Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/1.1:1.1 Over informatie en vertrouwen
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/1.1
1.1 Over informatie en vertrouwen
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504893:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De casus is ontleend aan Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727 (Principebesluit Zwijndrecht) en wordt vereenvoudigd weergegeven.
Zie hierover paragraaf 8.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op een koude zondag in december 2003 wordt een woning in Zwijndrecht volledig in de as gelegd door een brand. De eigenaar wil de woning herbouwen, en wendt zich hiertoe tot de gemeente. De gemeente verstrekt hem vervolgens informatie over de mogelijkheden van herbouw op grond van het geldende bestemmingsplan. Volgens de gemeente kan de woning geheel worden herbouwd volgens artikel 29 van de bestemmingsplanvoorschriften. De gemeente zendt deze voorschriften ook aan de eigenaar toe. Enige tijd later dient de eigenaar een principeverzoek in dat ertoe strekt te vernemen of een concreet bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De gemeente constateert bij de beoordeling van het verzoek dat dit niet zo is: het bouwplan is namelijk in strijd met het bestemmingsplan. In eerste instantie deelt zij daarom aan de eigenaar mede dat een procedure tot verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan moet worden gevolgd. De eigenaar is het hier niet mee eens en neemt daarover contact op met de gemeente. Een week later dient hij een gewijzigd bouwplan in. Naar aanleiding hiervan schrijft de gemeente in een principebesluit aan de eigenaar dat het (gewijzigde) bouwplan nog steeds in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat het volgen van een vrijstellingsprocedure – bij nader inzien – toch niet noodzakelijk is.
De eigenaar dient hierop een formele aanvraag om reguliere bouwvergunning in bij het college, die in behandeling wordt genomen. Na de beoordeling van deze aanvraag komt de gemeente terug van haar standpunt in het principebesluit, en deelt zij aan de eigenaar mede dat toch wél een vrijstellingsprocedure moet worden doorlopen, omdat het bouwplan voor de nieuwe woning niet overeenkomt met de teloorgegane woning. De eigenaar protesteert hiertegen, maar doet dat tevergeefs. De vrijstellingsprocedure wordt met goed gevolg doorlopen en uiteindelijk wordt een bouwvergunning en vrijstelling van het bestemmingsplan voor de bouw van de woning verleend. Nu zou men kunnen zeggen, beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, maar de eigenaar denkt daar anders over. Hij is ontevreden over het optreden van de gemeente. De gemeente heeft hem namelijk – achteraf ten onrechte – voorgehouden dat de woning kon worden herbouwd zonder dat een vrijstellingsprocedure moest worden doorlopen, en is hiervan teruggekomen toen hij eenmaal een formele aanvraag had ingediend. Volgens de eigenaar is hierdoor vertraging ontstaan bij de bouw van de woning. Hij stelt de gemeente aansprakelijk voor de vertragingsschade die hij heeft geleden doordat de gemeente onjuiste informatie aan hem heeft verstrekt.1
Het is alleszins voorstelbaar dat de burger, die onjuist is geïnformeerd door de overheid, probeert om zijn schade af te wentelen op die overheid. Zij heeft hem immers onjuist geïnformeerd, en hij heeft ten gevolge daarvan schade geleden. Hiermee is echter niet gezegd dat alle schade als gevolg van onjuiste informatieverstrekking steeds voor vergoeding in aanmerking komt. Het uitgangspunt is immers dat eenieder zijn eigen schade draagt, en dit uitgangspunt geldt ook voor schade in verband met overheidshandelen. Een ander uitgangspunt is dat de burger primair een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot zijn kennis van het recht, en die eigen verantwoordelijkheid blijft in beginsel ook gelden als hierover informatie wordt opgevraagd bij de overheid. Deze uitgangspunten worden alleen opzijgezet als daarvoor goede gronden bestaan. Zijn dergelijke gronden nu aanwezig in de hiervoor geschetste casus?
Mocht de eigenaar ervan uitgaan dat de gemeente, die aanvankelijk stelde dat een vrijstellingsprocedure moest worden gevolgd, het in tweede instantie bij het rechte eind had, toen zij mededeelde dat toch geen vrijstellingsprocedure behoefde te worden doorlopen? Of moest de eigenaar twijfelen aan de juistheid van deze mededeling, omdat de gemeente eerder iets anders had medegedeeld en van mening was veranderd nadat de eigenaar had gezegd dat hij het daarmee niet eens was? Is hierbij van belang dat de bestemmingsplanvoorschriften door de gemeente ter beschikking zijn gesteld aan de eigenaar, zodat hij zich ook zelf een beeld kon vormen van de mogelijkheid van herbouw en zo in staat was om de juistheid van de gemeentelijke mededelingen te controleren? Speelt een rol dat de eigenaar architect van beroep was, en het bouwplan zelf had opgesteld? Mag een architect bijvoorbeeld geacht worden te beschikken over kennis en kunde met betrekking tot een bestemmingsplanregeling, zodat hij uit eigen beweging had behoren te onderkennen dat het bouwplan – anders dan de gemeente hem voorhield – wel degelijk in strijd was met het bestemmingsplan? En is hierbij, ten slotte, relevant dat het ging om een woning met een waarde van circa een miljoen euro, zodat wellicht extra zorgvuldigheid van de kant van de burger geboden was?
Het zal blijken dat al deze gezichtspunten inderdaad relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of de overheid aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie aan de burger.2