Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.3.3
6.3.3 Het begrip vestiging van het recht van vestiging
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394069:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
S.F.G. Rammeloo, a.w., blz. 273.
H.T.P.M. van den Hurk, Europees Gemeenschapsrecht en directe belastingen. Spanning tussen verdragsvrijheden en het Nederlands belastingrecht, Deventer, Kluwer, 2001, blz. 111. P.J.G. Kapteyn e.a., a.w., blz. 600 noemen als voorbeeld een Griekse arts die in Libanon woonachtig is en daar zijn praktijk uitoefent. Hij kan niet met een beroep op art. 49 VW EU een nevenvestiging in Italië openen.
HvJ 30 november 1995, zaak C-55/94, FED 1997/175 (Gebhard), r.o. 25.
HvJ 25 juli 1991, zaak C-221/89, Jur. 1991, blz. I-3905 (Factortame II), r.o. 20.
D.M. Weber, a.w., blz. 44.
D.M. Weber, a.w., blz. 48.
HvJ 11 april 2000, zaak C-51/96 en C-191/97, Jur. 2000, blz. I-2549 (Deliège), r.o. 52.
HvJ 12 december 1974, zaak 36/74, Jur. 1974, blz. 1405 (Walrave/Koch) en HvJ 14 juli 1976, zaak 13/76, Jur. 1976, blz. 1333 (Dona/Mantero).
D.M. Weber, a.w., blz. 24.
HvJ 5 oktober 1988, zaak 196/87, Jur. 1988, blz. 6159 (Steymann).
HvJ 20 november 2001, zaak C-268/99, Jur. 2001, blz. I-8615 (Jany), r.o. 33.
HvJ 24 maart 1994, zaak C-275/92, Jur. 1994, blz. I-1039 (Schindler).
HvJ Deliège, reeds aangehaald, r.o. 57.
HvJ 7 november 1996, zaak C-77/95, Jur. 1996, blz. I-5689 (Züchner).
HvJ 27 september 1988, zaak 263/86, Jur. 1988, blz. 5365 (Humbel).
HvJ 23 maart 1982, zaak 53/81, Jur. 1982, blz. 1035 (Levin), r.o. 17.
HvJ Deliège, reeds aangehaald, r.o. 54.
HvJ Daily Mail, reeds aangehaald.
HvJ 13 april 2000, zaak C-251/98, Jur. 2000, blz. I-2787 (Baars), r.o. 22. In de zaak Glaxo Wellcome (HvJ 17 september 2009, zaak C-182/02, VN 2009/47.20) wordt echter de vrijheid van kapitaalverkeer toegepast in een situatie waarin een 100%-deelneming wordt verkocht.
D.M. Weber, a.w., blz. 45 en 47.
F.G.F. Peters, De aanmerkelijke belangregeling in internationaal perspectief. De exitheffingen en de vestigingsplaatsficties in het licht van de nationale regeling, belastingverdragen, BRK, en het EU-recht, Deventer, Kluwer, 2007, blz. 277 en 278.
D.M. Weber, a.w., blz. 48.
HvJ 4 december 1986, zaak 205/84, Jur. 1986, blz. 3755 (Commissie/Duitsland), r.o. 21.
HvJ Gebhard, reeds aangehaald, r.o. 27.
HvJ 11 december 2003, zaak C-215/01, Jur. 2003, blz. I-14847 (Schnitzer), r.o. 31.
HvJ 13 februari 2003, zaak C-131/01 en C-131/01,Jur. 2003, blz. I-1659 (Commissie/Italië), r.o. 24.
HvJ 29 april 2004, zaak C-171/02, Jur. 2004, blz. I-5645 (Commissie/Portugal).
Art. 49 VW EU bepaalt dat beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verboden. Dit verbod geldt ook voor beperkingen voor de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd, zo vervolgt art. 49 VW EU. De eerste volzin van art. 49 VW EU heeft betrekking op het zogenoemde primaire vestigingsrecht. Rammeloo noemt als voorbeeld een naar Engels recht opgerichte en statutair gevestigde rechtspersoon die haar hoofdbestuur in Nederland heeft.1 De tweede volzin van art. 49 VW EU betreft het zogenoemde secundaire vestigingsrecht, het recht om agentschappen, filialen of dochterondernemingen op te richten. Aan het secundaire vestigingsrecht van art. 49 VW EU wordt een extra voorwaarde gesteld. Het komt toe aan onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. Het recht om een secundaire vestiging op te richten komt een onderdaan derhalve pas toe als hij zich binnen de Unie primair heeft gevestigd.
Van den Hurk noemt ter toelichting het voorbeeld van een Nederlandse fotograaf die jarenlang in Australië zelfstandig heeft gewerkt. Deze fotograaf heeft het recht zich primair in Spanje te vestigen. Wil hij echter een filiaal in Spanje vestigen dan kan hij geen beroep doen op art. 49 VW EU.2 Ook het vrije verkeer van diensten kent een eis van vestiging in de Unie, art. 56 VW EU.
Uit de zaak Gebhard blijkt dat het begrip vestiging een zeer ruim begrip is.3 In de zaak Factortame II preciseert het Hof van Justitie dat het begrip vestiging inhoudt dat een economische activiteit wordt uitgeoefend door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd in een andere lidstaat.4 Weber onderscheidt in deze definitie een viertal elementen, die hij vervolgens uitwerkt, te weten:
daadwerkelijk een economische activiteit uitoefenen;
door middel van een duurzame vestiging;
voor onbepaalde tijd;
in een andere lidstaat.5
Hierna zullen de onder 1 tot en met 3 genoemde elementen nader worden besproken. Het vierde element, ‘in een andere lidstaat’, houdt in dat de verrichte economische activiteit een grensoverschrijdend karakter moet hebben.6 Uit de eis dat een economische activiteit wordt uitgeoefend in een andere lidstaat door middel van een duurzame vestiging volgt tevens dat een duurzame band moet bestaan tussen de vestiging en het grondgebied van die lidstaat.
Het daadwerkelijk verrichten van economische activiteiten
Het begrip economische activiteit is een communautair begrip en mag niet restrictief worden uitgelegd.7 Het omvat arbeid in loondienst en dienstverrichtingen die tegen vergoeding plaatsvinden.8 Weber geeft aan het begrip economische activiteiten de volgende omschrijving: alle activiteiten, die, met of zonder winstoogmerk, direct of indirect, in geld of natura, al dan niet evenredig, worden vergoed.9 In de zaak Steymann10 oordeelt het Hof van Justitie dat de werkzaamheden die leden van een commune verrichten ten behoeve van deze commune als economische activiteiten kunnen worden beschouwd. In ruil voor deze werkzaamheden voorziet de commune namelijk in de behoeften van haar leden. Ook krijgen zij zakgeld. Naar het oordeel van het Hof vormt dit de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Ook bij prostitutie is naar het oordeel van het Hof van Justitie sprake van het verrichten van een dienst tegen vergoeding en derhalve van een economische activiteit.11 Hetzelfde geldt voor een loterij.12 Sportbeoefening kan tevens een economische activiteit vormen. De sporters stellen een organisator van een sportevenement bijvoorbeeld in de gelegenheid het sportevenement te organiseren, waarbij publiek aanwezig kan zijn. Ook kan het door de televisiezenders worden uitgezonden en kan het reclamemakers en sponsoren interesseren.13
Van een economische activiteit is geen sprake indien geen vergoeding is bedongen. In de zaak Züchner stelde het Hof van Justitie dit ten aanzien van een vrouw die om niet haar man verzorgde. Daar doet niet aan af dat het noodzakelijk was om hiervoor de nodige beroepskwalificaties te hebben en iemand anders had moeten worden ingehuurd als de vrouw die kwalificaties niet zou hebben .14 Ook bij het door de overheid verzorgen van onderwijs is geen sprake van het verrichten van een economische activiteit. Het Hof van Justitie stelt dat de staat bij het nationale onderwijsstelsel niet de bedoeling heeft tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten, maar een sociale, culturele en opvoedkundige taak vervult. Ook wordt het onderwijsstelsel in de regel gefinancierd uit de staatskas.15 Als economische activiteiten kwalificeren enkel reële en daadwerkelijke activiteiten. Werkzaamheden van geringe omvang16 die bijkomstige en marginale activiteiten vormen vallen niet onder het begrip economische activiteiten.17
Weber vraagt zich af of het beheren van aandelen en bepaalde financieringsactiviteiten die in het belastingrecht als ‘passief’ worden aangemerkt een economische activiteit vormen. In dit verband merkt hij op dat in de zaak Daily Mail18 wordt gesproken van het openen van een kantoor voor het beheer van beleggingen. Uit het rapport ter terechtzitting blijkt echter dat Daily Mail besloten had een kantoor in te richten voor het beheer van investeringen met het oog op het verrichten van diensten ten behoeve van derden. Dit was dus meer dan beheer van (eigen) beleggingen. Uit de zaak Baars blijkt dat in elk geval sprake is van de uitoefening van het recht van vestiging wanneer een onderdaan van een lidstaat een deelneming in het kapitaal van een in een ander lidstaat gevestigde vennootschap houdt, die hem een zodanige invloed op de besluiten van de vennootschap verleent, dat hij de activiteiten ervan kan bepalen.19, 20 Volgens Peters moet worden aangenomen dat beheer van eigen beleggingen of beheer van het pensioen van een directeur groot aandeelhouder als economische activiteit kan worden beschouwd.21
Door middel van een duurzame vestiging
Volgens Weber ziet het begrip vast niet op het tijdsverloop, maar op de inrichting van de activiteiten. Er moet sprake zijn van een stabiele of vaste inrichting, een bepaalde eenheid, een infrastructuur, een kantoor, aanwezigheid van personeel etc.22 Van een dergelijke infrastructuur is niet alleen sprake in geval van een bijkantoor of agentschap, maar ook bij een eenvoudig bureau beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen.23
Voor onbepaalde tijd
Of de in een andere lidstaat verrichte werkzaamheden al dan niet tijdelijk zijn, moet niet alleen worden beoordeeld op basis van de duur van de werkzaamheid, maar tevens aan de hand van de frequentie, periodiciteit of continuïteit ervan. Een tijdelijk karakter van een werkzaamheid sluit niet uit dat een ondernemer zich in de lidstaat van ontvangst voorziet van een zekere infrastructuur (bijvoorbeeld een kantoor of kabinet) wanneer die infrastructuur noodzakelijk is om de betrokken werkzaamheid te verrichten.24 Het is niet mogelijk om op abstracte wijze de duur of de frequentie te bepalen vanaf welk moment het verrichten van een werkzaamheid of van een bepaalde soort werkzaamheid in een andere lidstaat leidt tot een vestiging in de zin van het VW EU.25 Zo oordeelde het Hof van Justitie in een door de Commissie tegen Italië aangespannen zaak dat hoewel vertegenwoordiging door een nationaal octrooibureau een aantal verrichtingen omvat die zich uitstrekken in de tijd dit niet betekent dat moet worden aangenomen dat er een duurzame deelname aan het economisch verkeer is.26 Een Portugese regeling die van toepassing was op marktdeelnemers uit andere lidstaten die gedurende meer dan een jaar hun diensten aanbieden in Portugal kon naar het oordeel van het Hof van Justitie in principe in strijd komen met het vrije verkeer van diensten en niet noodzakelijkerwijs met het recht van vestiging. Ook bij het verrichten van diensten gedurende een langere periode hoeft nog geen sprake te zijn van een duurzame deelname aan het economisch verkeer van de ontvangende lidstaat.27