Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.2.1.a
II.2.1.a De aanleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382173:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport, Bijlage 1 bij Kamerstukken 10 689, nr. 3 (MvT), art. 24. De Commissie Vennootschapsrecht bestaat uit deskundigen uit de wetenschap en de praktijk en is bij beschikking van 9 juli 1968, Sterk 18 juli 1968, nr. 138 door de Minister van Justitie ingesteld. De taak van de Commissie Vennootschapsrecht is de wetgever te adviseren over wetgeving op het terrein van het vennootschapsrecht en het rechtspersonenrecht, zie art. 1 Wet adviesstelsel Justitie (Wet van 5 juli 1997 tot instelling van vaste colleges van advies van het Rijk op het terrein van het Ministerie van Justitie, Stb. 1997, 323) Zie voor een overzicht van de adviezen van de Commissie Vennootschapsrecht: Adviezen van de Commissie Vennootschapsrecht 1968-1992: aangeboden aan Prof. mr. W.C.L. van der Grinten ter gelegenheid van zijn afscheid als voorzitter van de Commissie Vennootschapsrecht op 8 december 1992, Den Haag 1992.
De Commissie Vennootschapsrecht bedacht de ontbindingsmogelijkheid als 'derde onderscheidende karaktertrek' voor de BV, in vergelijking met een NV. Andere kenmerken waren (en zijn): aandelen op naam en de blokkeringsregeling. De BV is ingevoerd bij de Wet houdende regeling van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Stb. 1971, 286.
De grond voor de rechterlijke ontbinding was in het wetsontwerp voor de BV van de Commissie Vennootschapsrecht 'gewichtige redenen'. Art. 1684 (oud) BW sprak over 'wettige redenen'. Destijds, in 1969, kwam de term 'gewichtige redenen' al wel voor in het arbeidsrecht, zie art. 1639w (oud) BW. Thans spreekt art. 7A:1684 BW ook over ontbinding wegens gewichtige redenen. Art. 820 Wv Personenvennootschappen kent eveneens de rechterlijke ontbinding wegens 'gewichtige redenen'. Zie hierover Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 218-230.
Zie de brief van 28 april 1969, waarbij de voorzitter van de Commissie (W.C.L. van der Grinten) het ontwerp voor een wetsvoorstel voor een BV aanbood aan de Minister van Justitie, C.H.F. Polak. De brief is tevens als (deel van) een bijlage bij de Memorie van Toelichting gevoegd, Kamerstukken 10 689, nr. 4, p. 18. Zie ook Maeijer (1974), p. 178.
Aan deze vraag lag mede een aan de minister gezonden brief van 17 augustus 1970 van de Ondememersfederatie, het Koninklijk Verbond van Ondernemers en de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf (RMK) ten grondslag. Zij meenden dat een regeling voor de 'problematiek van conflicten tussen aandeelhouders' onontbeerlijk was. Gezien de 'problematiek van veelvuldig voorkomende en zich in velerlei vorm voordoende conflicten tussen aandeelhouders in besloten NV's' diende voor de BV niet alleen de ontbinding, maar een 'wettelijke regeling van ruimere armslag' op zo kort mogelijke termijn in de wet te worden opgenomen. De brief werd tevens als Bijlage II gevoegd bij: Advies RMK (1976). Hoofdstuk III (Wettelijke bepalingen ter oplossing van `conflicten tussen aandeelhouders') van dit advies komt overeen met het advies zoals dat op 17 augustus 1970 aan de minister was gestuurd. Zie voor een overzicht van de voorgeschiedenis ook Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 7-8.
Lubbers en Scholten (1971), p. 26-28. De wetgever had de figuur van een adviserend intermediair niet overgenomen, zie hierna § 11.2.1.
Maeijer (1974), p. 178. In 1972 liet Maeijer zich uit over het niet opnemen van de ontbindingsmogelijkheid in het wetsvoorstel voor de BV en het hiennee samenhangende verzoek aan de Commissie Vennootschapsrecht een advies uit te brengen over geschillen tussen aandeelhouders van een BV. Zijns inziens was het inderdaad wenselijk een geschillenregeling voor aandeelhouders in een BV te introduceren. Zie Maeijer (1972), p. 104.
De idee voor een wettelijke geschillenregeling ontstond in 1969. De invoering van de BV als nieuwe rechtsvorm was de aanleiding. Bij de voorbereiding van de wetgeving voor deze nieuwe rechtspersoon stuitte men op de vraag hoe eventuele problemen zijn op te lossen, die rijzen als gevolg van geschillen tussen de aandeelhouders. Het besloten karakter van de BV — dat onder meer tot uitdrukking kwam in de blokkeringsregeling in geval van overdracht van aandelen (art. 2:195 BW) — bracht met zich dat aandeelhouders zich niet op eenvoudige wijze van hun aandelen konden ontdoen. De medewerking van andere personen, mogelijk degenen met wie de aandeelhouder in conflict was gekomen, was immers vereist bij de overdracht. Ter oplossing van dit probleem had de Commissie Vennootschapsrecht in haar ontwerp van wet voor de BV een regeling opgenomen met de mogelijkheid om de BV door de rechter te laten ontbinden.1Art. 24 van dit ontwerp bepaalde dat een of meer aandeelhouders, minimaal een derde van het geplaatste kapitaal verschaffend, een ontbindingsverzoek kon(den) indienen bij de OK.2 Op grond van gewichtige redenen, bijvoorbeeld ernstige geschillen, mocht de rechter de ontbinding uitspreken. Deze ontbindingsmogelijkheid ontleende de Commissie Vennootschapsrecht aan art. 1684 (oud) BW. Hierin was bepaald dat de rechter op grond van `wettige redenen' een maatschap kon ontbinden.3 De verhoudingen binnen een BV vertoonden volgens de Commissie Vennootschapsrecht sterke gelijkenis met die binnen een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. De Commissie Vennootschapsrecht was van oordeel dat de ontbindingsmogelijkheid van praktische betekenis was, omdat de aandeelhouders met elkaar in overleg moesten treden.4
De Minister van Justitie Polak nam de door de Commissie Vennootschapsrecht voorgestelde ontbindingsmogelijkheid niet op in het wetsontwerp voor de BV. Hij was, even als een deel van de Commissie Vennootschapsrecht, van oordeel dat onderzocht moest worden of minder ingrijpende voorzieningen mogelijk waren. Hij speelde deze vraag terug naar de Commissie Vennootschapsrecht.5 Ook enkele schrijvers meenden dat de invoering van een minder ingrijpende regeling dan de ontbinding voor de BV wenselijk zou zijn.
In hun preadvies over de nieuwe BV-wetgeving schreven Lubbers en Scholten: 'Het ontbindings-remedie is als enige uitweg ook ons inziens te straf.' Zij vonden de ontbindingsmogelijkheid-sec 'het opdringen eener zwart-wit oplossing met het risico van pikzwarte (fiscale) consequenties'. Bovendien ging van ontbinding onvoldoende preventieve werking uit, want `prohibitiviteit biedt geen preventie'. Hun voorkeur ging uit naar de inschakeling van een 'adviserend intermediair'. Deze tussenpersoon velde geen definitief oordeel, maar van zijn advies kon, aldus Lubbers en Scholten, een groot normerend effect uitgaan. Volgden de aandeelhouders het advies niet op, dan opende zich de weg naar de rechter. Deze behoorde in de visie van de preadviseurs over een keur aan bevoegdheden te beschikken. Een voorbeeld van zo'n bevoegdheid was het bevel de aandelen te kopen of te verkopen.6
Maeijer— lid van de Commissie Vennootschapsrecht — lichtte later, in 1974, een tipje van de sluier op: de Commissie Vennootschapsrecht zou in haar voorstel ook andere wettelijke voorzieningen opnemen, met een minder ingrijpend gevolg voor het voorbestaan van de BV. Zij dacht aan de gedwongen uitkoop en de vrijwillige uittreding.7