Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4.2.3
2.4.2.3 Toerekening krachtens rechtshandeling
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855388:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met ‘toerekening krachtens rechtshandeling’ wordt in feite ‘toerekening krachtens overeenkomst’ bedoeld.
Bouma & Frouws 2011, p. 48.
Een uitzondering kan zich voordoen indien de pakketbezorger kwalificeert als WML-opdrachtnemer (zie par. 2.3.1).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex).
Het gaat er daarbij niet om wat een partij zelf dacht te zijn overeengekomen. Beslissend is hoe partijen over en weer het overeengekomene redelijkerwijs moesten begrijpen (zie ook Bakker 2021, p. 13 en 45; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2). De uitgangspunten van de verklaarde wil en het gerechtvaardigd vertrouwen vormen tezamen de wilsvertrouwensleer, die is neergelegd in art. 3:33 en 3:35 BW.
Zeker als de opdrachtgever de sterkere partij is (en de contractuele afspraken eenzijdig heeft opgesteld), zal hij niet snel een geslaagd beroep kunnen doen op het gerechtvaardigd vertrouwen (vgl. Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2).
Vanwege het aanvullende karakter van artikel 6:58 BW kunnen de opdrachtgever en opdrachtnemer contractueel overeenkomen in wiens risicosfeer een bepaalde verhindering valt.1 Zo staat het partijen vrij af te spreken dat het niet kunnen werken vanwege bijvoorbeeld bepaalde weersomstandigheden of onvoldoende orders, schuldeisersovermacht oplevert of – meer in algemene zin – voor risico van de opdrachtgever of opdrachtnemer komt. Op deze manier kan de mogelijke bescherming van artikel 6:58 BW worden uitgebreid of juist (gedeeltelijk) worden ‘weggecontracteerd’. Ten aanzien van met name de opdrachtnemer aan de onderkant ligt het voor de hand dat partijen hierover ofwel geen afspraak maken, ofwel een afspraak overeenkomen ten nadele van de opdrachtnemer, gelet op zijn economisch afhankelijke positie.2 De aanvullende aard van artikel 6:58 BW die het mogelijk maakt afwijkende afspraken te maken, bespreek ik nader in paragraaf 2.5.2.3.
In dit licht verdient de resultaatsverbintenis-opdrachtnemer bijzondere aandacht, zoals de pakketbezorger, vertaler, uitbener en schoonmaker van hotelkamers. Neem de pakketbezorger: die krijgt in principe alleen betaald als hij een pakket heeft afgeleverd (stukloon).3 Met deze beloningswijze heeft de opdrachtnemer een deel van het ondernemersrisico aanvaard, nu de hoogte van het loon afhankelijk is van het te behalen resultaat. De vraag rijst echter of partijen daarmee ook hebben beoogd alle risico’s van niet-werken bij de opdrachtnemer neer te leggen, ongeacht de oorzaak van de verhindering. Dat is een uitlegkwestie van de gemaakte afspraken en daarvoor dient de Haviltex-maatstaf te worden toegepast: er moet worden gekeken naar ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.4 Als partijen expliciet hebben afgesproken dat de opdrachtnemer een hogere beloning ontvangt vanwege het risico op niet-werken of de opdrachtnemer weet dat hij om deze reden is ingezet in plaats van bijvoorbeeld een werknemer, kan dat een aanwijzing zijn dat daarmee is gealloceerd het risico van niet-werken volledig voor rekening van de opdrachtnemer te laten komen. In de gevallen waarin dit niet expliciet is overeengekomen, is het mede afhankelijk van de hoedanigheid van de opdrachtnemer of hij heeft overzien of had moeten overzien dat elk risico van niet-werken in zijn risicosfeer valt. Zo zal een opdrachtnemer aan de onderkant deze gevolgen vermoedelijk niet snel voor ogen hebben gehad. Dat zou een discrepantie tussen zijn wil en verklaring opleveren, waardoor het aankomt op het wederzijds gerechtvaardigd vertrouwen.5 Naar mijn overtuiging gaat de enkele afspraak over de beloningswijze doorgaans niet zover dat de opdrachtgever erop mocht vertrouwen dat partijen daarmee overeenstemming hebben bereikt dat het niet-werken (sowieso) voor risico van de opdrachtnemer komt.6 Wel is het zo dat nog altijd sprake is van een resultaatsverbintenis. De gevolgen van de aard en inhoud van de overeenkomst voor de vraag in wiens risicosfeer de oorzaak van de verhindering valt, waaronder het resultaatkarakter, bespreek ik uitgebreider bij de volgende toerekeningsgrond: de verkeersopvattingen.