De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.3:26.3 Aanvang en stuiting van de verjaring in de verhouding tot regresnemers
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.3
26.3 Aanvang en stuiting van de verjaring in de verhouding tot regresnemers
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364082:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder "benadeelde" in de zin van art. 10 WAM moeten naast de rechtstreeks benadeelde tevens worden verstaan de gesubrogeerde regresnemers en regresnemers met een zelfstandig wettelijk verhaalsrecht. Ook tegen hen begint de verjaringstermijn te lopen op het moment van het feit waaruit de schade is ontstaan. Aan de mogelijke consequentie dat hun vorderingsrecht verjaart nog voordat het is ontstaan, kunnen zij ontkomen, ofwel door de verjaring van hun toekomstige vordering te stuiten, ofwel door te profiteren van de stuitingshandeling van de direct benadeelde.
Art. 1 WAM definieert benadeelden als "zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden".1 Aldus vallen daaronder ook de gesubrogeerde regresnemers en regresnemers met een zelfstandig wettelijk verhaalsrecht.
Ook tegen deze niet direct benadeelden begint krachtens art. 10 lid 1 WAM de verjaringstermijn te lopen op het moment van het feit waaruit de schade is ontstaan. Problematisch kan zijn dat die regresrechten altijd ontstaan op een later moment dan het feit waaruit de schade is ontstaan. Regresrechten ontstaan immers pas bij uitkering aan de direct benadeelde. Het ontstaansmoment van de regresvordering kan daardoor gelegen zijn kort na het feit waaruit de schade is ontstaan maar ook veel langer daarna, afhankelijk dus van het moment van uitkering. Als die periode langer dan drie jaar is, verjaart het regresrecht, nog voordat het is ontstaan.
Er zijn twee wegen om aan dat resultaat te ontsnappen. Ten eerste kan de regresnemer ook de verjaring van een in de toekomst te verkrijgen regresvordering stuiten. Die regres-vordering moet immers, zoals hiervoor werd geconstateerd,2 worden aangemerkt als een schadevergoedingsvordering in de zin van art. 3:310 BW en toekomstige schadevergoedingsvorderingen kan men stuiten.3 Een illustratie van deze oplossing biedt de volgende uitspraak van de Rechtbank Utrecht.4
Tussen partijen stond vast dat de uitkeringen door de zelfstandig verhaalsgerechtigden (het UWV en het ABP) zijn gedaan na het verstrijken van de driejaarstermijn van art. 10 WAM. De rechtbank overweegt:
"4.4. Als gevolg van het feit dat de WAM een korte verjaringstermijn kent, die bovendien reeds ingaat op het moment van het ongeval, doet zich bij toepasselijkheid van deze wet de reële mogelijkheid voor dat een vordering pas ontstaat na het verstrijken van de driejaarstermijn. Dit geldt met name in gevallen waarbij, zoals in casu, de mate van arbeidsongeschiktheid van het betrokken slachtoffer moet worden vastgesteld. De vraag rijst hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt van de WAM, dat de benadeelde een direct verhaalsrecht heeft jegens de betrokken WAM-verzekeraar. Specifiek met dit doel is immers krachtens de wettelijke regeling in de WAM aan de benadeelde de mogelijkheid gegeven om rechtstreeks een rechtsvordering tegen een WAM-verzekeraar (...) in te stellen.
4.5. Met voormeld uitgangspunt verdraagt zich niet dat de benadeelde uitkeringsinstantie in het geheel geen mogelijkheid zou hebben om terzake vorderingen die pas ontstaan na verloop van drie jaar na de ongevalsdatum, maar waarvan wel met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij zullen ontstaan wegens dat ongeval, direct verhaal te nemen op de desbetreffende verzekeraar. Niet gebleken is immers, dat de wetgever heeft bedoeld dat terzake dergelijke, niet dadelijk concrete, verhaalsvorderingen geen aanspraak op de verzekeraar mogelijk moet zijn. Integendeel, veeleer volgt uit de WAM dat ook aanspraken als in deze procedure aan de orde dienen te worden gerekend tot de rechtsvorderingen terzake waarvan een rechtstreekse aanspraak jegens de verzekeraar bestaat als bedoeld in artikel 1 WAM. Eisers kunnen in zoverre op één lijn worden gesteld met personen die schade hebben geleden in de zin van artikel 1 WAM.
4.6. Teneinde dergelijke aanspraken ook na het verstrijken van de driejaarstermijn nog liquide te kunnen maken, moet het in het systeem van de WAM mogelijk worden geacht, dat binnen die termijn de verjaring van de toekomstige vordering(en) kan worden gestuit. Het andersluidende standpunt van gedaagden stuit hierop af en wordt daarom verworpen. Gegeven het feit dat het toekomstige vorderingen betreft, mogen aan deze stuiting inhoudelijk overigens niet al te hoge eisen worden gesteld. Voldoende is dat men jegens de verzekeraar op voldoende duidelijke wijze kenbaar maakt dat men zich alle rechten voorbehoudt, alsmede dat het vorderingsrecht op dat moment voldoende aannemelijk is. Niet noodzakelijk is dat bij de aanvang van de onderhandelingen de schade reeds in volle omvang bekend of te verwachten is."
Ten tweede: hiervoor werd verdedigd dat stuiting van de verjaring door de rechtstreeks benadeelde tevens werkt ten behoeve van de regresnemer,5 zowel in geval van regres krachtens subrogatie als in geval van regres krachtens zelfstandig wettelijk recht. Neemt men dat inderdaad aan,6 dan voorkomt de stuiting door de direct benadeelde dat de regres-vordering nog voor zijn ontstaan is verjaard.