Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.6
III.1.3.6 Modernisering Wetboek van Strafvordering
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS303137:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De belangrijkste kenbronnen van de inhoudelijke voornemens van de minister worden op dit moment gevormd door de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278) en de onlangs in consultatie gebrachte conceptwetsvoorstellen voor het nieuwe Boek 1 (Strafvordering in het algemeen) en het nieuwe Boek 2 (Het opsporingsonderzoek) van het vernieuwde Wetboek van Strafvordering (zie voor de tekst www.rijksoverheid.nl).
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 6.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 69-70 en p. 75-76.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 68. Zie hieromtrent nader § 7.3.1.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 71-75. Zie hieromtrent nader § 7.1.
Sinds een aantal jaar staat een belangrijk deel van het strafrechtelijk debat in het teken van de voorgenomen modernisering van het Wetboek van Strafvordering, een omvangrijk wetgevingstraject dat beoogt het huidige Wetboek van Strafvordering – dat zijn oorsprong vindt in 1926 – in alle opzichten te moderniseren. Anders dan wellicht verwacht zou mogen worden ten aanzien van een strafvorderlijk preadvies dat het licht ziet in 2017, spelen de voornemens van de minister voor zover deze betrekking hebben op de thematiek van dit preadvies een relatief beperkte rol in ons betoog. Op basis van hetgeen tot op heden bekend is over deze voornemens,1 voorziet het wetgevingsproject niet in ingrijpende voorstellen ten aanzien van de vervolgingsbeslissing, het opportuniteitsbeginsel en de verschillende modaliteiten ter afdoening van strafbare feiten buiten de rechter om. Fundamentele uitgangspunten als het vervolgingsmonopolie voor het Openbaar Ministerie en het opportuniteitsbeginsel als grondslag voor de beslissing of al dan niet vervolging wordt ingesteld, blijven in ieder geval onaangeroerd.2 Wel zullen de nodige wijzigingen worden aangebracht in de normering van de vervolgingsbeslissing en de (mate van) rechtsbescherming waarop de verdachte in die fase van het strafproces aanspraak kan maken (vgl. de regelingen van de kennisgeving van niet (verdere) vervolging (art. 243 Sv) en het informele sepot, de verklaring dat de zaak is geëindigd (art. 36 Sv) en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding (art. 262 Sv)).3 Ook wordt de mogelijkheid tot het invoeren van een voorwaardelijke modaliteit van de strafbeschikking nadrukkelijk geopperd4 en worden de nodige voorstellen met betrekking tot de regeling van het beklag tegen niet (verdere) vervolging gedaan (art. 12 Sv).5 Daar waar deze voornemens rechtstreeks ons betoog raken, worden deze in het navolgende besproken; voor het overige speelt het moderniseringsproject als gezegd een relatief bescheiden rol in het betoog.