Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.5.4:2.5.4 Bijzonderheid drie: de gemeenschap als slachtoffer
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.5.4
2.5.4 Bijzonderheid drie: de gemeenschap als slachtoffer
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270082:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rede van 6 april 1929 van de toenmalig minister van Justitie Donner aan de Commissie Van den Dries.
Kamerstukken II 1955/1956, 4080, nr. 3, p. 12 en 24.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen in 1926 in de Vergadering der Nederlandsche Juristen-Vereeniging de vraag op kwam of het fiscale strafrecht aan rechtmatige eisen voldeed, moest deze vraag ontkennend beantwoord worden. Het feit dat het fiscale strafrecht in 1886, toen het commune strafrecht werd herzien niet was aangepast, had zijn sporen nagelaten in het nadeel van belastingplichtige en de rechtsbeschermende waarborgen die bij het strafrecht in acht moeten worden genomen.
De Commissie Van den Dries werd, zoals inmiddels bekend, aangenomen om alsnog te bezien hoe het fiscale strafrecht kon worden aangepast aan het commune strafrecht. In de poging om tot aanbevelingen tot herziening te komen, moest in dit verband rekening worden gehouden met een moeilijke tweestrijd op het gebied van de mate waarin de fiscaal fraudeur moest worden getroffen, bijvoorbeeld in vergelijking tot een ‘commune dader’. De tweestrijd waarmee de Commissie Van den Dries te maken had, ging daarmee dus deels ook over het slachtoffer van fiscale fraude, in de vorm van de gemeenschap, tegenover ‘het slachtoffer’ van commuun strafrechtelijke dader, veeleer een individu. Minister Donner schreef, in zijn aanstellingsbrief aan de commissie:
“Nu is de noodelooze gestrengheid ongetwijfeld verkeerd. Anderzijds echter dient men zich er rekenschap van te geven, dat de belangen tot welke bescherming het fiscaal strafrecht strekt, behoren tot de levensbelangen van den Staat, die niet kan blijven functioneren, wanneer hem het verschuldigde wordt onthouden. En men moet in dit verband ook denken aan de rechtmatige belangen der eerlijke belastingbetalers die onevenredig zwaar worden belast, wanneer anderen in den een of anderen vorm fraudeeren. In een fiscaal stelsel, dat, gelijk het onze, in zoo hooge mate berust op eigen aangifte, kan, gelijk de practijk leert, gestrengheid niet worden ontbeerd. Een der moeilijkheden, voor welke Uw Commissie bij de uitvoering van haar opdracht zal komen te staan, zal ongetwijfeld zijn deze: aan beide groepen van belangen, welke hier tegenover elkaar staan, gelijkelijk recht te doen wedervaren, dus enerzijds aan de hooge belangen welke het fiscaal strafrecht beoogt te beschermen, en anderzijds aan de belangen der belastingschuldigen, die niet onevenredig zwaar mogen worden belast of getroffen, zelfs in geval van vermoedelijk of vaststaande overtreding. Het zal Uw taak zijn te trachten hier tusschen het “te fiscaal” en het “te weinig fiscaal” den juisten middenweg te vinden.”1
Concreet moest de Commissie Van den Dries dus bezien in hoeverre het bijzondere slachtoffer van fiscale fraude reden vormde tot afwijking van het commune strafrecht. In algemene zin gold bij de herziening van het fiscale strafrecht door deze Commissie dat een middenweg moest worden gevonden tussen te fiscaal en te weinig fiscaal: overeenstemming met het strafrecht, terwijl het bijzondere karakter van het fiscale rechtshandhavingsrecht niet uit het oog verloren moest worden. Zoals bekend adviseerde de Commissie Van den Dries het fiscale strafrecht te handhaven en in te zetten voor de ernstigste gevallen van fiscale fraude. Gevangenisstraf kon dan ook aangewezen zijn. Daarbij werd niet in het bijzonder benadrukt dat extra gestrengheid noodzakelijk was, in verband met het bijzondere slachtoffer van fiscale fraude.
Het werk van de Commissie Van den Dries werd voortgezet door de Commissie Van den Berge. Toen deze commissie een voorstel voor de AWR gereed had, werd benadrukt dat de (hoogte van de) fiscale sancties gelegitimeerd werden door het gemeenschapsbelang. Gesteld werd, net als door Donner, dat de Staat door middel van belastingheffing beoogde zich geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig waren. In de MvT valt te lezen:
“Dat ervoor moet worden gewaakt dat de grote gemeenschapsbelangen, welke bij de belastingheffing zijn betrokken en welke krachtige bescherming door het strafrecht niet kunnen ontberen, geen nadeel ondervinden van een te ver doorgevoerde drang tot het scheppen van eenheid.”2
De toelichting bij de strafrechtelijke route in fiscale geschillen luidde destijds als volgt:
“De strafbaarstellingen in art. 68 en 69 AWR strekken er primair toe de schending of het in gevaar brengen van die gemeenschapsbelangen door niet-naleving van de belastingwetgeving tegen te gaan. Daarnaast worden ook de belangen van de eerlijke belastingbetalers beschermd. Belastingontduiking kan immers in de sfeer van het bedrijfsleven tot oneerlijke concurrentie leiden en meer in het algemeen tot verdere verzwaring van de belastingdruk. De strafbaarstellingen in art. 68 en 69 AWR strekken er mede toe deze gevolgen tegen te gaan.”3
Kortom: de band met het slachtoffer in fiscalibus is wezenlijk anders dan de band tussen het strafrechtelijke of bestuursrechtelijke slachtoffer, zonder dit laatste slachtoffer op deze plaats tekort te willen doen. Het slachtoffer in fiscale zin is per definitie anoniem, in die zin dat het eenieder van ons betreft. Het slachtoffer in strafrechtelijke of bestuursrechtelijke zin is vaker concreet aanwijsbaar, wat tot gevolg heeft dat de individuele schade – vanwege de directe link – in omvang makkelijker vast te stellen is.
In het verleden is dus betoogd dat het bijzondere slachtoffer in fiscale zin strafrechtelijke afdoening en daarbovenop eventueel nog een bepaalde gestrengheid legitimeert. Deze redenering past binnen een verzorgingsstaat als de onze, maar vooral ook in het in paragraaf 1.2.4. beschreven toegenomen fraudebestrijdingsdenken. Alhoewel over deze extra gestrengheid zeer verschillend gedacht kan worden (is het bijvoorbeeld niet veel erger om één individu te beroven, aangezien de fysieke integriteit van deze persoon dan wordt aangetast?), is een belangrijk onderdeel van de fiscale rechtshandhaving het grote belang dat ermee gepaard gaat (ofwel: het rechtsgoed dat beschermd wordt), namelijk het vullen van de schatkist ten behoeve van voorzieningen voor de gemeenschap en het voorkomen van een oneerlijke lastenverdeling, en ook van oneerlijke mededinging. Ten aanzien van die laatste twee geldt dat als een belastingplichtige door het niet naleven van de fiscale regelgeving te weinig belasting betaalt, niet alleen de schatkist, maar ook de eerlijke belastingbetaler daarvan het slachtoffer is. Op hem neemt de fiscale druk immers toe. In de mededingssfeer geldt hetzelfde. De ondernemer die de fiscale verplichtingen niet naleeft behaalt immers een ongeoorloofd concurrentieel voordeel ten aanzien van de eerlijke marktdeelnemer die zijn verplichtingen wel nakomt. Een bepaalde financiële, maar daardoor ook maatschappelijke, en collectieve solidariteit is kortom in het geding, wanneer fiscale fraude wordt gepleegd.
In het verlengde hiervan laat zich betogen dat de ernst van de gevolgen voor de maatschappij, een – althans gedeeltelijke – strafrechtelijke reactie ten aanzien van fiscale fraude rechtvaardigen. Daarbij dient voor nu te worden opgemerkt dat het strafrecht in deze benadering, als ultimum remedium wordt beschouwd. Op grond van deze gedachte dient, in het geval dit mogelijk is (subsidiariteit) en evenredig is in verhouding tot de ernst van het vergrijp (proportionaliteit), eerst voor bestuursrechtelijke handhaving te worden gekozen, omwille van het stigmatiserende effect van het strafrecht. Het is tegelijk ook dit stigmatiserende effect, dat het strafrecht in de meest ernstige gevallen de juiste afdoeningsmethodiek maakt, gezien de hiervoor genoemde op het spel staande collectieve belangen, die ingrijpen in het bestaan van onze moderne verzorgingsstaat.