Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.2.2
2.2.2 Bedrijfs- en beroepsbelasting
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297103:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7 (MvA), p. 50 lk.
Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 3 (MvT), p. 12 rk.
Kamerstukken I 1892/93, Handelingen (MvA), p. 473 rk/474 lk.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand- en Studieboeken nr. 4, Deventer: Kluwer 2000, p. 18 (tweede geheel herziene druk). Zie voor een beschrijving van de totstandkoming van de gesplitste inkomstenbelasting voorts J. Verburg, ‘Een gesplitste inkomstenbelasting. De vermogens- en bedrijfsbelasting van minister Pierson’, in: Fiscaliteit in Nederland, Zutphen: De Walburg /Deventer: Kluwer 1987, p. 137-151 en J.C.Kj. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, FM nr. 29, Deventer: Kluwer 1999, p. 7-12 (derde herziene druk).
In 1893 verving minister Pierson het patentrecht door een bedrijfs- en beroepsbelasting. Evenals het patentrecht ten aanzien van de NV’s knoopte deze belasting aan bij de uitdelingen van winst aan de aandeelhouders. Zij werd geheven over uitdelingen aan oprichters, concessionarissen, aandeelhouders en andere deelgerechtigden, bestuurders en personeel daaronder niet begrepen.
Vooruitlopend op de introductie van de bedrijfs- en beroepsbelasting was in 1892 een vermogensbelasting ingevoerd. Zij beoogde de inkomsten uit vermogen te treffen. Niet het inkomen zelf was echter de maatstaf van heffing, maar de waarde van het vermogen. Het totale vermogen van iedere belastingplichtige werd geacht een inkomen van 4% te verschaffen. Van dat inkomen werd 3,125% belasting geheven, voor zover het hoger was dan ƒ 400. Ter vereenvoudiging werd evenwel een andere vorm gekozen en werd een belasting geheven van 1,25‰ over het vermogen.1
Aanvankelijk beoogde Pierson om de vermogensbelasting en de beroeps- en bedrijfsbelasting beter op elkaar te laten aansluiten door alleen de uitdelingen boven 4% van het vermogen in de heffing van de bedrijfsbelasting te betrekken. Het forfaitaire rendement van 4% werd immers al door de vermogensbelasting getroffen. Omdat hij het praktisch bezwaarlijk vond om slechts bedrijfsbelasting van NV’s te heffen over het dividend, wanneer dat 4% van de waarde van de aandelen te boven ging, stelde hij voor het dividend boven 4% van het gestorte kapitaal te belasten.2 Na kritiek vanuit de Kamer zag Pierson zich echter genoodzaakt deze aftrek te laten vallen. Wel stelde hij voor het tarief van de bedrijfsbelasting te verlagen van 4% naar 2% om de gevolgen van het schrappen van de aftrek te verzachten.3 Het tarief werd uiteindelijk bij amendement vastgesteld op 2,5%. Verburg merkt op dat deze koerswijziging een beslissende invloed heeft gehad op de latere ontwikkeling van de belastingheffing van vennootschappen: ‘De dubbele belasting maakte immers ruim baan voor de gedachte aan een zelfstandige belasting van de naamloze vennootschap.’4