De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/1.3:1.3 Probleemstelling
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/1.3
1.3 Probleemstelling
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS384916:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
COM (2003) 703 def, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Tiende Richtlijn vult een lacune op in het vennootschapsrecht ten aanzien van de mogelijkheid tot grensoverschrijdend juridisch fuseren. De hoofddoelstelling van de Tiende Richtlijn is het vergemakkelijken van grensoverschrijdende juridische fusies. Het gaat erom te voorkomen dat het nationale recht waaronder de fuserende vennootschappen ressorteren een belemmering vormt.1 De rol die de Europese wetgever in de Tiende Richtlijn toebedeelt aan de werknemers kan worden beschouwd als een afzonderlijke (sub)doelstelling gericht op het vormgeven van de vennootschappelijke en ondernemingsrechtelijke medezeggenschapsrechten. De Tiende Richtlijn kent daarmee twee doelstellingen.
De wijze waarop de medezeggenschap van werknemers bij een grensoverschrijdende fusie vorm krijgt, is niet uniform. Dit geldt in het bijzonder voor de vennootschappelijke medezeggenschap. De vennootschappelijke medezeggenschap wordt nationaal geregeld. Binnen de Europese Unie bestaan op dit vlak grote verschillen. Met art. 16 Tiende Richtlijn is getracht een uitholling van vennootschappelijke medezeggenschapsrechten te voorkomen. Het artikel coördineert de verschillende medezeggenschapsregels die er op nationaal niveau bestaan. Er vindt dus geen harmonisatie van het materiële medezeggenschapsrecht plaats, maar harmonisatie van een typisch grensoverschrijdend probleem. De toepassing van art. 16 Tiende Richtlijn is afhankelijk van de nationale medezeggenschapstelsels waaraan de fuserende vennootschappen voorafgaand aan de fusie zijn onderworpen. Aan de hand van de medezeggenschapssystemen zoals die in de fuserende vennootschappen bestaan, wordt het medezeggenschapssysteem voor na de fusie bepaald. De toepassing van art. 16 Tiende Richtlijn en het resultaat daarvan verschillen daarom per fusie. Uniformiteit ontbreekt ook – zij het in mindere mate – voor de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap. Op dat vlak heeft weliswaar harmonisatie van het materiële recht plaatsgevonden, maar dit is gebeurd via minimumrichtlijnen. Afwijking ten voordele van werknemers is hierdoor toegestaan.
Bij de toepassing van zowel de vennootschappelijke als de ondernemingsrechtelijke medezeggenschapsrechten kan een spanningsveld ontstaan tussen de Europese regels enerzijds en de wijze waarop deze regels hun uitwerking krijgen binnen het Nederlandse recht anderzijds. Het Europese recht houdt immers geen rekening met de eigenaardigheden van ieder nationaal rechtsstelsel. Dat brengt mij tot de probleemstelling van mijn onderzoek. Deze luidt:
Welke knelpunten kent de regeling inzake de rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie van kapitaalvennootschappen en in hoeverre zijn deze knelpunten oplosbaar gezien de uitgangspunten die op dit terrein aan de Tiende Richtlijn ten grondslag liggen?
Bij de beantwoording van de probleemstelling maak ik een onderscheid tussen de vennootschappelijke en de ondernemingsrechtelijke medezeggenschapsrechten zoals die worden uitgeoefend door de (centrale) ondernemingsraad als het orgaan dat de werknemers in de vennootschap vertegenwoordigt. Aan de hand van een uitgebreide analyse van de (totstandkoming van de) Tiende Richtlijn – alsmede de andere Europese initiatieven die op het gebied van de juridisch fusie en de rol van werknemers zijn ondernomen – tracht ik te achterhalen wat de bedoeling van de Europese wetgever was bij de wijze waarop beide medezeggenschapsvarianten zijn vormgegeven. Dit deel van het onderzoek leidt tot de uitgangspunten die aan de betreffende Europese regels ten grondslag liggen. De uitgangspunten vormen het referentiekader aan de hand waarvan ik analyseer hoe met bepaalde knelpunten kan worden omgegaan in de situatie dat een Nederlandse vennootschap tot een grensoverschrijdende juridische fusie besluit.
Het onderzoek naar de vennootschappelijke medezeggenschapsrechten richt zich op de oplossingen die het Europese recht biedt om het verlies van deze vorm van medezeggenschap bij een grensoverschrijdende fusie te voorkomen. Deze bespreking neemt het grootste deel van het onderzoek in beslag. Dit zal niet verbazen. De grensoverschrijdende fusie bedreigt de vennootschappelijke medezeggenschap en met het oog op die dreiging is in de Tiende Richtlijn met art. 16 een specifieke regeling opgenomen. De systematiek van art. 16 Tiende Richtlijn is bovendien gericht op een coördinatie van de verschillende nationale medezeggenschapsregels, waardoor de toepassing niet alleen kennis van het Nederlandse maar ook van het buitenlandse vennootschappelijke medezeggenschapsrecht vereist.
Dit is anders bij de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap. Deze vorm van medezeggenschap geeft werknemers invloed op bepaalde (voor)genomen besluiten van de ondernemer en is wat de interne medezeggenschap betreft in Nederland voor het overgrote deel neergelegd in de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Op het eerste gezicht doen zich weinig problemen voor bij een grensoverschrijdende fusie. De bevoegdheden uit de WOR zijn niet aan de vennootschap maar aan de onderneming in de zin van de WOR (de zelfstandige arbeidsorganisatie zoals bedoeld in art. 1 lid 1 (c) WOR) gekoppeld. De onderneming blijft in Nederland gelegen zodat de WOR zijn toepassing behoudt. Om deze reden kent de Tiende Richtlijn geen specifieke regeling met betrekking tot de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap. Een bespreking van deze vorm van medezeggenschap is desondanks relevant. Het onderzoek legt de problemen bloot die zich voordoen bij de toepassing van de WOR op een grensoverschrijdend (voorgenomen) fusiebesluit en reikt richtsnoeren aan voor een passend gebruik van deze regels binnen de Nederlandse context. Uit deze bevindingen moet blijken of het juist is dat op Europees niveau aan de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap bij een grensoverschrijdende fusie geen specifieke regeling is gewijd. Ik betrek in mijn onderzoek tevens de verhouding van de (centrale) ondernemingsraad tot de Europese ondernemingsraad nu de Nederlandse werknemers eveneens in dit laatste orgaan zijn vertegenwoordigd. Daar komt bij dat de Tiende Richtlijn voor de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap niet alleen naar Richtlijn 2002/14/EG maar ook naar de EOR-Richtlijn verwijst.
Het onderzoek geschiedt vanuit het perspectief van een Nederlandse vennootschap. Er wordt nagegaan hoe de rol van de Nederlandse werknemers inhoud krijgt bij een juridische fusie van een Nederlandse vennootschap met een Duitse respectievelijk Belgische vennootschap. De keuze voor het Duitse en Belgische recht komt in paragraaf 1.5 aan de orde. Het onderzoek bevindt zich op het snijvlak van het vennootschapsrecht en het arbeidsrecht. De Tiende Richtlijn vindt haar basis in het vennootschapsrecht, terwijl de vennootschappelijke en ondernemingsrechtelijke medezeggenschapsrechten aan werknemers toekomen. De wettelijke bepalingen die de vennootschappelijke en ondernemingsrechtelijke medezeggenschap bij een grensoverschrijdende fusie vormgeven, roepen mede daarom veel juridische vragen op.
Mijn onderzoek bevat een analyse naar het huidige recht. Het onderzoek is gebaseerd op Europese en nationale parlementaire stukken en de in de Nederlandse, Duitse en Belgische literatuur heersende opvattingen. De uit deze documentatie voortvloeiende standpunten worden geanalyseerd en waar nodig van kritische kanttekeningen voorzien.