Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.1
III.1.3.1 Focus op de strafbeschikking en de herstelbemiddeling
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS303136:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De laatstgenoemde modaliteit strekt tot buitengerechtelijke afdoening van een ontnemingsvordering, terwijl de eerdergenoemde strekken tot buitengerechtelijke afdoening van de strafzaak zelf. Zie over de schikking ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uitgebreid Commissie Oosting 2015 (in het bijzonder bijlagen 4 en 5).
Zie uitgebreid over de voeging ad informandum Franken 1993; Crijns 2010, p. 54-56 en p. 199-204; en Vriend 2016, p. 112-115 en p. 241-245.
Zie nader § 2.2. Zie in dit verband ook Van Russen Groen 2015 en Brouwer 2015.
Zie Van Tulder, Meijer en Kalidien 2017.
Binnen deze categorie richten we ons weer voornamelijk op de OM-strafbeschikking. De politiestrafbeschikking en de bestuurlijke strafbeschikking blijven goeddeels buiten beschouwing.
Zie in dit verband de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties van 13 oktober 2008, Stcrt. 2008, 209, in werking getreden op 1 november 2008.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015. Anders: Claessen e.a. 2015.
Zie Verberk 2011, p. 5.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015.
Het landschap van buitengerechtelijke afdoening is wijds en divers. De vormen van buitengerechtelijke afdoening waarbij het Openbaar Ministerie het voortouw heeft, zijn het onvoorwaardelijk sepot, het voorwaardelijk sepot, de transactie (art. 74 Sr), de strafbeschikking – op haar beurt te onderscheiden in de OM-strafbeschikking (art. 257a Sv), de politiestrafbeschikking (art. 257b Sv) en de bestuurlijke strafbeschikking (art. 257ba Sv) – alsmede de schikking ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 511c Sv).1 Daarnaast kan in dit verband worden gewezen op de voeging ad informandum als vorm van verkorte afdoening, zij het dat bij die modaliteit de rechter het laatste woord heeft ten aanzien van de vraag of de ad informandum gevoegde feiten al dan niet in de straftoemeting worden betrokken en daarmee als afgedaan moeten worden beschouwd. Strikt genomen is er in het geval van voeging ad informandum dus geen sprake van buitengerechtelijke afdoening.2 Daarnaast kennen meer specifieke contexten ook bijzondere vormen van buitengerechtelijke afdoening, deels geïnspireerd op voornoemde buitengerechtelijke modaliteiten, zoals de fiscale strafbeschikking binnen het fiscale strafrecht (art. 76 AWR) en de Halt-afdoening binnen het jeugdstrafrecht. Zonder de breedheid van het veld van buitengerechtelijke afdoening uit het oog te verliezen, richten wij ons in dit preadvies meer in het bijzonder op de strafbeschikking. De strafbeschikking is door de wetgever nadrukkelijk bedoeld als opvolger van de aloude transactie (waarmee op dit moment niet is gezegd dat deze laatste op termijn volledig zal verdwijnen),3 terwijl dit zich anno 2017 ook vertaalt in de praktijk van de strafrechtspleging: de transactie is de laatste jaren duidelijk op zijn retour als modaliteit ter buitengerechtelijke afdoening van (lichte, veel voorkomende) strafbare feiten ten faveure van de strafbeschikking.4 Dit rechtvaardigt dat dit preadvies zich voor wat betreft de door het Openbaar Ministerie geïnitieerde vormen van buitengerechtelijke afdoening met name richt op de modaliteit van de strafbeschikking.5 Dit neemt niet weg dat op gezette plaatsen ook zal worden stilgestaan bij de transactie, met name waar het de problematiek van de zogenoemde hoge transacties en transacties in bijzondere zaken betreft.6 Een tweede buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit waaraan gedurende het betoog bijzondere aandacht wordt besteed is het voorwaardelijk sepot, niet in de laatste plaats omdat deze modaliteit in veel gevallen de strafrechtelijke kapstok voor de processuele verwerking van een proces van herstelbemiddeling vormt.
Ook de toepassing van de herstelbemiddeling kent namelijk vele verschijningsvormen en varianten. Herstelbemiddeling kan worden toegepast als alternatief voor het strafrecht, maar ook ‘naast’ het strafrecht als (mee te wegen) onderdeel van de strafrechtelijke afdoening. Daarnaast kan de herstelbemiddeling worden gepraktiseerd in de fase na de veroordeling. De eerste en de laatste vorm laten we in dit preadvies buiten beschouwing. Voor de eerste geldt dat dergelijke toepassingen – hoewel niet onbelangrijk – zich in de periferie van de strafrechtspleging afspelen,7 terwijl bij de laatste vorm in wezen geen sprake is van een buitengerechtelijke afdoening.8 Daar komt bij dat de politieke en beleidsmatige aandacht zich toespitst op ‘mediation naast strafrecht’.9 Deze toepassing van herstelbemiddeling heeft de meest directe raakvlakken met andere vormen van buitengerechtelijke afdoening, meer in het bijzonder het voorwaardelijk sepot. Om deze redenen concentreren wij ons in dit betoog op vormen van herstelbemiddeling die ‘naast’ en in aanvulling op strafrechtelijke afdoening plaatsvinden. Zoals we zullen zien, is het echter niet uitgesloten dat de rechter daarbij betrokken is.