Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.4:3.2.1.4 Vervallen klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.4
3.2.1.4 Vervallen klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946233:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1886, 6.
Stb. 1912, 308.
Zie hierover ook Smidt & Smidt 1892 (Deel III), p. 29.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 4.4.
Savornin Lohman e.a. 1998 (Deelrapportage I), p. 9.
Savornin Lohman e.a. 1998 (Deelrapportage I), p. 58-61.
Stb. 2002, 388 en Stb. 2002, 470.
De relativering van de vormvereisten komt in paragraaf 3 meer uitgebreid aan bod bij de bespreking van de formeelrechtelijke aspecten van de regeling van de klacht.
Dat geldt tevens voor afdreiging en dwang door smaad(schrift).
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het onderzoek naar de plaats die klachtdelicten tegenwoordig innemen in het Nederlandse strafrechtelijke bestel gaat ook kort aandacht uit naar de klachtdelicten die in de loop der tijd zijn verdwenen. Het gaat daarbij zowel om klachtdelicten die geheel zijn vervallen als om strafbepalingen waarbij slechts het klachtvereiste is geschrapt. Het is van belang na te gaan of en in hoeverre de betreffende wetswijzingen samenhangen met een (mogelijk veranderde) invulling die de wetgever heeft willen geven aan de regeling van klachtdelicten.
In het vorige hoofdstuk is uitgebreider aandacht besteed aan de geschiedenis van de regeling van klachtdelicten, waarbij ook het vervallen van een aantal klachtdelicten aan bod kwam. Dit betreft overspel, de drukpersdelicten waarbij inbreuk wordt gemaakt op andermans auteursrecht en de strafbaarstelling van het hebben van gemeenschap met personen tussen 12 en 16 jaren oud. De redenen waarom deze strafbepalingen geen onderdeel meer uitmaken van de regeling van klachtdelicten lopen uiteen. Zo is in 1971 overspel straffeloos geworden, waardoor logischerwijs ook geen sprake meer kan zijn van een klachtvereiste bij die vervallen strafbepaling. Het draagvlak voor de strafbepaling verdween en de discussie bij afschaffing spitste zich toe op de moraliteit en strafbaarheid van overspel. Het aan die strafbaarstelling gekoppelde klachtvereiste stond niet ter discussie.1
Het schrappen van het klachtvereiste bij de strafbaarstelling van auteursrechtschendingen hangt daarentegen wel concreet samen met de functie die de klacht moet vervullen. In 1886 zijn auteursrechtschendingen in art. 349bis en 349ter Sr strafbaar gesteld en zijn die feiten via art. 349quater Sr als klachtdelict aangewezen.2 In 1912 is de Auteurswet ingevoerd en zijn deze bepalingen aangepast en overgeheveld naar die bijzondere wet.3 Het klachtvereiste bij deze strafbepalingen is nadien in 1972 geschrapt. In de toelichting op de beoogde wetswijziging is beschreven dat aan het klachtvereiste oneigenlijke argumenten ten grondslag liggen. Het klachtvereiste was gegrond op de gedachte dat het algemeen belang bij dit soort feiten in de regel te gering is om strafvervolging te rechtvaardigen, tenzij de benadeelde auteur die vervolging expliciet wenst.4 De toelichting op het wetsvoorstel vervolgt met de vaststelling dat dit niet (meer) opgaat en dat de reden dat een delict tot klachtdelict wordt gemaakt uitsluitend moet zijn gelegen in (de bescherming van) het belang van de benadeelde. Vervolgens wordt vastgesteld dat de bescherming van de benadeelde, in dit geval de auteur, juist afneemt door het klachtvereiste, omdat dit vereiste de mogelijkheden tot opsporing en vervolging nodeloos inperkt. Het klachtvereiste zou dus een ongunstige uitwerking hebben op de positie van de auteur die juist beschermd moet worden. In de toelichting is voorts vermeld dat een auteur die geen vervolging wenst dit kenbaar kan maken aan het openbaar ministerie waarna op grond van het opportuniteitsbeginsel vervolging achterwege zou kunnen blijven.5 Het klachtvereiste bij de strafbaarstelling van auteursrechtschendingen wordt dus geschrapt, omdat de wetgever vaststelt dat dit conflicteert met de functie die het klachtvereiste moet vervullen en de belangen die het dient te beschermen.
In het vorige hoofdstuk is ook uitgebreid aandacht besteed aan de plaats die klachtdelicten tot in 2002 hebben ingenomen in de zedenwetgeving.6 De aanzet voor het vervallen van het klachtvereiste in de zedenwetgeving is gelegen in het uitgebreide onderzoek naar het functioneren van dat klachtvereiste waartoe in 1995 werd besloten.7 Onderzocht is in hoeverre het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving voldeed aan de tweeledige doelstelling dat enerzijds ruimte moet bestaan voor seksuele zelfbepaling en dat anderzijds voldoende bescherming moet worden geboden aan minderjarigen.8 De onderzoekers concluderen in het in 1998 verschenen onderzoeksrapport dat het klachtvereiste op beide vlakken weinig praktisch belang toekomt. De juridische functie van het klachtvereiste zou in de zedelijkheidswetgeving zijn uitgehold. Zo zou het klachtvereiste nauwelijks functioneren als correctiemechanisme tegen ongewenste overheidsbemoeienis en zou het klachtvereiste evenmin een belemmering opleveren voor wenselijk geachte opsporing, doordat vormvereisten in de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn gerelativeerd. De onderzoekers concluderen dat deze behoefte aan ‘reparatie’ hoofdzakelijk is ingegeven door de gevoelde noodzaak om daders van ernstigere gevallen van ontucht te kunnen (blijven) opsporen en vervolgen.9 In lijn met de bevindingen uit bovenvermeld onderzoek volgt in 2001 een wetsvoorstel om het klachtvereiste bij de art. 245, 247 en 248a Sr te laten vervallen en om in een nieuw art. 167a Sv te bepalen dat het openbaar ministerie het slachtoffer in de gelegenheid stelt zijn mening over de strafbare feiten kenbaar te maken.10 Op 1 oktober 2002 vervalt het klachtvereiste binnen de zedelijkheidswetgeving en is het nieuwe hoorrecht ingevoerd.11 Op dit hoorrecht wordt in hoofdstuk 4 dieper ingegaan.
Uit het voorgaande blijkt dat slechts een klein aantal klachtdelicten in de loop der tijd is vervallen. De reden voor het schrappen van het klachtdelict overspel staat los van de invulling die wordt gegeven aan de regeling van klachtdelicten. Het verdwijnen van het klachtvereiste bij de strafbepalingen die zien op auteursschendingen hangt wel samen met de functie van het klachtvereiste. Het klachtvereiste is echter niet vervallen omdat de regeling van klachtdelicten een andere invulling heeft gekregen. De wetgever stelt juist vast dat dit klachtvereiste een dissonant is binnen de regeling van klachtdelicten, omdat het op andere gronden is gestoeld die bovendien niet meer aan de orde zijn. Het schrappen van dit klachtvereiste betreft dus een bevestiging dat de klacht één functie dient te vervullen binnen het strafbestel en dat die functie niet is gewijzigd. Het klachtvereiste is bij zedendelicten vervallen, omdat op een andere wijze beter tegemoet zou kunnen worden gekomen aan de belangen van de minderjarige die al dan niet als slachtoffer heeft te gelden. De keuze van de wetgever voor een andere aanpak is mede ingegeven doordat in het hierboven beschreven onderzoeksrapport is gesignaleerd dat de klacht nauwelijks (meer) functioneerde als correctiemechanisme tegen ongewenste overheidsbemoeienis. Het vervallen van het klachtvereiste bij zedendelicten houdt dan ook verband met een wijziging in de werking van de regeling van klachtdelicten, namelijk het relativeren van vormvereisten ten aanzien van de klacht.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vervallen van klachtdelicten slechts in beperkte mate heeft plaatsgehad en dat dit alleen bij de zedenfeiten samenhangt met een andere invulling van de regeling van klachtdelicten.
Vermeldenswaardig is dat overspel, gemeenschap met personen tussen 12 en 16 jaren oud en auteursrechtschendingen in het oorspronkelijke ontwerp van het Wetboek van Strafrecht in 1886 niet zijn aangewezen als klachtdelict. Dit zijn feiten die pas na de parlementaire behandeling een plaats hebben gekregen binnen de regeling van klachtdelicten.13 Het is een interessant gegeven dat het klachtvereiste juist bij die strafbepalingen de tand des tijds niet heeft doorstaan. Te meer nu het klachtvereiste bij de strafbaarstellingen van auteursrechtschendingen en het hebben van gemeenschap met personen tussen 12 en 16 jaren oud op andere redenen was gestoeld, dan het grondbeginsel dat redengevend werd geacht voor de regeling van klachtdelicten.14 Deze voorgeschiedenis voedt de gedachte dat het niet (voldoende) functioneren van het klachtvereiste bij deze feiten samenhangt met de omstandigheid dat de toevoeging van het klachtvereiste op andere (oneigenlijke) gronden was gestoeld.