Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/4.3.3
4.3.3 Gevolgen voor de omzettende rechtspersoon
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS496430:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk HR 4 november 1953, nr. 11.424, BNB 1953/336* waarin de inbreng in een stichting ‘kapitaalinbreng’ wordt genoemd.
Dit is vermoedelijk de achtergrond van de opmerking van C.P.M. van Houte, Fiscale aspecten van omzetting van rechtspersonen, Elsevier Dossier, nr. 40, 2000, p. 21 dat het volgens hem niet goed is in te zien welke heffing van belasting de wetgever met deze fictie wenst zeker te stellen. Van Houte beschouwt de fictie van art. 28a lid 1 onderdeel c Wet VPB 1969 dan ook als betekenisloos in geval van (onder andere) de omzetting van een BV in een stichting.
De BV die zich op de voet van art. 2:18 BW omzet in een stichting wordt op grond van art. 28a lid 1 onderdeel a Wet VPB 1969 voor de heffing van vennootschapsbelasting geacht te zijn geliquideerd, waarbij haar vermogen wordt geacht te zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders. Deze ficties brengen in combinatie met art. 15d Wet VPB 1969 een afrekening met zich over de ten tijde van de omzetting aanwezige stille en fiscale reserves alsmede goodwill (vergelijk par. 3.4.1 en 3.4.2 hiervóór). De stichting wordt slechts subjectief belastingplichtig indien en voor zover zij als gevolg van de omzetting een onderneming in de zin van art. 2 lid 1 onderdeel e Wet VPB 1969 wordt geacht te verkrijgen. Deze (fictieve) inbreng ex art. 28a lid 1 onderdeel c Wet VPB 1969 van een materiële onderneming vormt echter geen fiscale winst omdat het ingebrachte vermogen het beginvermogen van de stichting vormt.1 De inbrengfictie heeft derhalve voor de vennootschapsbelasting geen gevolgen.2 Ten aanzien van vermogensbestanddelen die zowel een functie hebben voor het ondernemingsgedeelte als voor het niet-ondernemingsgedeelte van de stichting heeft de stichting binnen de grenzen der redelijkheid een vrije etiketteringskeuze. Na de omzetting van de BV in de stichting staan alle activa en passiva die tot het ondernemingsvermogen van de stichting worden gerekend op de fiscale vermogensopstelling van de stichting te boek voor de waarde in het economische verkeer. Omdat een stichting geen lidmaatschapsrechten of soortgelijke rechten kan toekennen, lijkt het claimen van investeringsaftrek ex art. 3.40 e.v. Wet IB 2001 juncto art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 bij belastingplichtige stichtingen slechts op een redelijke wetstoepassing te kunnen worden gebaseerd. Daartoe bestaat naar mijn mening alle aanleiding indien de fictief geliquideerde BV op grond van art. 3.47 Wet IB 2001 juncto art. 8 lid 1 en art. 15d tweede volzin Wet VPB 1969 in verband met in het verleden genoten investeringsaftrek desinvesteringsbijtellingen verschuldigd is geworden.
Zoals gezegd in paragraaf 4.3.2 hiervóór, lijkt de Staatssecretaris van Financiën terughoudend in het honoreren van verzoeken om de fiscale begeleiding van de omzetting van een BV vanwege het verloren gaan van de dividendbelastingclaim. Naar mijn mening ten onrechte. Aan de faciliëring van de omzetting van een BV in een stichting in de sfeer van de vennootschapsbelasting zouden geen bijzondere problemen zijn verbonden. Voor zover de in een stichting omgezette BV op de voet van art. 2 lid 1 onderdeel e juncto art. 4 onderdeel a Wet VPB 1969 belastingplichtig is, kunnen met behulp van zogenoemde fiscale in-de-plaatstredingsformule fiscale claims probleemloos worden doorgeschoven (zie standaardvoorwaarde 1, zoals besproken in paragraaf 3.5.6.2 hiervóór). Dit is slechts anders met betrekking tot de vermogensbestanddelen en de fiscale reserves van de BV die bij de stichting niet gaan behoren tot het vermogen waarmee een onderneming wordt gedreven. Omdat hiervoor de wettelijke mogelijkheid voor de stichting ontbreekt om voor de BV fiscaal in de plaats te treden, zou in zoverre – ondanks de fiscale begeleiding – heffing van vennootschapsbelasting mijns inziens moeten plaatsvinden. De fiscaal compensabele verliezen van de BV kunnen op grond van standaardvoorwaarde 2 aan de stichting worden meegegeven. Hoewel art. 20a Wet VPB 1969 strikt genomen de verrekening van de verliezen zou kunnen blokkeren omdat sprake is van een 100%-wijziging van het uiteindelijke belang, brengt mijns inziens een redelijke wetstoepassing mee dat art. 20a Wet VPB 1969 buiten toepassing blijft. Zoals gezegd in paragraaf 3.5.6.3 hiervóór, wordt aan de ratio van art. 20a Wet VPB 1969 niet voldaan: voor de aandeelhouders van de BV komen na de omzetting in een stichting geen andere deelgerechtigden in de plaats die kunnen profiteren van de verliesverrekening.