Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/83:83 Feiten
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/83
83 Feiten
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS508966:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In totaal ongeveer 8, zie de noot van ThMdB onder het arrest Tatry NJ 1995/659, sub 1.
Vgl. Conclusie AG Tesauro voor het arrest Tatry C-406/92, sub 19.
HvJEG 6 december 1994, zaak C-406/92, Jur. 1994, p. I-5439, NJ 1995/659 m.nt. ThMdB (Tatry), r.o. 47.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zaak ging om een geschil tussen de eigenaren van een schip (genaamd Tatry) en de eigenaren van de door dat schip vervoerde goederen. Een Poolse rederij vervoerde goederen van Brazilië naar Rotterdam en Hamburg. De eigenaren van de goederen waren gevestigd in onder meer het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland. Bij aflevering bleken de goederen te zijn verontreinigd en vervolgens is een wirwar van procedures ontstaan.1 De rederij stelde drie verschillende vorderingen in tegen de eigenaren voor de Rechtbank Rotterdam. In twee daarvan vorderde de rederij een verklaring voor recht dat zij niet aansprakelijk is en in de derde procedure strekte de vordering tot beperking van de redersaansprakelijkheid. Nadat de procedures in Rotterdam waren aangespannen stelden de ladingbelanghebbenden (verschillende groepen eigenaren) in Engeland (Admiralty Court in Londen) vorderingen tot schadevergoeding in. Deze acties betroffen vorderingen ‘in rem’: niet de aansprakelijk gestelde persoon is gedaagde, maar het vermogensobject waarop de eiser zich wil verhalen.2 De vraag rees of de Engelse rechter, als laatst aangezochte rechter, zich onbevoegd diende te verklaren op basis van art. 29 EEX-Vo II (art. 21 EEX-Verdrag) of dat hij eventueel de zaak moest aanhouden op basis van samenhang, zoals bepaald in art. 30 EEX-Vo II (art. 22 EEX-Verdrag). Daartoe moest eerst vastgesteld worden of het onderscheid naar Engels recht tussen vorderingen ‘in rem’ of vorderingen ‘in personam’ relevant was. Vervolgens kwam aan de orde de verhouding tussen een vordering tot een negatieve verklaring voor recht aan de ene kant, en een vordering tot schadevergoeding aan de andere kant.
In de voor de Engelse rechter aangespannen vordering ‘in rem’ trad niet de rederij op als verweerder maar het schip waarop beslag was gelegd door de ladingbelanghebbenden. De rederij was strikt genomen geen procespartij in de Engelse procedure. Betekende dit dat geen sprake was van ‘dezelfde partijen’ zodat daarmee toepassing van art. 29 EEX-Vo II (art. 21 EEX-Verdrag) uitgesloten was? Het HvJ heeft wederom op de autonome interpretatie van de begrippen ‘dezelfde partijen’, ‘hetzelfde onderwerp’ en ‘dezelfde oorzaak’ gewezen en geconcludeerd dat bij die interpretatie ‘de bijzondere kenmerken van het in de betrokken Verdragsluitende Staten geldende recht derhalve niet in aanmerking (mogen) worden genomen’.3