Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/2.2.2
2.2.2 Kwaliteit van de procedure
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS599062:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Smits 2008, waarin p. 95-154 over de fair hearing gaan. In § 4.8 komt dit nog kort terug.
Klaming & Giesen 2008. Zie ook een overzicht van Nederlands onderzoek op dit gebied: Van Velthoven 2011.
Klaming & Giesen 2008, p. 21.
Van der Linden 2008. Daarin in hoofdstuk 2 ook een uitgebreid overzicht van het onderzoek naar procedurele rechtvaardigheid waarop Colquitt uiteindelijk zijn model heeft gebaseerd.
Colquitt 2001.
Colquitt 2001, p. 386.
Klaming & Giesen 2008, p. 17.
Zie Colquitt 2001, p. 386, en de schematische weergave daarvan in Klaming & Giesen 2008, p. 20.
Colquitt 2001, p. 390.
Colquitt 2001, p. 390.
Mensen hechten niet alleen waarde aan de uitkomst van de procedure, maar ook aan de wijze waarop de procedure verloopt. Het criterium 'procedurele kwaliteit' wordt daarom meegenomen in het bepalen van de prijs-/kwaliteitsverhouding van het civiele procesrecht. Daarbij wordt niet slechts uitgegaan van de normen die uit de jurisprudentie met betrekking tot de fair hearing uit artikel 6 EVRM voortvloeien, want dat zijn minimumnormen die de verdragstaten een grote margin ofappreciation bieden en waarbij het oordeel uiteindelijk binair is: of artikel 6 EVRM is wel geschonden, of niet.1 Bovendien komen niet alle verwachtingen die burgers van een goede procedure hebben terug in de vereisten van artikel 6 EVRM, die eerder top-down dan bottom-up tot stand zijn gekomen. Daarom wordt er voor gekozen om de procedurele kwaliteit te meten aan de hand van indicatoren die voortvloeien uit onderzoek naar procedural justice.
De afgelopen decennia is er veel theoretisch en empirisch psychologisch onderzoek verricht naar welke eigenschappen mensen van een goede procedure verwachten. In 2008 hebben Klaming & Giesen een overzicht gegeven van dit onderzoek, waaruit blijkt dat procedurele kwaliteit uiteenvalt in enkele facetten van rechtvaardigheid, die elk kunnen worden gemeten met behulp van een aantal indicatoren.2 Hoewel er geen algemene consensus is over het precieze aantal facetten van rechtvaardigheid en over de grens tussen en hiërarchie van die facetten, is volgens Klaming & Giesen het model van Colquitt het meest compleet en representatief voor rechtvaardigheid in een organisatie en geldt dit zeer waarschijnlijk ook in een juridische context.3 Ook in het uitgebreide onderzoek van Van der Linden naar de procedurele rechtvaardigheid van comparitiezittingen is gebruik gemaakt van het model van Colquitt.4
Colquitt beschrijft vier justice-facetten die samen de totale rechtvaardigheid in een organisatie vormen.5 Eén facet is distributive justice, dat gaat over de kwaliteit van uitkomsten. Aan distributive justice wordt volgens Colquitt voldaan als de uitkomsten van de procedure consistent zijn met impliciete verdelingsnormen. In feite valt dit facet van rechtvaardigheid onder de voorgaande paragraaf over de kwaliteit van uitkomsten, waarin reeds is aangegeven dat van de vooronderstelling wordt uitgegaan dat het materiële recht rechtvaardige verdelingsnormen biedt. Bij het bepalen van de kwaliteit van de procedure wordt in dit onderzoek daarom uitgegaan van de andere drie facetten van justice, die door Colquitt worden aangeduid als (a) procedural justice,(b) interpersonal justice en (c) informational justice.
Procedural justice is de rechtvaardigheid van het proces dat leidt tot de uiteindelijke uitkomst.6 In de juridische context is die uitkomst een beslissing door een derde of een schikking. De procedural justice wordt in een civiele procedure dus bepaald door de mate waarin het procesrechtelijke systeem de rechtvaardigheidsgevoelens van de betrokkenen bevredigt.7 De door Colquitt (en de door Colquitt aangehaalde eerdere onderzoeken) gevonden indicatoren voor procedural justice zijn: controle over de beslissing (de mogelijkheid om invloed te hebben op de uitkomst), controle over het proces (de mogelijkheid om eigen standpunten en argumenten te uiten gedurende het proces), consistentie, onpartijdige beslissers (bias suppression), accurate informatie, corrigeerbaarheid van fouten (bijvoorbeeld hoger beroep, herroeping of verzet) en ethicality (de mate waarin de procedure strookt met de persoonlijke ethiek en moraal).8 Daarnaast is er ook interactional justice. Die gaat niet zozeer over de ervaring met de systematische inrichting van het proces, maar over de kwaliteit van de wijze waarop de betrokkenen door anderen in de procedure behandeld worden. Colquitt heeft deze vorm van rechtvaardigheid in navolging van eerder onderzoek door Greenberg nog verder uitgesplitst in de facetten interpersonal justice en informational justice.9Interpersonal justice gaat over de mate waarin betrokkenen met beleefdheid, waardigheid, fatsoen en respect worden behandeld. Informational justice is inhoudelijker en gaat over de mate waarin de betrokkenen vooraf een eerlijke en adequate uitleg krijgen over de procedure en ook een eerlijke en adequate uitleg over de uitkomst. De uitleg is adequater, naarmate die redelijker, tijdig genoeg en specifieker is.10
In totaal levert dit een fors aantal, vijftien om precies te zijn, indicatoren op voor de kwaliteit van de procedure. Die zullen in dit onderzoek niet bij elke te toetsen bestaande situatie of voorgestelde maatregel stuk voor stuk worden besproken, maar alleen wanneer er een wezenlijk effect op een dergelijke indicator te verwachten is. Eveneens ter beperking van de omvang van het onderzoek zal regelmatig slechts globaal het (te verwachten) effect op een geheel facet van procedurele kwaliteit worden vermeld.