Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/9.4:9.4 Beantwoording onderzoeksvraag
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/9.4
9.4 Beantwoording onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183607:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onderzoeksvraag: Hoe verhoudt de verzekering in coassurantie of via pools zich tot de inhoud van het mededingingsrecht?
Op de centrale onderzoeksvraag die hierboven is weergegeven, kan op basis van de samenvatting van de onderzoeksbevindingen, nu een antwoord worden geformuleerd. De verzekering in coassurantie of via pools geeft op het eerste gezicht, vanwege het element van samenwerking, spanning met het mededingingsrecht waarin de bescherming van concurrentie en zelfstandig marktgedrag centraal staat. Dit spanningsveld is het duidelijkst voelbaar bij de fase van het sluiten van een verzekeringsovereenkomst door tussenkomst van een makelaar bij meerdere verzekeraars, die ieder voor een bepaald gedeelte tekenen, en waarbij er onderscheid bestaat tussen één of meer leidende verzekeraars en volgverzekeraars. Meer specifiek blijkt dit bij het onderdeel van het sluitingsproces waarbij door een makelaar wordt onderhandeld met een leidende verzekeraar. Vanuit de gedachte dat de leidende verzekeraar de belangrijkste rol heeft van alle verzekeraars op een coassurantiecontract is het van belang dat er geen afstemming plaatsvindt tussen de potentiële leidende verzekeraars en/of de makelaar. Dat geldt in het bijzonder voor het verstrekken van informatie aan de verzekeraars en het voeren van de onderhandelingen met hen. Het is bij de verzekering in coassurantie de premieharmonisatie die zich moeilijk verhoudt tot het mededingingsrecht. Hoewel dit in de praktijk anders kan gaan, moet het uitgangspunt voor het benaderen van volgverzekeraars zijn dat zij onafhankelijk en zelfstandig inschrijven op basis van zelfstandig bedongen premies en voorwaarden. Premieharmonisatie schuurt daarom tegen het mededingingsrechtelijke verbod op onderling afgestemd marktgedrag. Ook bij samenwerking ten aanzien van het opstellen van verzekeringsvoorwaarden kan het risico bestaan op overtreding van de mededingingsregels, maar blijkt dat de randvoorwaarden waaronder standaardvoorwaarden worden opgesteld en verspreid in ieder geval niet conflicteren met het mededingingsrechtelijke toetsingskader. Spanning kan eveneens gelegen zijn in het risico dat kan bestaan op collusie of samenspanning vanwege het feit dat de zakelijke verzekeringsmarkt, met name ten aanzien van de groep van leidende verzekeraars, oligopolistische marktkenmerken heeft. Van belang is daarom dat de makelaar zich moet onthouden van het geven van concurrentiegevoelige informatie aan een of meer verzekeraars of anderszins overtreding van mededingingsregels door die verzekeraar(s) te faciliteren.
Op verschillende manieren biedt het mededingingsrecht ruimte voor samenwerking tussen ondernemingen. In dit boek is deze ruimte op verschillende fasen van het coassurantieproces onderzocht. De Europese Commissie erkent de behoefte aan samenwerking in de verzekeringssector, maar ondernemingen dienen zelfstandig vast te stellen of samenwerking geoorloofd is. Voor de verzekeringssector zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden in de door de Europese Commissie vastgestelde richtsnoeren voor horizontale samenwerking tussen ondernemingen. Voor ondernemingen die partij zijn bij een kartel staat in beginsel een beroep open op de wettelijke uitzondering die is neergelegd in artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag en artikel 6 lid 3 van de Mededingingswet. Deze ‘escape’ voor ondernemingen die partij zijn bij een ‘kartel’ komt er kort gezegd op neer dat moet worden aangetoond dat aan vier cumulatieve vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De bewijslast daarvoor is relatief hoog. In dit boek heb ik op bepaalde onderdelen van het coassurantieproces het standpunt ingenomen dat er aanwijzingen kunnen zijn voor een overtreding van de mededingingsregels. Meest prominent bleek dat het geval te zijn voor de praktijk van premieharmonisatie (‘premium alignment’) bij het sluiten van een verzekering bij coassurantie of een pool. Voor die gevallen of mogelijke scenario’s in het sluitingsproces heb ik de ruimte verkend die de vrijstellingsregeling van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag en/of artikel 6 lid 3 van de Mededingingswet kan bieden. Zoals uit de samenvatting onder par. 9.4 blijkt, kan coassurantie gepaard gaan met verschillende efficiëntievoordelen en kostenbesparingen waaraan gewicht toekomt bij een eventueel beroep op vrijstelling van het kartelverbod. Daarbij is wel van belang om te realiseren dat dergelijke voordelen ook aan de verzekeringnemers moeten worden doorgegeven waarvoor in beginsel is vereist dat dat via een lagere premie en/of betere voorwaarden dient te geschieden.