De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.1:3.5.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.1
3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949320:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoontjens 2023, p. 250.
Nolen 2017, p. 45.
Zoontjens 2023, p. 76.
Stb. 2017, 85.
Artikel 31a van de Wpo, artikel 7.8 van de Wvo 2020, artikel 4.1a.1 van de Web en artikel 31a van de Wec.
Artikel 9.19 van de WHW
Cao-hbo 2022-2023, p. 12. Raadpleegbaar via: https://www.aob.nl/assets/Downloads/Cao-hbo-2022-2023.pdf [geraadpleegd op: 27 juli 2023].
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de een deel van de onderwijswetten is een bepaling opgenomen waarin de professionele ruimte van de leraar wordt uitgewerkt. Alvorens daar dieper op in te gaan wordt eerst kort stilgestaan bij deze wetten. De verschillende onderwijssectoren hebben ieder een eigen wet, namelijk de Wet op het primair onderwijs (Wpo), de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo 2020), de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web), de Wet op de expertisecentra (Wec) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw). De voorschriften in de onderwijswetten zijn voor de openbare scholen regels, voor bijzondere scholen zijn dit bekostigingsvoorwaarden.1Openbaar onderwijs wordt van overheidswege gegeven, deze scholen vallen dan ook volledig onder deze voorschriften. Het bijzonder onderwijs wordt daarentegen niet van overheidswege gegeven, de voorschriften uit de onderwijswetten zijn in dit geval voorschriften waaraan voldaan moet worden om voor bekostiging in aanmerking te komen. De normadressaat van de onderwijssectorwetten is het bevoegd gezag. Nolen schrijft dat elementen van het, uit de vrijheid van richting en inrichting voortvloeiende, onderwijsrechtelijke autonomiebeginsel gevonden kunnen worden in diverse bepalingen van de sectorwetten.2 Dit bevestigt dat aan het bevoegd gezag autonomie toekomt. Deze bepalingen gelden in het verlengde ook voor onder meer de leraar. In de onderwijssectorwetten was evenwel tot 2017 nog niet expliciet bepaald dat de leraar aanspraak kon maken op enige vorm van autonomie.3 Met betrekking tot de leraar was enkel geregeld onder welke voorwaarden hij bevoegd onderwijs mocht geven. Hierop is dieper ingegaan in § 3.3.8.
Met de Wet beroep leraar4 heeft het beroep van leraar en zijn professionele ruimte een plek gekregen in een groot deel van de onderwijssectorwetten. Zoals beschreven in de vorige paragraaf beoogde de wetgever met deze wet de positie van leraren te versterken en hun beroepskwaliteit zichtbaar te verbeteren.5 De invoering van de omschrijving van het beroep van leraar hing samen met het geven van professionele ruimte aan de leraar en de invoering van het lerarenregister.6 Hiertoe werd in de Wpo, Wvo 2020, Web en Wec een artikel ingevoegd waarin het beroep van leraar wordt omschreven.7 Het beroep van leraar is, met uitzondering van een bepaling over de verantwoordelijkheden en rechten van de hoogleraar, niet omschreven in de Whw.8 Volgens de wetgever zijn in het hoger onderwijs afspraken gemaakt met instellingen over de versterking van de kwaliteit van het personeel.9 Tevens zouden er in de cao-hbo vergaande afspraken zijn gemaakt over de professionalisering van docenten en de wederzijdse verplichtingen tussen de werknemer en de werkgever. Zo kunnen werknemers via deze cao aanspraak maken op een professionaliseringsbudget.10
Deze paragraaf over het beroep van leraar in de onderwijswetten vervolgt met een beschrijving van de wetsartikelen over het beroep van leraar en de wijze waarop deze artikelen passen in de onderwijssectorwetten, met uitzondering van de Whw, die zich eigenlijk richten tot het bevoegd gezag. Vervolgens wordt stilgestaan bij de zelfstandige verantwoordelijkheid die aan de leraar toekomt als het gaat om het beoordelen van onderwijsprestaties van leerlingen.