Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.2.6
2.2.6 Besluit op de vennootschapsbelasting 1942
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS302040:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën betreffende de vennootschapsbelasting (Besluit op de vennootschapsbelasting 1942), Stb. 1942, 402.
Paragraaf 1.3 van de Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting 1942.
D. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip (diss. UvA), Amsterdam: N.V. Uitgeverij Fed 1964, p. 261.
Paragraaf 1.3 van de Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting 1942.
Paragraaf 11.6 van de Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting 1942.
Zie voor een overzicht van de relevante jurisprudentie R.P.C.W.M. Brandsma, Hybride leningen (verstrekt aan lichamen), FM nr. 106, Deventer: Kluwer 2003, p. 39-45.
De Wet op de winstbelasting 1940 was geen lang leven beschoren. Zij werd op 30 april 1942 door de Duitse bezetter vervangen door het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942.1 In de Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting 1942 werd de NV vergeleken met de natuurlijke persoon. NV’s hoorden ten aanzien van de heffing van de belasting in dezelfde positie te verkeren als natuurlijke personen: ‘Wat voor de natuurlijke personen de inkomstenbelasting is, is de vennootschapsbelasting voor de lichamen.’2 Deze zogenoemde antropomorfe theorie heeft altijd veel kritiek ondervonden. Brüll schreef: ‘Het grote bezwaar tegen de in Duitsland ontwikkelde antropomorphe theorie is, dat zij nauwelijks een rechtsgrondslag voor de belastingheffing biedt. Zoals elke fictie, leidt ook de toedichting aan een rechtspersoon van alle mogelijke menselijke eigenschappen (draagkracht, pijn, lijden, etc.) tot botsing met de realiteit.’3
De vennootschapsbelasting was geënt op de Körperschaftsteuer en ook het progressieve tarief dat opliep van 30% naar 55% was gelijk aan het Duitse. De winst werd bepaald op de voet van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, waarmee de methode van de vermogensvergelijking werd gehandhaafd. De plaats die de onttrekkingen hadden in de inkomstenbelasting, werd voor de vennootschapsbelasting ingenomen door de uitdelingen.
Op grond van art. 13 Besluit op de vennootschapsbelasting 1942 waren alle ‘winstuitdelingen welke krachtens tegenprestatie verschuldigd zijn aan personen of lichamen, die ten opzichte van den belastingplichtige als vreemden te beschouwen zijn’4 aftrekbaar van de winst. Nu de zelfstandigheid van de NV tot rechtsgrond van de vennootschapsbelasting was verheven, had de gedachte kunnen opkomen dat ook aandeelhouders ten opzichte van de vennootschap als vreemden zouden zijn te beschouwen. Art. 14 Besluit op de vennootschapsbelasting 1942 nam echter elke twijfel weg door te bepalen dat de niet onder art. 13 vallende uitdelingen van de winst werden gelijkgesteld met onttrekkingen in de zin van de inkomstenbelasting.
Winstdelende rente behoorde in het algemeen wel tot de bedrijfskosten. Art. 13, lid 1, onderdeel b, bepaalde namelijk dat ‘[a]andeelen in de winst, toekomende aan houders van winstdeelende obligatiën, welke niet aan oprichters, stichters, aandeelhouders, leden of deelnemers als zodanig’ waren uitgereikt, aftrekbaar waren. Een uitzondering werd slechts gemaakt voor het geval waarin dergelijke rente werd genoten door aandeelhouders of deelnemers en dergelijke als zodanig. Volgens de leidraad vennootschapsbelasting 1942 zou de mogelijkheid om de belasting te ontgaan zonder deze uitzondering namelijk wijd openstaan.5, 6