Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/6.1
6.1 Inleiding
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Onder criminaliteitsbeeldanalyse wordt verstaan het door middel van analyse van politiële gegevens verkrijgen van een bepaald beeld van de criminaliteit of een specifiek deel hiervan. Het aldus verkregen inzicht strekt ertoe duidelijker opsporingsprioriteiten te kunnen stellen en gebeurtenissen waarop men stuit in concrete strafrechtelijke onderzoeken beter begrijpelijk te doen zijn.
Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3.
Zie in dit verband J. Borking, M. Artz & L. van Almelo, Gouden bergen van gegevens. Over datawarehousing, datamining en privacy, Den Haag: Registratiekamer 1998, R. Sietsma, J. Verbeek & J. van den Herik, Datamining en opsporing. Toepassing van datamining ten behoeve van de opsporingstaak: strafprocesrecht versus recht op privacy, Den Haag: Sdu Uitgevers 2002 en R. Sietsma, Gegevensverwerking in het kader van de opsporing. Toepassing van datamining ten behoeve van de opsporingstaak: afweging tussen het opsporingsbelang en het recht op privacy, Den Haag: Sdu Uitgevers 2006.
Zie P.A.M.G. de Kock, Anticipating criminal behavior. Using the narrative in crime-related data (diss. Tilburg University), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2014. Hierin wordt een scenariomodel beschreven waarmee opsporingsinstanties, op basis van crimineel gedrag uit het verleden, adequaat kunnen anticiperen op crimineel gedrag in de toekomst.
Deze affaire ziet er in de kern op dat de Amerikaanse National Security Agency (NSA) geautomatiseerd en op zeer grote schaal voor inlichtingdoeleinden informatie binnenhaalt van (buitenlandse) aanbieders van telecommunicatie. Anders geformuleerd had de NSA onbeperkt toegang tot onder meer internet- en mobiel telefoonverkeer van ook Europese burgers. Zie over deze affaire rondom meerdere artikelen in The New York Times op de website www.nytimes.com. In de nasleep van deze affaire is recentelijk het handelen van de Nederlandse inlichtingendiensten en de voor hen verantwoordelijke ministers, Plasterk ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Hennis in relatie tot de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), ter discussie komen te staan. Kernachtig gesteld ging het toen om het verzamelen van 1,8 miljoen metadata (dat zijn de gegevens die samenhangen met telecommunicatie, zoals een telefoonnummer, een IP-nummer, een e-mailadres of locatiegegevens) van telefoonverkeer en het verstrekken van deze gegevens aan de NSA.
Het verkennend onderzoek is wettelijk geregeld in art. 126gg Sv. Uit het eerste lid van deze bepaling blijkt dat een dergelijk onderzoek kan worden ingesteld indien uit feiten en omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in het eerste lid van art. 67 Sv. Het bestaan van dergelijke aanwijzingen kan onder andere worden ontleend aan uitgevoerde criminaliteitsbeeldanalyses, zoals het vierjaarlijks door de Dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) van het voormalige KLPD samengestelde Nationaal dreigingsbeeld zware of georganiseerde criminaliteit.1 Uit de memorie van toelichting bij de Wet BOB volgt dat het verkennend onderzoek, bij het bestaan van eerdergenoemde aanwijzingen, de facto op ziet onderzoek te doen naar sectoren van de samenleving om vast te stellen of en op welke wijze daarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd.2 Gedacht kan worden aan het verrichten van een verkennend onderzoek naar de in Amsterdam werkzame financiële tussenpersonen. Een dergelijk onderzoek zou kunnen worden gestart op basis van uit criminaliteitsbeeldanalyse verkregen aanwijzingen dat de in deze sector werkzame personen zich op grote schaal schuldig maken aan het witwassen van crimineel geld. In dit verkennende onderzoek zullen dan alle financiële tussenpersonen in Amsterdam door de politie worden doorgelicht en wordt bekeken of aldus een concrete verdenking ontstaat tegen één of meer van hen. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek kunnen vervolgens één of meer opsporingsonderzoeken worden gestart.
Verkennende onderzoeken worden uitgevoerd door omvangrijke gegevensverzamelingen te analyseren. Deze analyse kan een koppeling inhouden van verschillende politiële gegevensbestanden of een koppeling van gegevens uit open bronnen (hierbij kan worden gedacht aan op het internet aan-wezige gegevens) met gegevensbestanden van de politie.3 Het voorgaande wordt ook wel aangeduid als het proces van datamining.4 Zoals eerder verwoord is dit een proces waarin, al dan niet door gebruik te maken van een concrete zoekvraag, digitale gegevensbestanden aan elkaar worden gekoppeld, (geautomatiseerd) wordt bekeken of er verbanden bestaan tussen deze gegevens en of hieraan conclusies en consequenties kunnen worden verbonden. Het doel van een verkennend onderzoek is de voorbereiding van opsporingsonderzoeken, zo volgt uit het slot van het eerste lid van art. 126gg Sv. Indien het uitgevoerde verkennende onderzoek hiertoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat aldus een concrete verdenking tegen een verdachte of criminele groepering is ontstaan, kunnen de resultaten hiervan in een procesverbaal worden opgetekend en als startinformatie voor een opsporingsonderzoek worden gebruikt.
Het gebruikmaken van informatie verkregen door middel van het proces van datamining is potentieel risicovol nu gegevensbestanden onware gegevens kunnen bevatten, het vergelijken van meerdere gegevensbestanden tot een onjuiste gevolgtrekking kan leiden en/of gegevensbestanden verouderde informatie kunnen bevatten. Het koppelen van diverse gegevensbestanden kan, anders geformuleerd, ten onrechte het vermoeden van strafbaar gedrag oproepen, waardoor strafvorderlijk optreden volgt dat onder meer de privacy van een onschuldige burger kan aantasten. Het voorgaande krijgt nog een extra dimensie als in de toekomst, bijvoorbeeld met het oog op het voorkomen van terroristische aanslagen, datamining zou worden toegepast om het plegen van strafbare feiten te voorspellen en op basis hiervan als overheid preventief strafvorderlijk op te treden.5 Daarnaast bestaat het risico dat in het proces van datamining gebruik wordt gemaakt van gegevens die al uit een gegevensbestand hadden moet zijn verwijderd. Een mogelijk rechtmatigheidsprobleem dus. Bezien wordt of de bestaande in- en externe controlemechanismen deze risico’s afdoende beteugelen en wat de mogelijke strafvorderlijke consequenties kunnen zijn als strafrechtelijk wordt gehandeld op basis van gegevens die ten onrechte in een gegevensbestand zijn blijven staan. Het proces van datamining levert ten slotte een bezwaar op dat van doen heeft met algemene privacyaspecten. Het toepassen van deze methodiek heeft immers tot gevolg dat op grote schaal (persoons)gegevens van niet-verdachte burgers worden doorgelicht door de overheid. Het is de vraag of dit in het huidige maatschappelijke en politieke klimaat in alle gevallen wenselijk wordt gevonden, zeker als gekeken wordt naar de commotie die is ontstaan naar aanleiding van de Snowden-affaire.6 Bovendien lijkt het proces van datamining op gespannen voet te kunnen staan met het bepaalde in art. 8 EVRM.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv zich door drie omstandigheden kenmerkt. Allereerst koppelt, analyseert, bewerkt en veredelt de politie in dit verband diverse omvangrijke (digitale) gegevensverzamelingen. Het voorgaande geschiedt ten tweede op een moment dat nog niet per se een concrete verdenking bestaat tegen een verdachte persoon of criminele groepering. Voldoende is dat er slechts aanwijzingen zijn dat in een verzameling van personen, anders gezegd in een bepaalde sector van de samenleving, misdrijven worden beraamd of gepleegd. Ten derde is het doel van het verkennend onderzoek het creëren van startinformatie. Dit onderzoek dient immers te allen tijde ter voorbereiding van een mogelijk in te stellen strafrechtelijk onderzoek en niet ter nadere bepaling van opsporingsbeleid. Met name het in het proces van datamining (op grote schaal) onderzoek doen naar niet-verdachte burgers is een kenmerkend element dat samenhangt met dit type startinformatie. Deze methodiek wordt ook buiten het bestek van art. 126gg Sv door de politie aangewend. Het in het volgende hoofdstuk te bespreken vergaren van informatie door de FIU-Nederland kan bijvoorbeeld op die manier worden bekeken. Dit politieonderdeel verkrijgt immers voor een belangrijk deel startinformatie door de methodiek van datamining toe te passen naar aanleiding van een verdachte financiële transactie.