Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.2
1.2 Maatschappelijke ontwikkelingen
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456402:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet beëindiging Financiële verhouding tussen Staat en Kerk, Wet van 7 december 1983, Stb. 1983, 638.
Overigens is met de uitbreiding van ‘strafwet’ naar ‘wet’ geen wezenlijke verschuiving beoogd. De Strafwet in de oude Grondwet had al de strekking van wet in formele zin. Zie Pel 2013, p. 64. Zie ook Jonkers 2010, p. 173.
De Bruijn 2004, p. 65, 66.
Kronjee & Lampert 2010, p. 173.
Zie onder andere Peters & Boogaard 2008, p. 115; Jonkers 2010, p. 498.
Vgl. Van Schie 2006, p. 264-270.
De katholieke traditie, zie o.a. Paus Pius XI, Quadragesimo Anno (encycliek), 15 mei 1931 en Maritain 1966 [1951].
De gereformeerde traditie, zie o.a. Kuyper 1959 en Dooyeweerd 1935.
Vgl. Post, TvRRB 2011-2, p. 53-55.
Zie o.a. Van den Berge & Kindt, AA 2012, p. 797; Soeteman, AA 2013, p. 160-165; Cliteur, AA 2012, p. 3090-3096; Van Bijsterveld 2011.
De term ‘godsdienstvrijheid’ gebruik ik als synoniem voor de term ‘recht op de vrijheid van godsdienst’.
Volgens Kortmann was de godsdienstvrijheid reeds in 1983 geen rustig bezit meer. Zie Kortmann 1983, p. 55-67.
Zie o.a.: H. Goslinga, ‘D66 en SP helemaal van God los’, Trouw, 2 december 2012; E. Klei, ‘D66 vijlt slechts christelijke restanten uit de Grondwet’, Trouw, 4 januari 2013; ‘D66 ontkent christenpesten’, Reformatorisch Dagblad, 12 januari 2013; ‘SGP en CU zijn christenpesten door D66 beu’, Trouw, 2 januari 2013. Zie in juridisch perspectief: Karim Theissen & Ten Napel, AA/20120182, 2012-3, p. 18-1870. Zie ook Scharffs, BYU Law Review 2017.
Vanaf de jaren zestig hebben ontzuiling en secularisatie in hoog tempo om zich heen gegrepen. In diezelfde tijd arriveerden nieuwe godsdiensten uit niet-westerse landen. Deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben hun sporen achtergelaten in de nationale rechtsorde. Zo kwam er met de grondwetswijziging van 1983 definitief een einde aan de financiële band tussen kerk en staat doordat er een regeling werd getroffen over de afkoop van de overheidsuitkeringen aan de kerken1 en werden er belangrijke veranderingen doorgevoerd betreffende de grondwettelijke regeling van de godsdienstvrijheid. Ten eerste werd de beperkingsclausule verruimd van ‘behoudens de bescherming van de maatschappij en harer leden tegen de overtreding van de strafwet’, naar ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Sindsdien kunnen naast het strafrecht alle wetten in formele zin, ook als die privaat- of bestuursrechtelijk van aard zijn, de vrijheid van godsdienst inperken.2 Ten tweede werd door de grondwetgever voor het eerst geen afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan het fenomeen godsdienst en werd het grondrechtsobject van het grondrecht uitgebreid doordat naast godsdienst ook het fenomeen levensovertuiging werd beschermd.3 Daarna is in Nederland de maatschappelijke betekenis van religie verder getransformeerd. Religie fungeert steeds minder als ‘transcendent teleologisch ordeningsprincipe’ in de samenleving en wordt steeds meer gezien als een onderdeel van de individueel gekozen en subjectief beleefde identiteit. De oude geïnstitutionaliseerde organisatievormen van religie zijn sterk in omvang afgenomen en er zijn onder andere door individualisering nieuwe vormen van religie ontstaan, die kerkelijk of institutioneel ongebonden zijn.4 Deze veranderingen hebben ook de rechtswetenschap niet onberoerd gelaten. Zo komt men in de juridische literatuur steeds vaker de opvatting tegen dat de rechtsorde zo is ingericht dat ze vooral – ten onrechte – de belangen van de van oudsher in ons land gevestigde religies behartigt en slechts in beperkte mate die van de ‘exotische nieuwkomers’ op het religieuze terrein.5 Het christendom, als traditioneel dominante religie, zou een te bevoorrechte positie genieten.6 Er zou meer rekenschap moeten worden gegeven van religies van migranten en van de individuele geloofsbelevenis die afwijkt van de traditionele religieuze stromingen. Ook staan de principes waarop godsdienst in de rechtsorde is verankerd onder druk. Voorheen waren beginselen zoals subsidiariteit7 en ‘soevereiniteit in eigen kring’8 richtinggevend.9 In de huidige ontzuilde maatschappij zouden deze beginselen aan zeggingskracht hebben ingeboet.10
In het licht van deze maatschappelijke ontwikkelingen is de godsdienstvrijheid11 geen rustig bezit meer.12 Er gaan zelfs geluiden op om haar in het geheel te schrappen en te laten opgaan in andere grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. Daartegenover kan een groeiend onbehagen bij de orthodox-christelijke gemeenschap worden ontwaard. Zij meent dat in ons land de christelijke identiteit niet meer serieus wordt genomen en de traditionele rechten van gelovigen in toenemende mate onder druk staan.13