De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/34:34 Pleidooi voor verder onderzoek
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/34
34 Pleidooi voor verder onderzoek
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370181:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Taussig & Barker 1925, p. 49. “If the corporation none the less has displaced the firm, it must be because it has some offsetting advantages: not only those of limited liability and legal simplicity, but of permanence and continuity, and the potentiality of vast capital and indefinite expansion.”
Taussig & Barker 1925, p. 49.
Taussig & Barker 1925, p. 50/51.
Taussig & Barker 1925, p. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Taussig en Barker achten desalniettemin verder onderzoek naar winstdelingen de moeite waard. Aan het begin van de twintigste eeuw ziet men de tendens dat personen steeds meer beloond worden op basis van hun efficiëntie, hun bijdrage aan productie. Aangenomen wordt nog steeds dat iemand die werkt voor zijn eigen onderneming in beginsel efficiënter te werk gaat, dan degene die op basis van een salaris wordt ingehuurd. Het feit dat de grote naamloze vennootschap met de bezoldigde bestuurder aan belang gewonnen heeft, wijst er echter op dat deze vorm toch bepaalde voordelen heeft die opwegen tegen bovengenoemd nadeel.1 De afwezigheid van het directe persoonlijke belang van de bezoldigde bestuurder blijven Taussig en Barker als een potentieel nadeel zien voor het welslagen van de onderneming.
“Does not the tantième system offer a middle course, combining the advantages of corporate organization with the stimulus of individual interest?”2
Ondanks de afwezigheid van een noodzaak om winstdelingen in te voeren, is het volgens Taussig en Barker goed te onderzoeken of er niet nog betere resultaten behaald kunnen worden als er een meer direct verband bestaat tussen de inkomsten van de bestuurder en het succes van de bestuurder. Is het immers niet mogelijk dat het gebruik van een vast salaris simpelweg voortkomt uit het vasthouden aan een gewoonte in plaats van dat het de resultante is van een nauwkeurig afwegingsproces van de alternatieven?3
Volgens Taussig en Barker is een vorm van winstdeling niet zozeer nodig voor de grote beursgenoteerde ondernemingen, maar kan het wellicht van pas komen voor de middelgrote ondernemingen.
“They cannot command the services of the outstanding business leaders, the rare few who have an unquestionable genius for organization and management. They must be content with intelligent, solid, prudent executives, who in the main follow those in the foremost rank. Might they not follow faster, be more on their toes, if there were a clear, immediate relation between their earnings and the net earnings of their concerns? A strong sense of duty and a pride in performance are not inconsistent with a lively interest in one’s own advancement. Is it clear that our practice of a long-postponed and uncertain adjustment of salaries to results is better than the more direct relation that prevails on the Continent?”4