categorie III, te weten een Randvuur kogelpatroon (merk Remington, kaliber .22 LR), voorhanden heeft gehad;
- 3.
hij op 24 mei 2013 te Groningen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van de hoofagenten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting in zijn sportschool.’
Niettegenstaande het oordeel van het hof dat de door verzoeker afgelegde verklaring niet (volledig) wordt geloofd, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat verzoeker degene is geweest die de brand in de sportschool heeft gesticht, dat hij een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad en dat hij een valse aangifte heeft gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting in zijn sportschool. Uit de bewijsmiddelen blijkt überhaupt niet wie de brand heeft gesticht, van wie het vuurwapen en de munitie was en wie er met dat wapen op verzoeker heeft geschoten.
Hieronder volgt een overzicht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen (met uitzondering van de hierboven reeds weergegeven verklaringen van verzoeker, die door het hof — voor een deel — als kennelijk leugenachtig zijn aangemerkt):
‘verklaring van verdachte
1.1
[verklaring van verzoeker]
brandonderzoek
1.2
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 10 juli 2013, opgenomen op pagina 65 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
‘Op 24 mei 2013 werd onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand. Het object was gelegen op een perceel, direct gelegen aan de openbare weg, de [a-straat] te Groningen. ([a-straat 1], Groningen. Object: bedrijfspand (sportschool). De brand had gewoed in de trapopgang en de bovenverdieping.
Conclusies:
Gelet op het aangetroffen brand- en schadebeeld kon worden vastgesteld dat er meerdere brandhaarden waren. Op zowel de begane grond als op de bovenverdieping zijn brandhaarden aangetroffen, welke alle, uitgezonderd die op de begane grond, konden worden getypeerd als primaire brandhaarden. Een primaire brandhaard is een plaats van waaruit de eerste vuurverschijnselen ontstaan. De brandhaard op de begane grond kan zowel worden getypeerd als primaire of secundaire brandhaard.
De oorzaak voor het ontstaan van deze brand moet worden gezocht in het opzettelijk ter plaatse brengen van vuur, daarbij gebruikmakend van brand bevorderende middelen, waarbij een voor dit soort branden typerende schadebeeld was ontstaan. Gelet op de omvang van de sprenkelsporen was te verwachten dat er hier sprake geweest moet zijn van een grote hoeveelheid vloeistoffen, welke op de vloer en/of voorwerpen is (uit)gegoten, gevloeid of gesprenkeld. Door het NFI werden in de geanalyseerde sporen vluchtige stoffen aangetoond, te weten motorbenzine en een combinatie van motorbenzine en een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie.
Ondanks het feit dat de ontstekingsbron niet kon worden vastgesteld, kon er van worden uitgegaan dat deze gezocht moet worden in open vuur, bijvoorbeeld een aansteker of brandend materiaal.
Het tot ontbranding brengen van (de damp van) een ontbrandbare stof is niet geheel ongevaarlijk: een explosie is mogelijk indien er sprake is van een mengsel van gasdamp met lucht indien dat zich binnen het explosiegebied bevindt. Door de plotselinge vergroting van het volume en het vrijkomen van energie op een gewelddadige manier ontstaan hoge temperaturen en er komen gassen en/of vlammen vrij.
Indien het incident niet tijdig was ontdekt en er geen brandbestrijding had plaatsgevonden, had de brand zich verder kunnen ontwikkelen. Hierbij was grotere schade te verwachten geweest aan zowel het object (opstal en inboedel) als aan belendende panden, in het bijzonder het links aangrenzende bedrijfspand. In onderhavige casus was er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.’’
1.3
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162, d.d. 17 juni 2013 opgemaakt door dr. M.M.P. Grutters, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
‘AAE3098NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
AAES3100NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
AAES3102NL: monsterspoor brandrest: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond. Een deel van de vluchtige stoffen is afkomstig van motorbenzine. Een ander deel van de vluchtige stoffen is afkomstig van een aardoliedestillaat van subklasse kerosine of gasolie.’
letselrapportage
1.4
Een geneeskundige verklaring, op 30 mei 2013 opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts, opgenomen op pagina 43 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als haar verklaring:
‘Betreft
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]-1974
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Datum letsel: in de nacht van 23 op 24 mei 2013
Datum letselonderzoek: 24 mei 2013
Bij binnenkomst was sprake van een 6-tal schotwonden (3x inschot en 3x uitschot): in de linker bovenarm, de linker flank en de rechter kuit. Alle wonden bleken oppervlakkig, dus niet dieper dan de spierlaag te verlopen. Het is aannemelijk dat het bij verdachte gaat om een drietal schotverwondingen.’
onderzoek plaats delict
1.5
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 15 juli 2013, opgenomen op pagina 29 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 5]:
‘Op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 01.45 uur, kreeg ik van de meldkamer Noord-Nederland het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te Groningen. In dit perceel was sportschool [verdachte] gevestigd. In het pand zou brand zijn gesticht. Tevens zou de eigenaar van dit pand zijn overvallen en beschoten en vanuit het brandend pand naar het dak zijn gevlucht.
Tijdens het ter plaatse gaan hoorde ik via de mobilofoon dat het slachtoffer door de brandweer van het dak was gehaald met behulp van een ladderwagen. Het slachtoffer zou drie schotwonden hebben en werd door de ambulancedienst overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Groningen. Tevens hoorde ik dat de brandweer het vuur in het pand inmiddels onder controle had.
Aan de rechterzijde van de bar, waar zich de ingang bevond, zag ik een kapotte spiegel op de grond liggen.
Voor de bar zag ik een barkruk en een stoel met kunststof vlechtwerk, een zogeheten wickerstoel staan. Op de vloer, links van de wickerstoel zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4888NL.
Op het werkblad van de bar zag ik een huls liggen. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4889NL. Op de vloer, rechts naast de bar, trof ik een huls aan. De huls werd door mij veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4890NL.
Op de vloer, tussen de bar en de blauwe stoel, zag ik twee witte kabelbinders liggen. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4891NL en AAFS4892NL. Op het werkblad van de bar, op het uiteinde en op de vloer voor de bar zag ik witte kabelbinders liggen. Ik zag op het werkblad, naast de kabelbinder, een niet beroete gedeelte in de vorm van een kabelbinder, een zogeheten void. De kabelbinders werden door mij elk afzonderlijk veiliggesteld in een papieren zak en voorzien van het SIN: AAFS4893NL en AAFS4894NL.
In het pand werden door mij verder geen sporen en/of sporendragers aangetroffen die mogelijk dader en/of delict gerelateerd waren.’
1.6
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 7 juli 2013, opgenomen op pagina 105 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 6], [verbalisant 7] en [verbalisant 4]:
‘Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op vrijdag 24 mei 2013, omstreeks 10.10 uur, een nader forensisch onderzoek verricht met betrekking tot het schietincident. Tijdens dit onderzoek werd onderzoek naar sporen/sporendragers gedaan. Mij, [verbalisant 6], kon blijken dat het schietincident zich had afgespeeld bij de balie van genoemd sportcentrum op de bovenverdieping.
Door mij werd het volgende gezien/geconstateerd:
Op de plaats-delict waren door collega Hiemstra-Dijksterhuis de markerings-bordjes achtergelaten op de locatie waar zij sporen/sporendragers had aangetroffen. Dit betroffen de bordjes 1 t/m 6.
Door mij werden de volgende sporen/sporendragers aangetroffen, waarbij de aangetroffen sporen/sporendragers door mij doorgenummerd werden vanaf markeringsbordje 7.
Aangetroffen sporen/sporendragers
> markeringsbord nr. 7
Punt 22 (5.7mm) huls, merk Rem, deze lag op de vloer rechts naast de balie.
De huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5230NL
> markeringsbord nr. 8
lnschot kastdeurtje achter de balie. Een kogel was door het kastje geschoten en zat achter de gipsplaat achter het kastje. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld.
SIN AAFS5231NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 75 cm vanaf de vloer en 21.8 cm vanaf rechter de zijkant kastje. Tevens werd door ons een schootlijn met betrekking tot dit inschot ‘uitgezet’.
Uit deze schootlijn kan geconcludeerd worden dat er zeer waarschijnlijk geschoten is vlak voor de balie of vlak achter de balie.
> markeringsbord nr. 9
Ricochetbeschadiging op reclamefolders die op de balie lagen. Zeer waarschijnlijk is deze beschadiging ontstaan door de kogel welke was afgeketst op de voorzijde van de koelkast achter de balie (markeringsbord 13), waarvan de gedeformeerde kogel op de vloer onder de balie werd aangetroffen (markeringsbord 17).
> markeringsbord 10
Inschot in de achterzijde van een blauwe stoel welke rechts naast de balie stond. Vermoedelijk was deze stoel door de brandweer verplaatst, in de stoel werd een kogel aangetroffen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5232NL Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en een schootlijn met betrekking tot genoemde stoel ‘uitgezet’.
Hieruit kon blijken dat met een hoek van circa 43 graden in de stoel geschoten was. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er vermoedelijk in de nabijheid van de stoel geschoten moet zijn.
> markeringsbord 11
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5233NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 27 cm vanaf de vloer en 80 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 12
Inschot in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie. Een kogel was door de gipsplaat geschoten en zat achter de gipsplaat. De kogel was gedeformeerd en werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5234NL
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en het kogelgat ingemeten, te weten 200 cm vanaf de vloer en 40 cm vanaf de wand links.
> markeringsbord 13
Ricochetbeschadiging op de voorzijde van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens via de reclamefolders welke op dé balie lagen (markeringsbord 9) op de vloer onder de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 17.
Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de Ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 104 cm vanaf de vloer en 93 cm vanaf de rechter zijkant koelkast.
> markeringsbord 14
Ricochetbeschadiging op de rechterzijkant van de koelkast welke achter de balie stond. Zeer waarschijnlijk is een kogel op de koelkast afgeketst en vervolgens in de muur (gipsplaat) rechts naast de balie terechtgekomen, te weten de kogel genoemd onder markeringsbord 12. Door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 4], werd op 27 mei 2013 een vervolgonderzoek ingesteld en de Ricochetbeschadiging ingemeten, te weten 150 cm vanaf de vloer en 8.9 cm vanaf de achterzijde van de koelkast.
> markeringsbord 16
Op het platte dak, links van het sportcentrum, werd een kogel (punt 22/ 5,7mm) aangetroffen. Deze kogel lag nagenoeg bij de linker zijmuur van het sportcentrum, onder een raam welke door de brandweer was ingeslagen. Deze kogel werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5236
> markeringsbord 17
Op de vloer onder de balie werd door ons een volledig gedeformeerde kogel (vermoedelijk punt 22) aangetroffen. Zeer waarschijnlijk was deze kogel afgeketst op de voorzijde van de koelkast, te weten markeringsbord 13, waarna de kogel gericocheerd werd, de reclamefolders welke op de balie lagen beschadigd, en vervolgens op de vloer was terechtgekomen. Deze werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5237NL
> markeringsbord 18
Op de vloer, rechts van de balie, werd door ons een punt 22 (5.7 mm) huls aangetroffen. Deze huls werd door ons veiliggesteld. SIN AAFS5238 Op de locatie waar de huls werd aangetroffen was al veelvuldig door de hulpdiensten, te weten brandweer en politie, gelopen. Derhalve was de huls waarschijnlijk verplaatst.
Aantreffen vuurwapen
Door mij, [verbalisant 6], werd op vrijdag 24 mei 2013 in de omgeving van het sportcentrum een onderzoek verricht. Hierbij werd door mij een vuurwapen aangetroffen op het voormalige terrein van ‘KPN’. Dit terrein is (oostelijk) direct achter het sportcentrum gesitueerd en werd slechts gescheiden door een brandsteeg. Het vuurwapen betrof een Smith & Wesson .22 long rifle, waarvan het serienummer was weggefreesd.
Wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 7], zagen dat dit wapen op de bestrating vlak voor een schuif/kanteldeur van een garagebox lag en dat dit wapen zeer waarschijnlijk hier naartoe was gegooid. Wij zagen namelijk een beschadiging in genoemde garagedeur, vermoedelijk afkomstig van het wapen. Zeer waarschijnlijk was het wapen hetzij vanaf genoemde brandsteeg over een dakje gegooid of vanaf het platte dak links van het sportcentrum over dit dakje gegooid, waarna het wapen tegen de garagedeur aan kwam en hier naar beneden op de vindplaats viel. Tevens zagen wij dat er een huls (merk Rem) dwars tussen de slede en de loop van dit wapen vastgeklemd zat. Zichtbaar was dat in de houder van het wapen (welke nog in het pistool zat) in ieder geval nog een patroon aanwezig was. Nabij het pistool troffen wij een borging aan, welke van het pistool afkomstig was.
Door mij, [verbalisant 7], werd genoemd pistool en borging veiliggesteld en vervolgens ten behoeve van een DNA-vervolgonderzoek de volgende onderdelen van het pistool afzonderlijk verpakt en voorzien van een SIN, te weten: AAFZ0509NL Ten behoeve van het DNA-onderzoek werden door mij, [verbalisant 7], de volgende pistoolonderdelen afzonderlijk verpakt en voorzien van SIN:
- —
Pistool SIN AAFZ0509NL
- —
Houder SIN AAFS5246NL
- —
Patroon SIN AAFS5247NL
- —
Huls SIN AAFS5248NL
- —
Borging van het pistool SIN AAFZ0510NL
Onderzoek ‘schootlijnen’
Met betrekking tot bovenstaand onderzoek werd op maandag 27 mei 2013 door ons [verbalisant 6] en [verbalisant 4] de aangetroffen inschoten en ricochetbeschadigingen voor zover mogelijk ingemeten en daar waar mogelijk werden zogenaamde ‘schootslijnen’ uitgezet om te kunnen vaststellen vanaf welke locatie geschoten was. Voor het uitzetten van een schotlijn zijn twee vaste referentiepunten noodzakelijk, bijvoorbeeld een inschot en een uitschot. Dit gegeven was bij het schietincident aan de [a-straat] bij twee inschoten het geval, te weten:
- —
het inschot en uitschot in het kastje achter de balie (markering 8)
- —
het inschot en aangetroffen kogel in de blauwe stoel. Bij laatstgenoemde stoel wordt vermeld dat deze na het incident vermoedelijk is verplaatst door de brandweer, (markering 10)
Conclusie
- —
Het inschot in het kastje achter de balie werd vlak voor de balie of direct achter de balie afgevuurd.’
het vuurwapen
1.7
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 18 juni 2013, opgenomen op pagina 123 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 9]:
‘Door personeel van de politie Noord Nederland werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp inbeslaggenomen. Door mij is het vuurwapen op 27 mei 2013 veilig gemaakt door het te ontladen. In het vuurwapen was een leeg patroonmagazijn aanwezig. In het uitwerpvenster aan de rechterzijde van het wapen, bovenzijde handgreep, zat een afgevuurde huls. Deze huls van het kaliber .22 LR zat vastgeklemd tussen de slede en de kast.
Het voorwerp is een pistool:
Merk: Smith en Wesson
Model: 2213 Sportsman
Kaliber: .22 LR
Serienummer: Verwijderd
Land Fabricage: Verenigde Staten van Amerika
Het voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing.
Derhalve is het voorwerp een vuurwapen In de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Bij het pistool is een bijpassend patroonmagazijn aanwezig. Dit magazijn is ingericht voor 8 randvuurkogelpatronen van het kaliber .22 LR. Met een patroon in de kamer kan het voormelde pistool maximaal geladen zijn met 9 kogelpatronen.
Munitie: aangetroffen in voormeld vuurwapen
Soort: Randvuur kogelpatroon
Merk: Remington
Kaliber: . 22 LR
Aantal: 1
Deze patroon is geschikt om een projectiel door middel van een, (voormeld) vuurwapen af te schieten.
Derhalve is dit munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.’
1.8
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162, d.d. 10 oktober 2013 opgemaakt door [verbalisant 10], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 236 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
‘Er zijn aanwijzingen gevonden dat de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit pistool [AAFZ0509NL], De sterkte van deze aanwijzingen wordt hieronder verder toegelicht.’
Hulzen
Voor de zes hulzen [AAFS488SNL, -4889NL, -4890NL, -5230NL, -52.38NL en -5248NL], .22 Long (Rifle), en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
‘Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met het pistool.
Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend huisonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.’
Kogels
Voor de zes kogels [AAFS5231NL t/m -34NL, -36NL en -37NL], die het best passen bij het kaliber .22 Long Rifle, en pistool [AAFZ0509NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
‘Hypothese 3: De kogels zijn afgevuurd uit de loop van het pistool.
Hypothese 4: De kogels zijn afgevuurd uit één meerdere andere lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is.
(…)
Tijdens het veiligstellen van het vuurwapen door de FO werd geconstateerd dat er een afgevuurde huls klem zat in het hulzenvenster van het vuurwapen. In deze huls bevinden zich normale afvuursporen. Een storing, zoals genoemd, kan optreden als direct na het schot het hulzenvenster wordt geblokkeerd (bijvoorbeeld door kleding of iets dergelijks), of dat de slede in zijn naar achtergaande beweging wordt geremd en niet voldoende ver naar achteren komt om de huls uit het wapen te werpen. De huls kan dan dwars in het hulzenvenster komen te zitten, een nieuw patroon kan eveneens onder de niet uitgeworpen huls vast zitten. Indien het wapen in deze toestand wordt weggeworpen kan de huls tamelijk vast komen te zitten tussen de slede en de kast van het wapen. De beschadigingen in de huls en het ontzetten van het frame passen bij deze veronderstelling.
Hypothese A: Er is eerst een uitwerpstoring opgetreden en daarna is het wapen weggegooid.
Hypothese B: Het wapen is weggegooid en daarbij is een uitwerpstoring opgetreden.
De bevindingen van het technisch onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A juist is, dan wanneer hypothese B juist is.’
schotbaan
1.9
[verklaring van verzoeker]
1.10
[verklaring van verzoeker]
1.11
[verklaring van verzoeker]
1.12
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162 (006), d.d. 26 september 2013 opgemaakt door drs. [psychiater 1], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 260 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
- —
AAFS4891NL #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA- profiel [verdachte]
- —
AAFS4892 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: geen DNA-profiel verkregen AAFS4893 #01: bemonsteringen van kabelbinder: DNA-profiel van een man, [verdachte] / matchkans kleiner dan een op een miljard.
- —
AAFS4894 #01 en #02: bemonsteringen van kabelbinder: zeer onvolledig DNA-profiel [verdachte].
1.13
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.30.162 (006), d.d. 1 november 2013 opgemaakt door R. Pieterman, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 268 e.v. (map FTO) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:
‘Overzicht ontvangen materiaal:
AAFS4891NL: kabelbinder
AAFS4892NL: kabelbinder
AAFS4893NL: kabelbinder
AAFS4894NL: kabelbinder
Wanneer de trekband van een kabelbinder op de juiste wijze is aangebracht in de sluitkop van de kabelbinder, of in een andere kabelbinder, zijn deze niet meer van elkaar te scheiden (los te trekken) zonder dat er duidelijke beschadigingen ontstaan. Bij proeven, waarbij getracht is gesloten kabelbinders open te trekken met de hand, is gebleken dat de sluitkop op zijn plaats blijft zitten en dat er druksporen ten gevolge van insnoering ontstaan. Dit is ook het geval wanneer met behulp van een bankschroef getracht wordt de gesloten kabelbinders open te trekken. Bij relatief veel uitgeoefende trekkracht met de bankschroef breekt de trekband (uiteindelijk). De kabelbinders van de plaats delict tonen geen beschadigingen die op een uitgeoefende trekkracht wijzen. Uit onderzoek is gebleken dat bij het plaatsen van de trekband aan de verkeerde kant van de sluitkop en getwist (180 graden gedraaid) er indrukken en krassporen ontstaan aan de tanden van de trekband. Bij het onderste boven insteken van de trekband ontstaan er kras- en druksporen in de bovenzijde van de sluitkop. In de kabelbinders van de plaats delict zijn deze sporen niet waargenomen. In beide gevallen glijdt bij een zeer licht uitgevoerde handmatige trekkracht de sluitkop makkelijk van de trekband af.
(…)
Met betrekking tot vraag 2 en 3
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4892NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4891 NL gezeten?
Heeft het uiteinde van kabelbinder AAFS4894NL onjuist (omgedraaid) in het verbindinguiteinde van kabelbinder AAFS4893NL gezeten?
*Hypothese 5: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAFS489 1NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 6: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 7: De trekband van kabelbinder [AAFS4892NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4891NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 6 juist is, dan wanneer hypothese 5 of 7 juist is.
*Hypothese 8: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is (wel) in de sluitkop van kabelbinder [AAF54893NL] aangebracht (geweest);
Hypothese 9: De trekband van kabelbinder [AAFS4894NL] is niet in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest).
Hypothese 10: De trekband van kabelbinder [AAF54894NL] is op een onjuiste wijze in de sluitkop van kabelbinder [AAFS4893NL] aangebracht (geweest);
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 9 juist is, dan wanneer hypothese 8 of 10 juist is.
- —
Ervan uitgaande dat de totaal drie kabelbinders [AAFS4891NL] en [AAFS4892NL] samen een gesloten lus hebben gevormd, en de kabelbinders juist met elkaar waren verbonden, is de verwachting, dat het niet mogelijk is om deze van elkaar los te trekken, zonder dat daarbij aan de tanden in de sluitkop en aan de tanden van de trekband, duidelijk zichtbare beschadigingen ontstaan.’
de telefoon
1.13
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2013, opgenomen op pagina 171 e.v. (map AH/TTI/FDO) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 11]:
‘Op 27 mei 2013 werd gevorderd de verkeersgegevens van de bij aangever [verdachte], nader te noemen [verdachte], aangetroffen Iphone met daaraan gekoppeld telefoonnummer [telefoonnummer] (bij Vodafone) & imei-nummer [001] (bij KPN, T-mobile & VODAFONE) over de periode 1 juni 2012 t/m 25 mei 2013.
Op 23-05-2013 om 22:49 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 23-05-2013 om 23:43 uur. Hierbij bevond de gsm zich om 22:49 uur binnen het dekkingsgebied van Cellid 34781 gevestigd Kraaienest te Groningen; om 22:53 uur binnen het dekkingsgebied van Cellid 42891 gevestigd Koningsweg te Groningen; gevolgd door 23:31, 23:33, 23:35 & 23:39 van Cellid's te Joure & om 23:37 van een Cellid te Terband.
Op 23-05-2013 om 23:43 uur en 24-05-2013 om 00:28 uur was een internet verbinding (GPRS WAP) waarbij was vermeld Cellid 43053 gevestigd te Heerenveen.
Op 24-05-2013 om 00:35 uur startte een internet verbinding (GPRS-WAP) bestaande uit op elkaar aansluitende sessies eindigend op 24-05-2013 om 09:54 uur. Hierbij bevond de gsm zich binnen het dekkingsgebied van Cellid's gevestigd te Groningen.
Bij de opbouw van het mobiele netwerk heeft elke Cellid die bevestigd is aan een zendmast een bepaald dekkingsgebied die kan variëren tot meerdere vierkante kilometers. Vooral in een landelijk gebied kan een gsm, die zich op een afstand tot bijvoorbeeld 15 kilometer van de zendmast bevindt, gebruik maken van deze zendmast.’
1.14
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2014, opgenomen op pagina 133 e.v. (map [a-straat] Deel 2 Proces) van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant 12]:
‘In het onderzoek 01 [a-straat] zijn er historische verkeersgegevens gevorderd van het Vodafone telefoonnummer [telefoonnummer] over de periode 01-06-2012 t/m 25-05-2013. Bij het analyseren van deze historische verkeersgegevens kwamen een aantal vragen naar boven met betrekking tot de locatiegegevens van de mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] op 23-05-2013 en 24-05-2013. Bij het onderzoeksteam stelde men zich de vraag hoe het kan dat in regel 18 van het bijgevoegde Excellbestand (bijlage 1) de telefoon aangemeld is op de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) op 24-05-2013 om 00:28:09 uur en vervolgens in regel 19 is de telefoon aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen) op 24-05-2013 om 00:35:15 uur. Tussen deze twee bovengenoemde sessies zit slechts 7 minuten. De afstand tussen beide masten in bovengenoemde sessies betreft ruim 60 kilometer. Het is onmogelijk dat de telefoon in 7 minuten een afstand van bijna 60 kilometer heeft afgelegd. Voor het antwoord op deze vraag werd het team door mij doorverwezen naar Dhr. [betrokkene 2], Lawful Intercept Operational Coordinator, Corporate Security Vodafone Libertel BV te Maastricht. Dhr. [betrokkene 2] beantwoordde op donderdag 13-02-2014 om 14:02 uur via mail hoe de bovengenoemde sessies geïnterpreteerd dienen te worden. Uit de uitleg van Dhr. [betrokkene 2] blijkt dat de telefoon op 23-05-2013 om 23:43:12 uur zich aanmeldt op het UMTS netwerk van Vodafone via de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) en vervolgens op 24-05-2013 om 00:35:15 uur is aangemeld op de mast 32843 (Emingaheerd/Beneluxweg Groningen). Tussen deze sessies zit 52 minuten, een veel reëlere tijd om de afstand van ongeveer 60 kilometer af te leggen. In een tussenliggende sessie, 24- 05-2014 om 00:28:09, werd ook de mast 43053 (Businesspark Friesland West HVP 1 OA, Heerenveen) genoemd. Echter uit de uitleg van Dhr. [betrokkene 2] blijkt dat deze mastgegevens gekopieerd werden van de sessie op 23-05-2013 om 23:43:12 uur, maar er feitelijk bij deze tussenliggende sessie niet een nieuwe locatie update heeft plaatsgevonden. Hierdoor ontstond de verwarring bij het onderzoeksteam. Uit de Excellijst (bijlage 1) blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 23-05-2013 rond 21.00 uur in Groningen is.
Tussen 23-05-2013 23.30 uur en 24-05-2013 00:35 uur is de telefoon in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen). Op 24-05-2013 00:35:15 is de telefoon weer terug in Groningen.’
1.15
[verklaring van verzoeker]
1.16
[verklaring van verzoeker]’
De bewijsvoering wordt door het hof afgesloten met een bewijsoverweging:
‘Oordeel hof
De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier volgt dat in de nacht van 23 op 24 mei 2013 brand is uitgebroken in de sportschool waarvan verdachte destijds, samen met zijn partner, de eigenaar was. Verdachte werd die nacht door de gealarmeerde hulpdiensten op het platte dak van de sportschool aangetroffen. Hij had drie schotwonden. Door verdachte is aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag en brandstichting in zijn sportschool. Verdachte heeft — kort samengevat — verklaard dat hij een pistool op zijn hoofd kreeg toen hij kort na middernacht de sportschool wilde verlaten. Hij werd door twee mannen gedwongen om de sportschool weer naar binnen te gaan. Hij is toen, na een poging de man met het wapen te overmeesteren, driemaal beschoten: in zijn linkerflank, zijn linker bovenarm en zijn rechterkuit. Vervolgens is hij vastgebonden met tiewraps. Verdachte kreeg tiewraps om zijn polsen en om zijn enkels. De andere man sprenkelde benzine in de sportschool. De mannen verlieten vervolgens de sportschool. Verdachte heeft de tiewraps om zijn polsen doorgesneden aan een gebroken spiegel. De tiewraps om zijn enkels heeft hij kapot getrokken. Hij is vervolgens over de balie gesprongen en via de deur achter de balie het balkon opgegaan. In de sportschool woedde toen brand.
Het hof bezigt de hiervoor bedoelde verklaring van de verdachte tot het bewijs, nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof beoordeelt de verklaring van de verdachte als kennelijke leugenachtig voor zover deze verklaring inhoudt dat anderen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting in zijn sportschool en het beschieten van verdachte. Die kennelijke leugenachtigheid blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Ten eerste is de verklaring van verdachte dat hij op 23 mei 2013 om ongeveer 21:20 uur in zijn sportschool aan de [a-straat 1] te Groningen was en daar is gebleven tot circa 00:15 uur, in strijd met de verkeersgegevens van zijn telefoon. Daaruit blijkt immers dat de telefoon van verdachte tussen 23.30 uur en 00:35 uur in Friesland (Joure, Terband en Heerenveen) was. Op 24 mei 2013 00:35:15 was de telefoon weer terug in Groningen. Verdachte heeft verklaard dat hij de gehele avond van 23 mei 2013 in het bezit was van zijn telefoon. Het hof gaat er aldus vanuit dat verdachte de avond van 23 mei 2013 in Friesland is geweest, hetgeen in strijd is met zijn verklaring.
Ten tweede zijn de bevindingen van de politie op het plaats delict in strijd met verdachtes verklaringen. In de sportschool zijn vijf huizen en vijf kogels aangetroffen. Op het dak van de sportschool is één kogel aangetroffen. Gelet op de bevindingen van het NFI gaat het hof ervan uit dat deze kogels met het aangetroffen wapen zijn verschoten. Verdachte heeft echter steeds verklaard dat de schutter slechts drie keer heeft geschoten. Deze verklaring is aldus in strijd met de bevindingen van de politie op het plaats delict. Ook de schotbaan van de kogel die is aangetroffen in het kastje achter de balie kan niet worden gerijmd met de verklaring van verdachte. Van die kogel is vastgesteld dat deze vlak voor de balie of direct achter de balie werd afgevuurd. Verdachte heeft aan de hand van een door hem getekende plattegrond van de bovenverdieping verklaard dat hij zich tussen de balie en de muur met de spiegels bevond toen hij werd beschoten. Deze spiegels stonden naast de balie. Deze verklaring rijmt op geen enkele wijze met de schootbaan van de aangetroffen kogel in het kastje achter de balie.
Ten derde zijn de bevindingen met betrekking tot de tiewraps in strijd met verdachtes verklaring. Verdachte heeft verklaard dat er tiewraps om zijn polsen en enkels zijn gebonden. Er zaten meerdere tiewraps aan elkaar. Het waren witte/lichtkleurige tiewraps. Verdachte heeft verklaard dat hij de tiewraps bij de spiegels in de buurt van de balie heeft losgemaakt. Hij heeft verder niets met de tiewraps gedaan. De politie heeft op de vloer, tussen de bar (het hof begrijpt: de balie) en de blauwe stoel, twee witte tiewraps (kabelbinders) gevonden. Ook op het werkblad van de bar, op het uiteinde en op de vloer voor de bar heeft de politie twee witte tiewraps gevonden. Op die plek in de sportschool zijn verder geen andere tiewraps aangetroffen. Op die plek heeft ook geen brand gewoed. De politie heeft aldus op de plek die verdachte heeft aangewezen als de plek waar hij de tiewraps heeft afgedaan, ook daadwerkelijk tiewraps aangetroffen, alsmede in de directe nabijheid van deze plek. Die tiewraps voldoen ook aan de beschrijving die verdachte daarvan heeft gegeven: het ging om twee of drie witte tiewraps aan elkaar. Op die tiewraps is ook DNA van verdachte aangetroffen. Het kan niet anders dan dat dat de tiewraps betreffen waarmee verdachte claimt gebonden te zijn geweest. Uit onderzoek van het NFI is vervolgens gebleken dat die tiewraps nooit als een gesloten lus aan elkaar hebben gezeten en dat het dus onmogelijk is dat verdachte hiermee is vastgebonden geweest en het derhalve niet noodzakelijk was om deze tiewraps door te snijden dan wel los te trappen.
De onderzoeksresultaten zijn aldus niet te rijmen met fundamentele onderdelen van de verklaring van verdachte.
De verdediging heeft (onder meer) gewezen op de getuigenverklaring van [getuige 3] waaruit zou blijken dat er twee mannen in of bij de sportschool aanwezig waren op het moment van de schietpartij. De getuige heeft onder meer verklaard dat ze op 24 mei 2013 omstreeks 01:30 uur twee mannenstemmen heeft gehoord, waarbij de ene man zachter sprak dan de andere man en zij bij een van de twee mannen een accent hoorde zoals zij dat wel eens hoorde bij negroïde mannen. De getuige heeft geen personen gezien.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat deze getuige op honderden meters afstand van de sportschool woont en er tussen de woning en de sportschool niet alleen meerdere gebouwen staan maar ook een N-weg ligt terwijl daarnaast de inhoud van haar verklaring zodanig vaag en onbepaald is, dat het hof aan deze verklaring geen waarde toekent met betrekking tot het gebeuren in de sportschool in de nacht van 23 op 24 mei 2013.
Gelet op de reeds als leugenachtig geduide verklaring van verdachte en op de omstandigheid dat verdachte tijd en gelegenheid had zelf brand te stichten in de sportschool, terwijl er, buiten het scénario van verdachte, geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen dan verdachte in de sportschool op het moment van het uitbreken van de brand, brengt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte zelf degene is geweest die de brand heeft gesticht.
Een en ander betekent dat het voorts niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad en daarmee zichzelf heeft beschoten. Uit het voorgaande volgt tenslotte ook dat ook het onder 3 tenlastegelegde, te weten het doen van valse aangifte, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het dossier bevat een grote hoeveelheid informatie over omstandigheden die zowel door de verdediging als door het openbaar ministerie zijn genoemd ter ondersteuning van het door hun ingenomen standpunt. Dit betreffen met name de veranderingen in de verklaring van verdachte, de plaats van aantreffen van DNA op het wapen waarmee geschoten is, de aard en plaats van de verwondingen aan het lichaam van verdachte, het aantreffen van brandversnellende stoffen in de rechter schoen van verdachte, het duiden van de geluiden waarover buurtbewoners hebben verklaard, de buiten aangetroffen aansteker met daarop DNA waarvan gesteld kan worden dat het van verdachte afkomstig is en tenslotte de financiële toestand waarin het bedrijf van verdachte zich bevond.
Het hof concludeert ten aanzien van al die omstandigheden dat er niet meer over valt te zeggen dan dat zij voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, in die zin dat zij zowel verklaard zouden kunnen worden binnen het scenario van het openbaar ministerie als binnen het scenario van de verdediging.
Het hof concludeert echter ook dat deze omstandigheden niets afdoen aan de leugenachtigheid van de verklaring van verdachte en de bewijsbaarheid van de tenlastegelegde feiten op basis van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen. Deze omstandigheden kunnen om die reden dan ook verder onbesproken blijven.’
Deze bewijsmiddelen en de hierboven weergegeven bewijsoverweging kunnen de bewezenverklaarde feiten niet dragen, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat verzoeker:
- 1.
opzettelijk brand heeft gesticht;
- 2.
een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;
- 3.
opzettelijk een valse aangifte heeft gedaan van poging tot moord dan wel poging tot doodslag op hem en van brandstichting.
Het oordeel van het hof dat verzoeker op bepaalde punten niet de (volledige) waarheid heeft verklaard, maakt dat niet anders.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de (8911 LE) Ossekop 11, die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Leeuwarden, 15 juli 2022
mr. J. Boksem