Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.1
3.2.1.1 Het onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946257:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld De Hullu 2021, p. 80; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 587; Van Dorst 1989, p. 67 en al veel eerder: Schreuder 1899, p. 6-7.
Zie art. 316 lid 2 Sr. Via art. 90octies Sr is de geregistreerd partner gelijkgesteld aan de in dit wetsartikel bedoelde echtgenoot.
HR 25 juni 1974, NJ 1974/454.
Von Brucken Fock 1987, p. 81-82.
NJV 1877, Handelingen I, p. 163.
Schreuder 1899, p. 6-7. Zie ook Schönfeld 1886, p. 36. Schönfeld wijst erop dat in de Duitse wetgeving de splitsbaarheid van de klacht expliciet is uitgesloten, maar dat een dergelijke bepaling in Nederland kan worden gemist.
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 588. Dit ziet op de situatie dat één slachtoffer een klacht indient, waarna alle deelnemers aan dat specifieke strafbare feit kunnen worden vervolgd. Dit moet worden onderscheiden van de situatie dat sprake is van verschillende slachtoffers, waarna slechts één slachtoffer een klacht indient. Daarop wordt nader ingegaan in paragraaf 2.2.2. Aan het onderscheid tussen beide scenario’s wordt ook aandacht besteed in paragraaf 3 van hoofdstuk 4, waarin het klachtvereiste wordt belicht vanuit de daarbij betrokken rechtsbetrekkingen.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 295. Bij de bespreking van de strafbaarstelling van overspel kwam ter sprake of een echtgenoot de klacht kon beperken tot de persoon waarmee zijn of haar partner het feit had gepleegd (waarna de partner dus niet kon worden vervolgd). Feitelijk betrof het de vraag of de klacht kon worden gesplitst. In het daaropvolgende Regeeringsantwoord is te lezen: “Splitsbaarheid bestaat alleen waar de wet ze veroorlooft (b.v. 316: ‘tegen hem’)”. De verwijzing naar art. 316 Sr – waarin ook toentertijd de kern van het relatieve klachtvereiste was gelegen – maakt duidelijk dat de klacht uitsluitend bij relatieve klachtdelicten kan worden gesplitst. Zie voor een bevestiging hiervan door de Hoge Raad: HR 24 oktober 1932, NJ 1933/379.
Ten aanzien van klachtdelicten wordt in de literatuur veelal het onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve klachtdelicten.1 In het vorige hoofdstuk zijn de delicten vermeld waaraan de wetgever in 1886 een klachtvereiste besloot toe te voegen. Daarbij kwam aan bod dat het klachtvereiste bij bepaalde (vermogens)misdrijven slechts is toegevoegd voor zover het delict is gepleegd ten aanzien van bepaalde personen. Daarin komt het onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten tot uiting. Wil het openbaar ministerie ontvankelijk zijn in de vervolging van een absoluut klachtdelict, dan is een klacht onontbeerlijk, ongeacht de persoon van de verdachte. Dit ligt anders bij relatieve klachtdelicten. Voor de vervolging van een verdachte van dit soort misdrijven is slechts een klacht vereist indien een bepaalde relatie tussen het slachtoffer en die verdachte bestaat. Het gaat dan steeds om de van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot of om een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede zijlijn van het slachtoffer.2 Bij afwezigheid van die relatie geldt het betreffende misdrijf niet als klachtdelict. Dit betekent dat een zoon die van zijn vader steelt slechts kan worden vervolgd nadat zijn vader een klacht tegen hem indient. De vriend van de zoon, die heeft geholpen bij die diefstal, kan daarentegen zonder klacht als medepleger of als medeplichtige bij diezelfde diefstal worden vervolgd.
Illustratief voor de werking van relatieve klachtdelicten is een zaak die op 25 juni 1974 bij de Hoge Raad diende.3 Het betrof een dader die het paspoort van zijn broer had gestolen. Een klacht van die broer ontbrak echter, waarna de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard. Er volgde cassatie in het belang der wet. De procureur-generaal meende dat het (relatieve) klachtvereiste van art. 316 lid 2 Sr geen toepassing had moeten vinden, omdat het paspoort in eigendom aan de Staat toebehoorde. Nu voor diefstal van de Staat geen klacht was vereist, casseerde de Hoge Raad. De Hoge Raad achtte het daarbij irrelevant of (ook) ten aanzien van de houder van het paspoort sprake was van een toebehoren als in art. 310 Sr. Dit arrest maakt inzichtelijk dat relatieve klachtdelicten hun karakter niet danken aan de aard van het misdrijf, maar aan de relatie tussen dader en slachtoffer. Het arrest maakt ook duidelijk dat in strafvorderlijke zin aan die relatie geen voorrang wordt verleend, indien ook andermans (eigendoms)belangen in het geding zijn.
Volgens Von Brucken Fock is het voor absolute klachtdelicten kenmerkend dat deze strafbare feiten diep kunnen ingrijpen in de privésfeer van het slachtoffer, in die zin dat bij het onderzoek door de politie en nadien ter zitting feiten aan het licht kunnen komen die het slachtoffer niet met anderen, laat staan met het publiek, wenst te delen. Relatieve klachtdelicten zouden zich daarentegen kenmerken doordat tussen slachtoffer en dader een nauwe (wettelijke) relatie bestaat die bescherming verdient.4Dit onderscheid zou de gedachte kunnen voeden dat niet één grondbeginsel redengevend is voor beide groepen klachtdelicten. Het onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten noopt echter niet tot deze conclusie. De redengeving voor beide groepen klachtdelicten is immers terug te voeren op het grondbeginsel waarop de (regeling van) klachtdelicten in 1886 is gestoeld, namelijk dat het bijzonder belang van het slachtoffer groter nadeel lijdt door vervolging bij die feiten, dan dat het algemeen belang zou zijn gebaat bij die vervolging. Kist wees er in 1877 in zijn preadvies reeds op dat het hierboven bedoelde bijzondere (private) belang met name zou kunnen zijn gelegen in het voorkomen van de publiciteit die een vervolging met zich zou brengen óf in de aantasting van het familieleven die een vervolging met zich zou brengen vanwege de nauwe (familiaire) band tussen de dader en het slachtoffer.5 Het is van belang in te zien dat – ondanks deze tweedeling in klachtdelicten – beide groepen klachtdelicten, met verschillende redengeving, wel degelijk zijn terug te voeren op hetzelfde algemene grondbeginsel.
In deze bespreking van het materieelrechtelijke onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten, ontkom ik niet aan een strafvorderlijke kanttekening. Het onderscheid is ook daarvoor immers relevant. Enerzijds heeft het doen van een klacht van een absoluut klachtdelict tot gevolg dat vervolging ten aanzien van alle deelnemers is opengesteld, ongeacht of deze zijn vermeld in de klacht.6 Dit wordt ook wel de onsplitsbaarheid van de klacht bij absolute klachtdelicten genoemd.7 Het splitsen van een klacht – in die zin dat deze wordt beperkt tot specifieke personen – is daarentegen niet uitgesloten in het geval van relatieve klachtdelicten.8 Dit betekent dat indien twee dochters hun moeder hebben bestolen waarna de moeder een klacht indient tegen één van haar dochters, de andere dochter niet kan worden vervolgd. Dit strookt met de achterliggende gedachte dat aan een familiaire relatie voorrang moet worden verleend (en vervolging uitblijft) indien en voor zover het slachtoffer daarop prijs stelt.
In hoofdstuk 4 wordt nader aandacht besteed aan de verschillende rechtsbetrekkingen die een rol spelen bij klachtdelicten. In dat hoofdstuk gaat logischerwijs ook aandacht uit naar het onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten, nu bij die laatste groep een specifieke rechtsbetrekking redengevend is voor toevoeging van het klachtvereiste.