Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IV.2
IV.2 Direct externe werking
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Sieburgh 6-III 2018/99 en GS Vermogensrecht/Van Cassel-van Zeeland 2018, art. 3:33 BW, aant. 4.2.
Zo ook Canisius & Canisius 2015, p. 107. Te kort door de bocht gaat daarom Hof Amsterdam 16 september 2014, JOR 2015/128, m.nt. Schepel (Emmenel), rov. 3.7.
Vgl. Van den Braak 1996, p. 79.
Vgl. HR 29 juni 2007, JOR 2007/228, m.nt. Kollen (Vereniging Oud-Volendam). Zie ook § III.3.1.
HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining).
Vgl. HR 20 maart 1941, NJ 1941/542 (Paanakker’s Schoenhandel) en HR 26 oktober 1984, NJ 1985/375, m.nt. Maeijer (Sjardin/Sjartec).
Canisius & Canisius 2015, p. 116 e.v.
Zie ook De Die 1980, p. 47 en Timmerman 1991, p. 69.
Welke besluiten hebben direct externe werking? Art. 2:16 lid 2 BW spreekt van ‘een rechtshandeling, die tot een wederpartij is gericht’. Dit laat ruimte voor interpretatie. In navolging van het algemeen vermogensrecht – dat in art. 3:32 lid 2 en 3:34 lid 2 BW onderscheidt tussen gerichte en ongerichte rechtshandelingen – zou ik menen dat het gaat om de vraag of het besluit een ontvanger kent.1 Heeft het besluit een adressant en heeft het een eenzijdige rechtshandeling op het oog, dan heeft het besluit direct externe werking. Vervolgens is het zinvol te onderscheiden tussen besluiten van het bestuur en van andere organen.
Of een bestuursbesluit een ontvanger heeft, hangt mijns inziens af van de bedoeling van het bestuur.2 Ook van belang is wat de derde omtrent die bedoeling heeft mogen aannemen.3 Heeft het bestuur alleen bedoeld te besluiten of heeft het tevens beoogd de rechtspersoon te vertegenwoordigen? Het besluit behoeft interpretatie. Beslissend zijn de notulen van de bestuursvergadering of de uitlatingen van degene die aan de derde mededeling deed van het besluit. Ook latere gedragingen van het bestuur kunnen relevant zijn.4 De Hoge Raad lijkt deze benadering te volgen. Het Silver Lining-arrest betrof de opzegging van een managementovereenkomst. Interpretatie van het desbetreffende bestuursbesluit maakte dat dat besluit niet zelf de opzegging behelsde. Blijkens de bedoeling van het bestuur omvatte het besluit slechts de verlening van een volmacht om de managementovereenkomst op te gaan zeggen. Het besluit werkte dan ook niet rechtstreeks jegens de bestuurder in kwestie.5
In sommige gevallen is niet het bestuur, maar een ander orgaan bevoegd te besluiten. Zo besluit de algemene vergadering over de benoeming van bestuurders (art. 2:132/242 lid 1 BW). Komt dit besluit direct externe werking toe? Of een besluit van een ander orgaan dan het bestuur een ontvanger heeft, hangt af van de wet. Geeft de wet een ‘vertegenwoordigingsregel’, dan richt een besluit zich tot een adressant en heeft het direct externe werking. Dit geldt voor een besluit van de algemene vergadering (of de raad van commissarissen) om een bestuurder te benoemen, te schorsen of te ontslaan.6 Evenzo hebben een dechargebesluit, een uitkeringsbesluit7 en een bezoldigingsbesluit8 direct externe werking. Uit de wet volgt dat deze besluiten zich rechtstreeks tot een derde richten.9 Anders dan het bestuur kan de algemene vergadering of een ander orgaan niet kiezen. Uit de wettelijke verdeling van bevoegdheden vloeit voort dat het orgaan moet vertegenwoordigen.