Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/X.8.4
X.8.4 Wijziging van de schuldeisersbegunstiging
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358794:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
In geval van een ‘bankbegunstiging’ geeft de leninggever door de afstand van zijn rechten uit de begunstiging een stuk van zijn zekerheid kwijt. Hij doet immers volledig afstand van zijn begunstiging, zodat ook andere vorderingen dan de vordering uit de hypothecaire lening niet meer door de begunstiging zijn gedekt. Het is echter ook mogelijk dat de leninggever slechts gedeeltelijk afstand doet van zijn rechten uit de begunstiging, namelijk voor zover de begunstiging betrekking heeft op de gecedeerde hypothecaire vordering. De cessionaris wordt in dat geval naast de leninggever als eerste begunstigde aangewezen. De verzekeringsuitkering zou in dat geval pro rata tussen de leninggever en de cessionaris/pandhouder dienen te worden verdeeld, tenzij bij de gedeeltelijke afstand een achterstelling van de leninggever is overeengekomen, in die zin dat de verzekeraar slechts gehouden zal zijn een bedrag uit te keren aan de leninggever, indien er nog iets van de verzekeringsuitkering overblijft nadat de cessionaris/pandhouder een bedrag daarvan heeft ontvangen gelijk aan het bedrag dat op dat moment nog verschuldigd is onder de hypothecaire lening. De facto wordt daarmee een resultaat bereikt als ware de leninggever slechts tweede begunstigde.
Vgl. art. 7:969 lid 3 BW en NvW, TK 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 47.
In geval van levenhypotheken is de leningnemer vaak vrij in zijn keuze voor een bepaalde verzekeraar, zodat de verzekeringen kunnen zijn afgesloten met talloze verzekeringsmaatschappijen.
In deze zin: Ophof 1999, p. 82-84.
Betoogd zou kunnen worden dat het feit dat de afstand geen effect sorteert, niet tot gevolg heeft dat ook aan de aanwijzing van de cessionaris als begunstigde geen werking zou toekomen. Het is verdedigbaar dat de aanwijzing van de cessionaris als begunstigde geldig is, mits aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan (zie hierna).
Het is op zichzelf mogelijk om twee of meer begunstigden gelijktijdig en met gelijke rang, aan te wijzen. Uitgangspunt is dan dat de aanwijzing voor gelijke delen heeft plaatsgevonden. Zie art. 6:15 lid 1 BW, alsmede MvT, TK 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 37. Aangezien zowel de begunstiging van de leninggever, als de begunstiging van de cessionaris schuldeisersbegunstigingen zijn, brengt een redelijke uitleg van beide begunstigingen naar mijn mening met zich dat de uitkering dient te geschieden naar rato van ieders vordering. Zoals hiervoor vermeld (zie noot 238), zou ook een achterstelling van de rechten van de leninggever overeengekomen kunnen worden.
In dezelfde zin: W. Snijders 1992, p. 387.
Zie Rongen 2002b, p. 278 e.v.
Deze benadering is naar mijn mening ook het meest in overeenstemming met art. 7:969 lid 3 BW, dat bepaalt dat de begunstigde derde de aanvaarding van zijn aanwijzing als begunstigde ongedaan maakt door afstand te doen van zijn recht op uitkering. De afstand impliceert dan tevens de afwijzing van de aanwijzing. De wetgever heeft hiermee zeker willen stellen dat de verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat hij als gevolg van de afstand van elke betalingsverplichting is bevrijd. Na de afstand komen de opvolgende begunstigde of de (erfgenamen van de) verzekeringnemer voor de uitkering in aanmerking. Zie NvW, TK 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 47. De verzekeraar moet er na de afstand op kunnen vertrouwen dat hij bevrijdend kan betalen aan de opvolgende begunstigde. In de opvatting dat de afstand eerst effect sorteert, indien de verzekering opeisbaar wordt, zou de verzekeraar op dat moment nog moeten nagaan of de oorspronkelijke begunstigde niet in staat van faillissement verkeert. Doet hij dat niet dan loopt hij het risico door de faillissementscurator van de oorspronkelijke begunstigde tot betaling te worden aangesproken. Dat is een onwenselijke situatie en lijkt ook niet door de wetgever te zijn gewild.
Zie nr. 999.
In geval van een verpanding van de hypothecaire vordering geldt dit uiteraard niet.
Indien de begunstiging enkel geldt voor de vordering uit hoofde van de hypothecaire lening – en niet voor alle andere vorderingen uit welken hoofde ook –, vervalt de begunstiging als gevolg van de cessie.
In geval van een bankbegunstiging – begunstiging ter zake van al hetgeen de leninggever uit welken hoofde ook te vorderen heeft – blijft de vraag naar de tegenwerpelijkheid van de afstand in het faillissement van de leninggever daarentegen wel van belang. De cessionaris zal immers willen voorkomen dat de verzekeringsuitkering in eerste instantie geheel of gedeeltelijk moet worden betaald aan de faillissementscurator van de leninggever ter zake van hetgeen de leninggever nog van de schuldenaar te vorderen heeft.
De rechten van de verzekeringnemer uit de verzekeringsovereenkomst kunnen slechts gezamenlijk worden geleverd en verpand. Indien het vorderingsrechten betreft (zoals het recht op uitkering), kunnen deze afzonderlijk worden geleverd en verpand, voor zover uit de wet of de overeenkomst niet anders volgt. Zie de artikelen (3:98 jo) 7:970 en 971 BW, alsmede Mijnssen 2007, nrs. 36 en 37.2 en Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nrs. 562 e.v.
Het pandrecht op de rechten uit de polis gaat dan mede de vordering van de verzekeringnemer/begunstigde op de verzekeraar omvatten. De pandhouder kan deze vordering innen (art. 3:246 BW).
Deze bepaling is van dwingend recht, zie art. 7:974 BW.
Bovendien geldt dat een beding opgenomen in algemene voorwaarden dat bepaalt dat een volmacht onherroepelijk is, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn als bedoeld in art. 6:233 (a) BW (zie art. 6:237 (n) BW). Een vernietiging van het beding door de verzekeringnemer/schuldenaar op grond van art. 6:233 (a) BW tast enkel de onherroepelijkheid van de volmacht aan, niet de volmacht zelf. De krachtens de volmacht reeds verrichte rechtshandelingen blijven zodoende rechtsgeldig.
Gebruikelijk zijn clausules waarin achtereenvolgens de volgende begunstigden worden aangewezen: 1) de verzekeringnemer, 2) de echtgenoot van de verzekeringnemer, 3) de kinderen van de verzekeringnemer en 4) de erfgenamen van de verzekeringnemer. In geval van een levensverzekering die verbonden is aan een hypothecaire lening wordt de leninggever als eerste begunstigde aangewezen.
Deze uitleg is naar mijn mening ook het meest in overeenstemming met de standaard in de polisvoorwaarden voorkomende clausule inhoudende dat de verzekeringnemer bevoegd is een aanwijzing van een begunstigde altijd te wijzigen, tenzij de begunstiging is aanvaard of de uitkering opeisbaar is geworden, zonder dat daarbij iets wordt bepaald met betrekking tot de positie van hoger genummerde begunstigden.
Er is naar mijn mening geen valide reden om aan te nemen dat voor deze situatie iets anders zou gelden dan voor het geval waarin een nog niet aanvaarde begunstiging door de verzekeringnemer wordt gewijzigd.
Pas als ten tijde van het opeisbaar worden van de verzekeringsuitkering vaststaat dat de verzekeringnemer niet een ander als eerste begunstigde heeft aangewezen, zal de als subsidiair begunstigde aangewezen persoon aanspraak kunnen maken op de uitkering.
In de praktijk geschiedt de aanvaarding van de begunstiging meestal pas nadat de verzekeringsuitkering opeisbaar is geworden als gevolg van het overlijden van de verzekerde of het bereiken van de einddatum van de verzekering.
Zie in verband met de problematiek van de overgang van bank- en kredietzekerheden: hoofdstuk XI.
Zie hiervoor: nr. 1001.
1002. Afstand van de bestaande schuldeisersbegunstiging door de cedent en aanwijzing van de cessionaris als de nieuwe begunstigde. Een andere mogelijkheid om de schuldeisersbegunstiging ten goede te laten komen aan de cessionaris, is de wijziging van de begunstiging van de leninggever/cedent in een begunstiging van de cessionaris. Daartoe moet de leninggever/cedent afstand doen van zijn rechten uit de begunstiging, waarna de cessionaris wordt aangewezen als de nieuwe eerste begunstigde van de verzekeringsuitkering.1 Door de aanvaarding van de begunstiging treedt de cessionaris toe tot de verzekeringsovereenkomst (zie art. 6:254 lid 1 BW).
Ook aan deze constructie kleeft echter een aantal bezwaren en onzekerheden. Voor de afstand van de vordering uit de begunstiging is een overeenkomst vereist tussen de leninggever/cedent in zijn hoedanigheid van begunstigde en de verzekeraar (art. 6:160 BW).2 De verzekeraar dient daarom aan de afstand zijn medewerking te verlenen. In het geval de verzekeraar een groepsmaatschappij van de leninggever is of de leninggever anderszins een samenwerkingsverband met de verzekeraar heeft (zoals bij spaarhypotheken), is deze medewerking over het algemeen wel te verkrijgen. In andere gevallen kan het feit dat de medewerking van de verzekeraar vereist is op praktische en commerciële bezwaren stuiten. De leninggever zal het vermoedelijk niet opportuun vinden om de verzekeraars van meet af aan van de cessie van de onderliggende hypothecaire vorderingen op de hoogte te brengen en hen daarbij te betrekken. Daarbij komt dat het bij bulkcessies vanuit een administratief en logistiek oogpunt bezwaarlijk kan zijn om te achterhalen bij welke verzekeraars de verzekeringen zijn afgesloten.3
1003. Afstand en faillissement van de leninggever/cedent. Ook in juridisch opzicht roept de wijziging van de begunstiging een aantal vragen op. Zoals vermeld moet de vordering uit de begunstiging mogelijk worden aangemerkt als een toekomstige vordering die eerst ontstaat indien de verzekeringsuitkering opeisbaar wordt. De eerste vraag die dan rijst, is of voor een afstand bij voorbaat van een toekomstige vordering hetzelfde geldt als voor een cessie of een verpanding bij voorbaat, te weten dat een afstand van een toekomstige vordering die pas tijdens het faillissement van de schuldeiser ontstaat de boedel niet kan worden tegengeworpen (vgl. art. 23, 35 lid 2 Fw). Men zou immers de afstand van een toekomstige vordering, naar analogie met een cessie of een verpanding bij voorbaat, kunnen beschouwen als een afstand onder de opschortende voorwaarde van het ontstaan van de vordering. Vervolgens zou men kunnen menen dat voor een geldige afstand vereist is dat de schuldeiser op dat moment nog beschikkingsbevoegd moet zijn.
Indien de vraag bevestigend moet worden beantwoord,4 heeft dit mogelijk tot gevolg, dat als de verzekeringsuitkering opeisbaar wordt tijdens het faillissement van de leninggever/cedent, de aanwijzing van de cessionaris als de nieuwe eerste begunstigde niet rechtsgeldig is. De afstand door de leninggever van zijn begunstiging sorteert immers geen effect, zodat de leninggever nog steeds eerste begunstigde is. Men zou kunnen menen dat de geldigheid van de afstand naar de bedoeling van partijen een (impliciete) voorwaarde is voor een rechtsgeldige begunstiging van de cessionaris. In het beste geval zou de cessionaris eerste begunstigde kunnen zijn naast de leninggever/cedent.5 De verzekeringsuitkering zou dan tussen de cessionaris en de leninggever/cedent moeten worden verdeeld naar rato van ieders vordering op de schuldenaar.6
Naar mijn mening kan de vraag evenwel ontkennend worden beantwoord. De afstand bij voorbaat van een toekomstige vordering heeft mijns inziens tot gevolg dat de vordering nooit zal ontstaan.7 In feite is er geen sprake van een afstand als bedoeld in art. 6:160 BW – strikt genomen kan immers alleen afstand worden gedaan van een bestaande vordering –, maar van een liberatoire overeenkomst waarbij de verzekeraar wordt ontheven van zijn toekomstige verplichting uit de begunstiging van de leninggever. Aan een (analoge) toepassing van art. 23 of 35 lid 2 Fw komt men dan niet toe; de vordering uit de begunstiging van de leninggever/cedent zal immers nooit tot diens vermogen gaan behoren.8, 9
Opgemerkt zij dat de hier behandelde vraag voor de cessionaris van minder belang is, indien de schuldeisersbegunstiging van de leninggever zo zou moeten worden uitgelegd dat zij beperkt is tot het bedrag dat de leninggever ten tijde van het opeisbaar worden van de verzekering van de schuldenaar kan vorderen.10 In deze uitleg van de begunstiging wordt het bedrag dat de leninggever/cedent van de verzekeraar zou kunnen vorderen als gevolg van de cessie vanzelf verminderd met het bedrag van de hypothecaire vordering.11 , 12 Wel blijft het van belang dat de cessionaris als de nieuwe begunstigde van de verzekeringsuitkering wordt aangewezen.13
1004. Grondslag en geldigheid van de aanwijzing van de cessionaris als begunstigde. Op de tweede plaats kan in de praktijk de vraag rijzen of de aanwijzing door de leninggever van de cessionaris als begunstigde wel geldig kan geschieden. Voor de aanwijzing van de cessionaris als begunstigde is in beginsel namelijk de medewerking vereist van de verzekeringnemer (die meestal ook de schuldenaar onder de hypothecaire lening is). Het is de verzekeringnemer aan wie op grond van de verzekeringsovereenkomst het recht toekomt ombegunstigden aan tewijzen (zie art. 7:966 lid 1 BW).Hoewel de verzekeringnemer over het algemeen zijn rechten uit de verzekeringsovereenkomst aan de leninggever zal hebben verpand,14 geeft dit pandrecht de leninggever/cedent niet de bevoegdheid de begunstiging te wijzigen ten behoeve van de cessionaris. De pandhouder is op grond van de wet enkel bevoegd de bestaande begunstiging ten behoeve van de verzekeringnemer te wijzigen, mits de begunstiging nog niet onherroepelijk is (zie art. 7:984 lid 1 jo 968 BW).15
In de praktijk is het echter gebruikelijk om in de pandakte ten gunste van de leninggever/pandhouder een (onherroepelijke) volmacht op te nemen op grond waarvan de pandhouder bevoegd is om namens de verzekeringnemer/pandgever begunstigden aan te wijzen. De vraag die dan in een concreet geval kan rijzen, is of er wellicht sprake is van een eenmalige volmacht die is uitgewerkt nadat de leninggever zichzelf als begunstigde heeft aangewezen. Bovendien kan de aanvaarding door de cessionaris van zijn aanwijzing als begunstigde slechts geschieden met schriftelijke toestemming van de verzekeringnemer, tenzij de begunstiging reeds onheroepelijk is (zie art. 7:969 lid 1, tweede zin, BW).16 Mij is vanuit de praktijk bekend dat het niet altijd duidelijk is of de volmacht de leninggever tevens de bevoegdheid geeft om deze toestemming namens de verzekeringnemer te geven.17
1005. Rang van de begunstiging van de cessionaris. Voorts bepaalt art. 7:972 BW dat de verzekeringnemer zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, waaronder het recht om begunstigden aan te wijzen, slechts kan uitoefenen met schriftelijke toestemming van (a) degene die eerder als begunstigde is aangewezen, wanneer diens aanwijzing als begunstigde volgens art. 7:968 BW onherroepelijk is en (b) de beperkt gerechtigde, wanneer een beperkt recht is gevestigd (pandrecht, vruchtgebruik) op de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten of op het recht op uitkering (lid 1). Dit toestemmingsvereiste geldt niet, indien de uitoefening van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten niet leidt tot een wijziging van de rechtspositie van de begunstigde of de beperkt gerechtigde (lid 2).
Het bepaalde in art. 7:972 BW geldt ook indien de leninggever de bestaande begunstiging wil wijzigen op grond van de hem door de verzekeringnemer verleende volmacht.
De vraag rijst of de cessionaris zonder meer in plaats van de leninggever/cedent als eerste begunstigde kan worden aangewezen, dusdanig dat de wijziging van de begunstiging ook aan de subsidiair aangewezen begunstigden kan worden tegengeworpen. Mogelijk moet worden aangenomen dat als gevolg van de afstand door de leninggever van zijn begunstiging, de hoger genummerde begunstigden, ongeacht of zij hun begunstiging hebben aanvaard, in rang opschuiven en dat de cessionaris in beginsel de laagste rang inneemt.18 In dat geval zou de cessionaris slechts als eerste begunstigde kunnen worden aangewezen, indien de hoger genummerde begunstigingen, voor zover zij nog niet aanvaard zijn, worden herroepen of, voor zover zij wel al aanvaard zijn, de betreffende begunstigden instemming verlenen met de wijziging van de begunstiging.
Het antwoord zal moeten worden gevonden aan de hand van uitleg van de begunstigingsclausule in de polis. Tenzij duidelijk van deze bedoeling blijkt – wat in de regel niet zo zal zijn –, ligt mijns inziens een uitleg waarbij de subsidiair gerangschikte begunstigden als gevolg van de afstand door de leninggever in rang opschuiven, niet voor de hand. Naar mijn mening moet de aanwijzing als subsidiair begunstigde in de regel zo worden begrepen, dat de begunstigde slechts aanspraak kan maken op de verzekeringsuitkering, indien op het moment van het opeisbaar worden van de uitkering blijkt dat een hoger gerangschikte begunstigde ontbreekt of de uitkering weigert. De verzekeringnemer zal, zo mag worden aangenomen, de bevoegdheid willen hebben om op elk gewenst moment de eerste begunstiging – zolang deze niet is aanvaard – te wijzigen in een eerste begunstiging ten behoeve van een ander, ongeacht of een meer subsidiair aangewezen begunstigde zijn aanwijzing al wel heeft aanvaard.19 Eveneens mag worden aangenomen dat de verzekeringnemer bevoegd is om een nieuwe eerste begunstigde aan te wijzen, nadat de oorspronkelijke eerste begunstigde (i.c. de leninggever) afstand heeft gedaan van zijn eerder al aanvaarde begunstiging.20 Indien de als eerste aangewezen begunstigde zijn aanwijzing afwijst of afstand doet van zijn eerder aanvaarde begunstiging, schuiven de subsidiair gerangschikte begunstigden dus niet automatisch in rang op.21 Zij mogen immers slechts verwachten aanspraak te kunnen maken op de uitkering, indien een hoger gerangschikte begunstigde ontbreekt. De verzekeringnemer kan, indien hij dat wenst, een ander als eerste begunstigde aanwijzen. Het doet niet ter zake dat degene die ten tijde van het opeisbaar worden van de uitkering als eerste begunstigde is aangewezen, iemand anders is dan degene die aanvankelijk eerste begunstigde was. In deze uitleg van de begunstigingsclausule leidt de aanwijzing van de cessionaris als eerste begunstigde niet tot een wijziging van de rechtspositie van de hoger genummerde begunstigden, zodat hun toestemming niet vereist is resp. deze begunstigingen niet behoeven te worden herroepen (zie art. 7:968 lid 2 BW).
Indien de hier verdedigde uitleg van de begunstigingsclausule zou moeten worden afgewezen en in plaats daarvan zou moeten worden aangenomen dat de afstand door de leninggever/cedent van zijn begunstiging zonder meer impliceert dat de subsidiair aangewezen begunstigden in rang opschuiven, dan hoeft dit in veel gevallen nog niet een onoverkomelijk probleem te zijn. In geval van een nog lopende levensverzekering zullen de begunstigingen van de na de leninggever komende begunstigden in de meeste gevallen nog herroepelijk zijn, omdat deze begunstigingen nog niet zijn aanvaard (zie art. 7:968 BW).22 Deze begunstigingen kunnen dan worden herroepen, waarna de cessionaris als de nieuwe eerste begunstigde kan worden aangewezen en de oorspronkelijke begunstigden als de opvolgende begunstigden. Ook voor de herroeping of wijziging van een begunstiging geldt echter dat de leninggever daartoe slechts bevoegd is, indien hij een daartoe strekkende volmacht van de verzekeringnemer heeft verkregen. In de praktijk kan in dit verband de vraag rijzen of de volmacht die aan de leninggever is verstrekt om begunstigden aan te wijzen tevens de bevoegdheid omvat om bestaande begunstigingen te herroepen of wijzigen.
Het risico wordt voorts tot op zekere hoogte ondervangen door het pandrecht dat de verzekeringnemer/schuldenaar aan de leninggever/cedent heeft verleend op de rechten uit de verzekering (zie hierna).
1005a. Vangnet: het pandrecht op de rechten uit de polis. Het risico dat de cessionaris om een van de hiervoor genoemde redenen niet rechtsgeldig als de nieuwe eerste begunstigde kan worden aangewezen, wordt tot op zekere hoogte ondervangen door het pandrecht op de rechten uit de verzekering. De rechten uit de verzekering, waaronder het recht op de uitkering, worden door de verzekeringnemer/schuldenaar tot meerdere zekerheid van de hypothecaire lening aan de leninggever/cedent verpand, van welk pandrecht de verzekeraar mededeling is gedaan. Indien de aanwijzing van de cessionaris als de nieuwe eerste begunstigde niet rechtsgeldig is, maar de afstand door de leninggever/cedent van zijn rechten uit de begunstiging wel, dan zal in de meeste gevallen de verzekeringnemer/schuldenaar de eerste begunstigde voor de uitkering zijn. Het recht op de verzekeringsuitkering valt dan onder het pandrecht dat als gevolg van de cessie van de hypotheekvordering geheel of gedeeltelijk op de cessionaris is overgegaan.23 De cessionaris kan dan de uitkering bij de verzekeraar innen in zijn hoedanigheid van pandhouder. Het risico bestaat echter dat de vordering uit de begunstiging mogelijk als een toekomstige vordering moet worden aangemerkt die eerst ontstaat indien de verzekeringsuitkering opeisbaar is geworden.24 In dat geval kan de verpanding van het recht op de uitkering in het faillissement van de verzekeringnemer/schuldenaar de boedel niet worden tegengeworpen en komt er geen pandrecht op het recht tot uitkering tot stand (art. 35 lid 2 Fw).