De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.3:3.5.3 Bevoegd gezag en de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.3
3.5.3 Bevoegd gezag en de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949637:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
K. Zandvliet e.a., Quickscan professioneel statuut in het VO. Eindrapport. Den Haag: SEOR 2019, p. 10.
K. Zandvliet e.a., Quickscan professioneel statuut in het VO. Eindrapport. Den Haag: SEOR 2019, p. 15-16.
I. Van den Ende e.a., Nulmeting Wet beroep leraar. Eindrapport, Zoetermeer: Panteia 2019, p. 6.
K. Zandvliet e.a., Quickscan professioneel statuut in het VO. Eindrapport. Den Haag: SEOR 2019, p. 23.
K. Zandvliet e.a., Quickscan professioneel statuut in het VO. Eindrapport. Den Haag: SEOR 2019, p. 26.
Van Es 1993, p. 14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste dat opvalt aan de bepalingen in de onderwijswetten over het beroep van de leraar is dat de taakomschrijving van de leraar wordt geplaatst binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school. Binnen dit beleid dient de leraar verantwoordelijkheid te dragen voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school. Om deze verantwoordelijkheid te kunnen dragen dient de leraar over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap te beschikken over het beleid van de school in zoverre dit betrekking heeft op de hiervoor onder a tot en met d genoemde punten. De leraar dient over voldoende zeggenschap te beschikken om, binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school, zijn werk goed te kunnen doen.1 De wetgever schrijft dat het derde lid “de erkenning van het beginsel dat de leraar zeggenschap toekomt over zijn professioneel handelen, oftewel zijn professionele ruimte” 2 inhoudt. Deze professionele ruimte is volgens de wetgever noodzakelijk voor de beroepsuitoefening.3
Zeggenschap houdt in dit verband niet in dat de leraar bijvoorbeeld eigenhandig de inhoud van de lesstof kan bepalen. De wijze waarop de zeggenschap van de leraar wordt ingevuld, dient uitgewerkt te worden in het professioneel statuut. In het professioneel statuut maken de leraren en het bevoegd gezag afspraken over de zeggenschap van de leraar. De wijze waarop deze afspraken worden gemaakt is aan hen.4 Het professioneel statuut wordt uiteindelijk vastgesteld door het bevoegd gezag. Doordat het professioneel statuut wordt vastgesteld door het bevoegd gezag, verschilt het statuut per school. De mate van autonomie waarover een leraar beschikt kan dan ook per school verschillen.
De wetgever schrijft dat de werkgever-werknemer relatie in stand blijft.5 Het bevoegd gezag blijft eindverantwoordelijk voor onder andere de kwaliteit van het onderwijs. Volgens de wetgever wordt echter de instructie mogelijkheid van het bevoegd gezag begrensd door de afspraken zoals vastgelegd in het professioneel statuut. Het toekennen van doorslaggevende zeggenschap aan de leraar over het onderwijs past niet in het Nederlandse onderwijsstelsel. Uit artikel 23 van de Grondwet kan afgeleid worden dat de leraar enkel zeggenschap kan hebben binnen de kaders van het beleid van het bevoegd gezag. Zoals beschreven in § 3.3.5 komt pedagogische autonomie immers toe aan het bevoegd gezag van de school. Het bevoegd gezag is dan ook de drager van deze vrijheid en bepaalt op welke wijze het onderwijs ingericht wordt. In wezen wordt in het professioneel statuut dan ook door het bevoegd gezag, in overleg met de leraar, bepaald in hoeverre de leraar de vrijheid of autonomie heeft om, binnen het onderwijskundig beleid van de school, zelf het onderwijs in te richten. Het bevoegd gezag bepaalt in deze afspraken dan ook (mede) zelf in hoeverre pedagogische autonomie overgelaten wordt aan de individuele leraar. In § 4.9.4 wordt dieper ingegaan op de verhouding tussen de medezeggenschap en het professioneel statuut.
Uit de Quickscan professioneel statuut in het VO uit 2019 blijkt dat ongeveer de helft van de scholen nog geen professioneel statuut heeft opgesteld.6 Het grootste deel van de scholen geeft daarnaast aan dat ze voor de wettelijke invoering van het professioneel statuut nog geen vergelijkbaar plan hadden over de waarborging van de professionele ruimte van de leraar. De dialoog over de totstandkoming van het statuut tussen de docenten en de schoolleiding in gevallen waar wel een statuut tot stand is gekomen verloopt evenwel doorgaans soepel. Wel wordt aangegeven dat soms maar een zeer beperkt aantal docenten hierbij betrokken was, mede omdat de belangstelling vanuit de docenten niet erg groot was. Het is dan ook onduidelijk hoe groot het draagvlak onder de docenten voor het professioneel statuut is.7 Een belangrijk leerpunt is daarom dat het draagvlak onder docenten vergroot moet worden door duidelijk te maken wat zij hebben aan dit statuut. Uit de nulmeting van de Wet beroep leraar blijkt overigens dat leraren veelal in voldoende mate vakinhoudelijke vakdidactische en pedagogische zeggenschap ervaren.8 Ook blijkt uit dit onderzoek dat bestuurders, schoolleiders en leraren tevreden zijn over de samenwerking en dialoog over de totstandkoming van het statuut. Leraren zijn daarnaast positief over de bijdrage die het statuut kan leveren aan de dialoog over beroepskwaliteit tussen leraren en het schoolbestuur.
Uit de Quickscan blijkt dat in de meeste gevallen in het statuut ingegaan wordt op de professionele ontwikkeling van docenten, de inhoud van de lesstof en de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden.9 Evenwel ziet men in de praktijk weinig effect van het professioneel statuut. Dit komt vermoedelijk deels omdat een deel van de daarin geregelde zaken al eerder goed was geregeld. De onderzoekers geven daarnaast aan dat het een jaar na invoering van het professioneel statuut mogelijk nog te vroeg is om effect te zien.10
Gezien de vrijheid van inrichting die toekomt aan het bevoegd gezag en de werkgever-werknemer relatie tussen het bevoegd gezag en leraar, heeft de leraar juridisch niet een sterke positie om autonomie af te dwingen. De wet veronderstelt enkel dat leraren voldoende zeggenschap moeten hebben. In welke opzicht de zeggenschap voldoende dient te zijn is niet helder. Vermoedelijk hoeven leraren enkel voldoende zeggenschap te hebben om hun werk goed uit te kunnen voeren, aangezien de wetgever dit noemt als de ratio achter het vergroten van de professionele ruimte van leraren.11 Het professioneel statuut kan desalniettemin een handvat bieden aan het bevoegd gezag en de leraren om in dialoog te gaan over het beleid van de school en de rol van de leraar hierin. Het is wel van belang dat de leraren hieraan actief deelnemen, anders eindigt het professioneel statuut als papieren tijger. Door een goede dialoog kan het professioneel statuut bijdragen aan de verwezenlijking van de, door de Commissie van Es gedroomde, door de leraar en het bevoegd gezag gezamenlijk gedragen school.12