Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.1
6.6.1 Belang van het kind
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435528:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 203 (b) schrijft voor dat de rechter bij de forum non conveniens-vraag onder meer let op de geografische afstand tussen de verwijzende rechter en het forum conveniens, de financiële positie van partijen, een partijovereenkomst met betrekking tot de bevoegde rechter, de aard en de locatie van relevant bewijsmateriaal en de voortvarendheid waarmee beide gerechten de zaak kunnen behandelen.
Zie over dit punt de brief d.d. 28 juni 2005 van de kinderrechter te Utrecht aan de Belgische Jeugdrechter te Oudenaarde in de zaak Baby Donna (Hof van Beroep te Gent 5 september 2005, RW 2005, p. 432-434): 'Uw gerecht [Belgische Jeugdrechter te Oudenaarde, Fl] wordt op grond van het volgende beter in staat geacht de belangen van de minderjarige te beoordelen. (...) Op grond van telefonische informatie van de Procureur des Konings te Oudenaarde en het hoofdkantoor van de Raad voor de Kinderbescherming, welke laatste informatie mede gebaseerd is op informatie uit de media en van de advocaten van het gezin in Leusden waarmee het kind thans wordt verzorgd is het volgende aannemelijk geworden:- [Donna, Fl] is geboren als kind van Belgische, in België wonende ouders. Zij heeft de Belgische nationaliteit.- Haar biologische ouders wonen in België. Niettegenstaande hun laakbare gedrag tegenover de baby moet niet uitgesloten worden geacht dat contact tussen [Donna, Fl] en haar ouders in de toekomst van belang dient te worden geacht.- De huidige pleegouders hebben [Donna, Fl] naar Nederland overgebracht zonder de bepalingen van de Wet opneming Buitenlandse Pleegkinderen ter adoptie in acht te nemen: er is geen beginsel toestemming aan het Ministerie van Justitie verzocht. Deze zou overigens niet verkregen zijn omdat de pleegouders niet aan alle formele vereisten van voornoemde wet voldoen.'
De voorbeelden zijn door Lagarde genoemd in het kader van de forum non conveniens-regeling in art. 8 en 9 HKbV 1996.
Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 53. Het Toel. Rapport Lagarde, HMbV 2000, nr. 66, geeft een vergelijkbaar voorbeeld voor de meerderjarigenbescherming.
Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 55.
Het uitgangspunt in het kader van art. 15 Vo-BI:Ibis is dat de verwijzing van een zaak in het belang van het kind dient te zijn. Dat geldt ook voor art. 8 en 9 HKbV 1996, art. 4 lid 3 sub b Rv en art. 8 HMbV 2000, met dien verstande dat in het laatstgenoemde geval de verwijzing in het belang van de meerderjarige dient te zijn. Het gerecht van een lidstaat gaat slechts over tot verwijzing als het van mening is dat een ander gerecht beter in staat is om zich in het belang van het kind uit te laten. In welke gevallen het ene forum beter in staat is de zaak te behandelen dan het andere kan vooraf niet worden gezegd. De verordening zwijgt op dit punt dan ook verder.1 Of een verwijzing het belang van het kind dient, zal van geval tot geval beoordeeld worden. Het gerecht waarvan een verwijzing uitgaat (`verwijzende gerecht') en het gerecht waarnaar verwezen wordt ( `ontvangende gerecht') hebben hierover het laatste woord. Alleen als beide betrokken gerechten van oordeel zijn dat de verwijzing van de zaak in het belang van het kind is, zal een overdracht van de bevoegdheid verwezenlijkt kunnen worden.2
Wel kunnen een aantal voorbeelden worden genoemd, die zijn ontleend aan het door P. Lagarde opgestelde Toelichtend Rapport bij het HKbV 1996.3 Het eerste voorbeeld betreft een kind dat samen met zijn ouders gewoonlijk verblijft in een staat waarvan hij geen onderdaan is. Beide ouders komen als gevolg van een ongeluk om het leven. Aannemelijk is dan dat het kind terugkeert naar de staat waarvan hij onderdaan is en waar de rest van zijn familie verblijft. De rechter van de staat waar het kind (nog) zijn gewone verblijfplaats heeft, kan bepalen dat de belangen van het kind het beste worden beschermd door de rechter van de staat waarvan het kind onderdaan is. De rechter van de gewone verblijfplaats van het kind verklaart zich forum non conveniens.4 Het tweede voorbeeld betreft een procedure die betrekking heeft op het eigendomsrecht van het kind ten aanzien van een onroerend goed (bijvoorbeeld een machtiging om onroerend goed te verkopen) dat gelegen is in een andere staat dan die van het gewone verblijf van het kind. De rechter van de gewone verblijfplaats van het kind kan beslissen om de zaak, in het belang van het kind, te verwijzen naar de rechter van de staat waar het onroerend goed is gelegen. De rechter verklaart zich forum non conveniens ten gunste van het forum rei sitae.5