Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/29
29 Europa
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367817:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
“In essentials the tantieme system seems to be the same throughout the Continent. It is found not only in Germany, but in Austria, the Scandinavian countries, Holland. It is equally prevalent in France, Belgium, Italy.” Taussig & Barker 1925, p. 45.
Daarbij dient te worden opgemerkt dat de ‘corporate organization’ in die tijd nog niet zo wijdvertakt was in het Verenigd Koninkrijk, als bijvoorbeeld in Duitsland of de Verenigde Staten. Ook leefde de studie Economie in mindere mate in Engeland, dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Duitsland. De banden tussen de auteurs in de Verenigde Staten en Duitsland waren dan ook beter dan de banden tussen de auteurs van de Verenigde Staten en Engeland. Zie Coats 1961, p. 191-194.
De naam tantième komt uit het Frans en betekent letterlijk ‘het zoveelste deel’.
Zie onder andere Ely e.a. 1926, p. 462.
Zie Burritt e.a. 1918, p. 124; Zie ook Ely e.a. 1926, p. 462.
In dat geval zou de visie op de bezoldiging van bestuurders van oorsprong meer in lijn liggen met de visie van Taussig e.a., namelijk dat de winst analoog is aan lonen.
Aangezien de bestuurder zijn meeste inkomsten verwierf door zijn aandeelhouderschap ligt het niet voor de hand dat het gebruik van tantièmes oorspronkelijk primair bedoeld was voor het motiveren van de bestuurder om zich in te spannen voor de onderneming.
“Naturally, it is larger for a great concern than for a small one; larger, too, where special equipment or capacity is required. But it is deliberately kept at a modest figure. It is a sort of guaranteed minimum for the particular kind of work.” Taussig & Barker 1925, p. 44.
Taussig & Barker 1925, p. 45.
“If the concern is highly profitable, the executive not merely earns a living, but ‘makes money’.” Taussig & Barker 1925, p. 44.
Denk bijvoorbeeld aan de vicepresidenten binnen de onderneming.
De raad van commissarissen ontving vaak 5%. Steinitzer windt zich op over het feit dat er naast de bestuurders ook vele andere personen zijn die, zonder enige noemenswaardige inspanning, tantièmes toegeschoven krijgen. Zie Steinitzer 1908, p. 138 e.v.
Het was gebruikelijk rond de 5% van de nettowinst toe te kennen aan de bestuurder(s).
Aangezien voorheen nog wel onduidelijkheid bestond over het bedrag waarover de tantièmes dienden te worden berekend, werd in Duitsland in 1897 voor het eerst een regeling opgenomen over de bezoldiging van bestuurders. In § 237 HGB werd bepaald dat het tantième van het bestuur berekend diende te worden op basis van de nettowinst nadat alle afschrijvingen en reserves zijn verrekend.
Taussig & Barker 1925, p. 42/43.
Op het Europese continent bestaat al geruime tijd de praktijk bestuurders te bezoldigen zowel met een vast salaris als winstdelingen: de zogenaamde tantièmes. Ondanks de heersende leer dat aandeelhouders in theorie gerechtigd zijn tot de winst, wordt aan de bestuurders in de praktijk dus in de regel een deel van de winst toegekend.
Het toekennen van tantièmes komt overal voor in Europa.1 Op het continent worden tantièmes uitgekeerd zowel bij de industriële ondernemingen als bij banken en verzekeringsmaatschappijen. In het Verenigd Koninkrijk ziet men het gebruik van tantièmes niet zozeer bij deze laatste groep, maar neemt bij de industriële ondernemingen een vorm van winstdeling analoog aan de tantièmes van het vaste land een aanzienlijke vlucht.2
Onduidelijk is waar het gebruik van tantièmes in Europa precies zijn oorsprong heeft.3 Informele vormen van winstdelingen zijn erg oud. De Franse econoom en staatsman Anne-Robert-Jacques Turgot die in dezelfde tijd leefde als Adam Smith schreef als een van de eerste auteurs over de theorie van het delen van de winst.4 In de literatuur wordt verder verwezen naar de ondernemer Leclaire uit Parijs, die vanaf 1842 als eerste werkgever systematisch gebruik is gaan maken van het bezoldigen met tantièmes, niet alleen van de besturende partners, maar ook van de werknemers.5
Leclaire had halverwege de 19e eeuw een schildersbedrijf. Op 15 februari 1842 openbaarde Leclaire een door hem opgesteld plan om de winsten van zijn onderneming te delen met zijn werknemers. In het begin kreeg het plan veel weerstand omdat de werknemers wantrouwig waren. Iedere vorm van wantrouwen verdween toen Leclaire aan het einde van het eerste jaar alle vierenveertig participanten verzamelde, op tafel een zak met elfduizend achthonderd en achtenzestig gouden francs gooide en ieder zijn deel uitbetaalde. Ieder deel was gebaseerd op het loon dat ieder dat jaar verdiend had. Daarbij zij opgemerkt dat de lonen die Leclaire betaalde, ook zonder de eventuele tantième aan het einde van het jaar, even hoog of zelfs hoger waren dan die gemiddeld betaald werden voor dezelfde functies in Parijs.
Waarom het bezoldigen met tantièmes zo wijdverbreid is geraakt over heel Europa, is niet duidelijk. De achterliggende reden voor het bezoldigen van bestuurders met tantièmes blijft daardoor giswerk. Mogelijkerwijs ziet men het tantième als een soort extra dividend voor de actieve vennoot.6 Het tantième ontvangt de bestuurder/ aandeelhouder voor zijn aandeel in het bestuur. Het dividend ontvangt de bestuurder/aandeelhouder voor zijn aandeel in de onderneming. Aangezien de actieve vennoot van oudsher vaak de (financiële) verantwoordelijkheid draagt voor het onderhouden van de familie, ontvangt hij naast een tantième een minimaal vast bedrag om in de basisbehoeften van de familie te kunnen voorzien. Ook kan het zijn dat de vennoten weinig financieel risico willen lopen door een hoog vast salaris vast te stellen voor de bestuurder en in plaats daarvan de inkomsten voor de inspanningen van de bestuurder – op dezelfde wijze als bijvoorbeeld de oogst bij boeren – af te laten hangen van de winst.7
De praktijk van het belonen met een beperkt vast salaris en tantièmes blijft men ook onder de veranderende omstandigheden in de 20e eeuw voortzetten. De bestuurders die niet via familiebanden een positie in het bestuur hebben verworven, worden in Europa zowel met een vast salaris als met tantièmes bezoldigd.
Het vaste salaris van de bestuurders in Europa is, conform Amerikaanse maatstaven, bescheiden en moet meer gezien worden als een gegarandeerd minimum voor het type werk dat de bestuurder verricht.8 Het dient voldoende te bedragen:
“as to enable a man to live decently according to the standard of the social stratum to which he presumably belongs.”9
Bovenop het vaste salaris komen vervolgens de (voorwaardelijke) tantièmes, die aanzienlijk kunnen zijn.10
Bij de grotere ondernemingen krijgt niet alleen de ‘bestuursvoorzitter’ tantièmes, maar delen ook andere personen met een hoge functie binnen de onderneming mee in de winst.11 Daarnaast ontvangt – indien aanwezig – ook de raad van commissarissen tantièmes, die hij mag verdelen onder zijn leden.12
Het tantième bedraagt in de regel een percentage van de nettowinst van de onderneming.13 Deze nettowinst bestaat uit het bedrag dat overblijft nadat alle operationele kosten betaald zijn (inclusief de rente op geleend kapitaal).14 Een typische verdeling ziet er als volgt uit: van de nettowinst (i) komt een deel ten goede aan de reserves van de onderneming (meestal totdat de reserves 10% van het totale kapitaal bedragen), (ii) wordt een dividend van (circa) vier procent uitgekeerd aan de aandeelhouders, (iii) wordt vijf procent van de overgebleven winst als tantième uitgekeerd aan de bestuurder of bestuurders, (iv) wordt een andere vijf procent uitgekeerd als tantième aan de raad van commissarissen en (v) wordt de rest ten slotte uitgekeerd aan de aandeelhouders als ‘superdividend’.15