Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.4
VI.4 Uitlatingen over lopende strafzaken
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595140:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder vele bijv. EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, par. 38, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 34 (Konstas/Griekenland); EHRM 22 mei 2014, nr. 15172/13, par. 125 (Ilgar Mammadov/Azerbeijan).
EHRM 19 maart 2015, nr. 7494/11, EHRC 2015/199, m.nt. Broeksteeg (Corbet/Frankrijk); EHRM 18 februari 2016, nr. 4047/07, EHRC 2016/114, m.nt. Broeksteeg (Rywin/Polen).
EHRM 15 juli 2010, nrs. 73990/01, 7364/02 en 15185/02 (Yushchenko e.a./Oekraïne); EHRM 10 januari 2012, nr. 33468/03 (Vulakh e.a./Rusland); EHRM 27 februari 2014, nr. 17103/10, par. 64-65 (Karaman/Duitsland); EHRM 23 februari 2016, nrs. 46632/13 en 28671/14, par. 102-104 (Navalny en Ofitserov/Rusland).
Vgl. enigszins anders Stevens 2010a, § 3. Volgens haar is het EHRM “niet bepaald streng”.
Zie reeds uitgebreid over dat verschil § IV.2.4.2.
Zie bijv. EHRM 28 november 2002, nr. 45313/99, EHRC 2003, 7, m.nt. Geurink (Marziano/Italië); EHRM 26 september 2006, nr. 27678/02 (Gerard Bernard/Frankrijk). Vgl. ook Grabenwarter 2014, p. 168: “when informing the public [...] police and prosecution usually walk a tightrope”.
Zie bijv. EHRM 21 oktober 2010, nr. 25404/09, par. 112-113 (Gaforov/Rusland); EHRM 29 mei 2012, nrs. 39820/08 en 14942/09, par. 80 (Shuvalov/Estland).
Onder vele, zie EHRM 28 november 2002, nr. 58442/00, par. 126 (Lavents/Letland); EHRM 28 oktober 2004, nrs. 48173/99 en 48139/99, par. 44 (Y.B. e.a./Turkije); EHRM 4 maart 2008, nr. 33065/03, par. 97 (Samoila en Cionca/Roemenië); EHRM 29 januari 2013, nr. 10473/05, par. 56 (Catană /Roemenië).
Vgl. en contrasteer bijv. enerzijds EHRM 8 april 2010, nr. 40523/08 (Peša/Kroatië) en anderzijds EHRM 10 oktober 2000, nr. 42095/98, par. 44 (Daktaras/Litouwen); EHRM 28 november 2002, nr. 45313/99, EHRC 2003, 7, m.nt. Geurink (Marziano/Italië); EHRM 21 juli 2015, nr. 23319/08 (Neagoe/Roemenië) .
Zie hiervoor § VI.3.1.
Zo onder meer EHRM 7 januari 2010, nr. 32130/03, par. 94 (Petyo Petkov/Bulgarije); EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07, par. 162 (Fatullayev/Azerbeijan); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 38 en 45 (Konstas/Griekenland); EHRM 26 juli 2011, nrs. 35485/05, par. 232 (Huseyn e.a./Azerbeijan).
Vgl. EHRM 10 oktober 2000, nr. 42095/98, par. 44 (Daktaras/Litouwen); EHRM 26 maart 2002, nr. 48297/99, par. 50 (Butkevicius/Litouwen); EHRM 4 maart 2008, nr. 33065/03, par. 94 (Samoila en Cionca/Roemenië); EHRM 15 september 2009, nr. 25333/03, dec., par. 72 (Peter/Roemenië); EHRM 9 december 2010, nr. 16966/06, par. 105 (Muradverdiyev/Azerbeijan); EHRM 26 juli 2011, nrs. 35485/05 enz., par. 229 (Huseyn e.a./Azerbeijan); EHRM 4 juni 2013, nr. 25497/04, dec. (Fesiuc/Roemenië).
EHRM 28 november 2002, nr. 45313/99, EHRC 2003, 7, m.nt. Geurink (Marziano/Italië). Zie evenwel de op dit punt kritische dissenting opinion bij het arrest.
Zie de welwillende lezing van het EHRM in EHRM 15 juli 2010, nrs. 73990/01, 7364/02 en 15185/02 (Yushchenko e.a./Oekraïne); EHRM 27 februari 2014, nr. 17103/10 (Karaman/ Duitsland). Te ver ging de rechter in EHRM 23 februari 2016, nrs. 46632/13 en 28671/14, par. 102-104 (Navalny en Ofitserov/Rusland).
Vgl. EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 34 (Konstas/Griekenland); EHRM 27 september 2011, nr. 23272/07, par. 55 (Hrdalo/Kroatië); EHRM 31 oktober 2013, nr. 20824/09, par. 145 (Perica Oreb/Kroatië).
Zo bijvoorbeeld EHRM 26 maart 2002, nr. 48297/99, par. 51 (Butkevicius/Litouwen); EHRM 8 april 2010, nr. 40523/08, par. 143 (Peša/Kroatië); EHRM 26 juli 2011, nrs. 35485/ 05 enz., par. 228 (Huseyn e.a./Azerbeijan).
EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07 (Konstas/Griekenland).
Zie EHRM 7 januari 2010, nr. 32130/03, par. 95-96 (Petyo Petkov/Bulgarije).
EHRM 15 oktober 2013, nr. 34529/10, par. 201 (Gutsanovi/Bulgarije); EHRM 27 januari 2015, nr. 37124/10, par. 119 (Toni Kostadinov/Bulgarije); EHRM 10 november 2015, nr. 58500/10, par. 122 (Slavov e.a./Bulgarije);
Zie EHRM 15 oktober 2013, nr. 34529/10, par. 195-196 (Gutsanovi/Bulgarije) en a contrario EHRM 21 juli 2015, nr. 23319/08, par. 48 (Neagoe/Roemenië) .
EHRM 28 oktober 2004, nrs. 48173/99 en 48139/99 (Y.B. e.a./Turkije); EHRM 21 december 2006, nr. 52746/99, par. 28 (Güler en Çalıskan/Turkije); EHRM 8 april 2010, nr. 40523/ 08 (Peša/Kroatië); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07 (Konstas/Griekenland); EHRM 26 juli 2011, nrs. 35485/05, par. 231 (Huseyn e.a./Azerbeijan); EHRM 12 januari 2012, nr. 36650/ 03 (Dovzhenko/Oekraïne).
Zo EHRM 8 april 2010, nr. 40523/08, par. 146 (Peša/Kroatië); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07 (Konstas/Griekenland); EHRM 12 januari 2012, nr. 36650/03, par. 49 (Dovzhenko/ Oekraïne).
Aksu 2007, p. 124.
Vgl. echter wel de vooropstelling in EHRM 24 januari 2017, nr. 57435/09, par. 49-50 (Paulikas/Litouwen).
General Comment 2007/32, par. 30 en bijv. CRM 20 juli 2000, nr. 770/97, par. 8.3 (Gridin/ Rusland); CRM 10 maart 2010, nr. 1520/2006, par. 6.5 (Mwamba/Zambia).
CRM 30 maart 2005, nr. 973/2001, par. 7.4 (Khalilov/Tajikistan).
Vgl. EHRM 21 september 1993, nr. 12350/86, par. 76-77 (Kremzow/Oostenrijk).
CRM 19 augustus 2010, nr. 1369/2005 (Kulov/Kirgizië). CRM 29 oktober 2012, nr. 1940/ 2010 (Cedeño/Venezuela); CRM 30 oktober 2013, nr. 1910/2009, par. 8.4 (Zhuk/Wit-Rusland).
Richtlijn 2016/343, overweging 16.
Richtlijn 2016/343, overweging 16.
Richtlijn 2016/343, overweging 18.
In een open en democratische samenleving is onwenselijk dat strafzaken zich in het geheim voltrekken. Het EHRM ziet het dan ook als de taak van de overheid om het publiek over lopende strafzaken te informeren en de media en het algemene publiek de ruimte te bieden daarover nieuws te vergaren. Het Hof stelt dat belang veelal voorop wanneer het is geroepen te oordelen over in het openbaar gedane uitlatingen over een verdachte van een strafbaar feit.1 Vaak betreft het namelijk ofwel uitlatingen van strafvorderlijke autoriteiten die kunnen bijdragen aan de informatiepositie van het publiek met betrekking tot de strafzaak, ofwel uitlatingen die kunnen worden beschouwd als onderdeel van het politieke debat dat zich naar aanleiding van strafzaken soms ontvouwt. Dat is overigens niet noodzakelijk. Zo dient ook een parlementaire enquêtecommissie de onschuldpresumptie in acht te nemen en zich daarom van strafrechtelijke kwalificaties te onthouden2 en moet de zittingsrechter die een strafzaak tegen een medepleger behandelt op zijn woorden passen met betrekking tot de nog niet-veroordeelde medeverdachte.3
Het belang van informatievrijheid en een open politiek debat ten spijt, vergt de onschuldpresumptie van overheidsautoriteiten in hun uitlatingen over lopende strafzaken tamelijk grote terughoudendheid.4 Of die terughoudendheid (on)voldoende in acht is genomen, hangt in de regel voornamelijk af van de gekozen bewoordingen en hetgeen daarmee is bedoeld. Het Hof ziet naar eigen zeggen een “fundamental distinction” tussen uitlatingen die een weergave zijn van de tegen de verdachte bestaande verdenking enerzijds en uitlatingen die een schuldoordeel weerspiegelen anderzijds. Eerstgenoemde zijn steeds toelaatbaar, laatstgenoemde telkens ongeoorloofd. Dat fundamentele onderscheid past bij de historische achtergrond van de behandelingsdimensie en bij de door haar beschermde belangen.5 De grens tussen beide is echter ook regelmatig (flinter)dun6 en soms zijn geoorloofde verdachtmakingen en ongeoorloofde schuldoordelen nauw met elkaar verweven.7 De casuïstische benadering van het Hof maakt de uitkomst in dergelijke twijfelgevallen niet altijd goed te voorspellen. De gekozen woorden wegen als gezegd zwaar, maar hun betekenis moet niet altijd letterlijk worden genomen. Gekeken dient te worden naar de daadwerkelijke strekking ervan, zo benadrukt het Hof.8 Dat leidt er soms toe dat nogal ongelukkig gekozen woorden gesauveerd worden, en in andere gevallen dat woorden die letterlijk genomen de schuld van de verdachte niet als vaststaand aannemen, toch een ontoelaatbare finding of guilt opleveren.9
Bij die beoordeling is de context van de opmerkingen van wezenlijke aanvullende betekenis. Ik zie zes factoren die het Hof in diens evaluatie van belang acht. Ik noemde al dat rechters extra omzichtig moeten zijn in hun uitlatingen over de verdachte.10 Meer in het algemeen is de functie en positie van de overheidsfunctionaris van belang. Hoe invloedrijker en prominenter zijn positie, hoe meer voorzichtigheid hij aan de dag moet leggen.11
Daarnaast komt soms veel gewicht toe aan de aard van de beslissing die was toevertrouwd aan degene die de betwiste uitlatingen deed en in het kader waarvan de uitingen plaatsvonden. Algemeen gesteld kunnen uitlatingen in de media op minder coulance rekenen dan uitlatingen die in de context van het proces worden gedaan. Buiten de rechtszaal dient bijvoorbeeld een officier van justitie aanzienlijk voorzichtiger te zijn dan daarbinnen.12 In het licht van de te nemen beslissing, kan soms ook een rechter op enig begrip voor ongelukkig gekozen woorden rekenen. De onderzoeksrechter die een beslissing tot niet-(verdere-)vervolging van een van seksueel misbruik verdachte vader motiveerde en daarbij uit compassie met het vermeende slachtoffer opmerkte dat haar verklaring op hoofdlijnen wel klopte, kwam daarmee weg.13 Ook de rechter die belast is met de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager moet het wat bonter maken voordat het EHRM schending van artikel 6 lid 2 EVRM constateert.14
Ten derde kan meespelen op welk moment in de procedure daarop commentaar is gegeven. Zo is in hoger beroep meer toelaatbaar indien de verdachte reeds in eerste aanleg is veroordeeld.15 Het Hof heeft tevens meermaals overwogen dat vooral in de eerste periode na aanhouding met de informatievoorziening aan het publiek zorgvuldig moet worden omgesprongen.16 Een verklaring daarvoor is dat de eerste dagen na aanhouding vaak nog veel onduidelijkheid bestaat, de verdachte wellicht nog geen raadsman heeft die hem in de media in bescherming neemt en dat het grote publiek voor informatie is aangewezen op door politie en justitie afgegeven verklaringen. Die kunnen dan extra schadelijk zijn. Bezien vanuit het oogpunt van de openheid van de procedure is overigens juist het tegendeel verdedigbaar: hoe eerder in de procedure de uitlatingen worden gedaan, en dus hoe groter het tijdsverloop tussen die uitlatingen en de terechtzitting, hoe kleiner de te verwachten invloed van die uitlatingen op zittingsrechter of jury. Die redenering hanteert het Hof ten aanzien van ‘virulente’ perscampagnes van particuliere media, maar heeft het in de context van uitlatingen van overheidsfunctionarissen uitdrukkelijk van de hand gewezen.17
Voorts is op de vierde plaats van belang hoeveel media-aandacht een strafzaak genereert. Gaat het om een spraakmakende zaak, dan dienen overheidsautoriteiten extra bedachtzaam te zijn op de potentiële impact van hun woorden.18
Ten vijfde benadrukt het Hof dat de afwezigheid van opzet niet in de weg staat aan een schending van de behandelingsdimensie.19 Dat neemt ondertussen niet weg dat het spontane karakter van de uitingen reden kan zijn tot Straatsburgse mildheid.20
Een laatste factor is de identificeerbaarheid van de verdachte.21 Vooral de reputatieschade die optreden in de media veroorzaakt, is daarvan in belangrijke mate afhankelijk. Niet beslissend is of de verdachte met naam en toenaam wordt genoemd. Het gaat erom of voor het publiek duidelijk is om welke persoon of groep personen het gaat.22
Aksu stelt dat ook de ernst van het feit van belang is. Het Hof zou coulanter zijn naarmate het feit ernstiger is.23 Zij legt veel nadruk op een overweging uit Y.B. e.a./Turkije die erop neerkomt dat in het licht van de aard van het delict de publicatie van foto’s van een verdachte op zichzelf niet steeds een schending van de onschuldpresumptie behoeft op te leveren. Aangezien het Hof ter onderbouwing enkel verwees naar een uitspraak inzake artikel 10 EVRM over uitingen van een andere particulier, de overweging nooit is herhaald en het Hof in Y.B. e.a./Turkije desondanks in een zaak tegen terrorismeverdachten een schending constateerde, denk ik dat uit die uitspraak niet valt af te leiden dat aan de ernst van het feit in algemene zin gewicht toekomt.24
De zienswijzen van het VN Mensenrechtencomité voegen aan bovenstaand beoordelingskader weinig toe. Het aantal zaken waarin het Comité over de problematiek heeft geoordeeld is beperkt. Het uitgangspunt is daarbij hetzelfde als in Straatsburg: alle overheidsautoriteiten moeten zich onthouden van “public statements affirming the guilt of the accused”.25 Het Comité heeft die regel overeenkomstig toegepast op een situatie waarin de verdachte was gedwongen zijn in het vooronderzoek afgelegde bekentenis op televisie te herhalen.26 Dat lijkt mij terecht. Is het de overheid niet toegestaan de verdachte als schuldige af te schilderen, dan kan in het verlengde daarvan niet worden aanvaard dat zij hem dwingt dat zelf te doen. Opvalt voorts dat het Comité – meer dan het EHRM27 – geneigd lijkt ook algemene aanduidingen als misdadiger of crimineel, die niet op een concreet strafbaar feit betrekking hebben, te sanctioneren.28
De richtlijn bevat wel opvallende nuanceringen ten opzichte van de EHRM-rechtspraak. Artikel 4 lid 1 codificeert het uitgangspunt van het Hof in Straatsburg en bepaalt dat openbare verklaringen en andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, de verdachte niet als schuldige mogen aanwijzen. De tweede volzin van artikel 4 lid 1 nuanceert een en ander evenwel. Tijdens de trilogen is namelijk toegevoegd dat deze verplichting geen afbreuk doet aan handelingen van de vervolgende instantie die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is en aan procedurele beslissingen in het vooronderzoek die zijn gebaseerd op verdenking of belastend bewijsmateriaal. Uit de preambule blijkt dat hiermee onder andere beslissingen over voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties zijn bedoeld.29 Zoals nog aan bod zal komen, is de EHRM-rechtspraak daarop onverkort van toepassing. Dat is met reden, want juist onder voorbarige schuldoordelen die ingrijpende beslissingen tot gevolg hebben, heeft de verdachte vaak ernstig te lijden. De strekking van deze nuancering wordt er niet duidelijker op doordat deze voor procedurele beslissingen in het vooronderzoek geldt, “provided that such decisions do not refer to the suspect or accused person as being guilty”.30 Uit het voorgaande blijkt echter dat onder het EVRM eerst van strijd met de onschuldpresumptie sprake kan zijn wanneer die beslissingen aan de verdachte refereren als schuldige. Mogelijkerwijs is niet zozeer beoogd een uitzondering te formuleren, maar eerder bedoeld te stellen dat procedurele beslissingen op grond van een verdenking mogen worden genomen, ondanks dat niet naar de verdachte als schuldige mag worden verwezen. Is die lezing juist, dan is van een nuancering van of uitzondering op de EHRM-rechtspraak geen sprake, maar is deze onverkort van toepassing en tamelijk omslachtig opgeschreven.
Een soortgelijke vraag doet zich voor met betrekking tot artikel 4 lid 3 van de richtlijn. Die bepaling bevat een tweede ‘uitzondering’ op de verplichting van het eerste lid. Deze verplichting “shall not prevent public authorities from publicly disseminating information on the criminal proceedings where strictly necessary for reasons relating to the criminal investigation or to the public interest”. De preambule noemt voorbeelden van die gronden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de verspreiding van videomateriaal ten behoeve van de identificatie van een verdachte door het publiek en de informatieverstrekking aan bewoners van een bepaald gebied in verband met de veiligheidsrisico’s van bijvoorbeeld een milieumisdrijf.31 Deze noviteit ten opzichte van de EHRM-rechtspraak lijkt echter betekenisloos doordat de preambule niet alleen bepaalt dat de verspreiding van informatie redelijk en proportioneel moet zijn, maar ook dat “[i]n any event, the manner and context in which the information is disseminated should not create the impression that the person is guilty before he or she has been proved guilty according to law”. Dat wijst er weer op dat van een uitzondering op het eerste lid geen sprake is, maar eerder van een poging buiten twijfel te stellen wat ook binnen de rechtspraak van het EHRM wél is toegestaan.