Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/97:97 ’In het algemeen’ versus ‘in een zeer specifiek geval’
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/97
97 ’In het algemeen’ versus ‘in een zeer specifiek geval’
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505243:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook A. Nuyts, ‘The enforcement of jurisdiction agreements further to Gasser and the community principle of abuse of rights’, in: P. de Vareilles-Sommières, Forum shopping in the European judicial area, Oxford: Hart Publishing 2007, p. 60 alsmede Hess, Pfeiffer & Schlosser 2008, p. 110.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vervolgens rijst de vraag of een dergelijke benadering niet in strijd komt met de Gasser-uitspraak, waarin immers ook als argument tegen toepassing van de litispendentiebepaling is aangevoerd dat de toegang tot de (gekozen) Oostenrijkse rechter zou worden geblokkeerd, hetgeen – bij lange duur – in strijd zou komen met art. 6 EVRM. De overweging in Gasser dat niet aan de toepassing van de litispendentiebepaling kan worden afgedaan dat de procedurele molens in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht in het algemeen zeer traag malen, is voer voor speculatie. De precieze reikwijdte hiervan kan aanleiding geven tot vragen. De vraag in Gasser was of de extreem lange duur van procedures in een specifieke lidstaat een afwijking van de litispendentieregel ten aanzien van die lidstaat kan rechtvaardigen. Het is begrijpelijk dat het HvJ op deze vraag geen bevestigend antwoord kon geven. Nog afgezien van het feit dat een dergelijke uitspraak politiek gevoelig zou liggen, kan het HvJ moeilijk de procedures in een specifieke lidstaat als ‘in het algemeen onredelijk traag’ wegzetten. Een dergelijk antwoord zou ook volstrekt in strijd zijn met het beginsel van wederzijds vertrouwen in elkaars rechtspraak dat aan de EEX-Verordening ten grondslag ligt. Met andere woorden, het HvJ heeft zich in Gasser niet uitgesproken over de vraag of onder de specifieke omstandigheden van de zaak (en dus niet ‘in het algemeen’), de extreem lange duur van de procedure voor het eerst aangezochte gerecht een inbreuk op art. 6 EVRM vormt. Er zit ruimte in het oordeel van het HvJ om te betogen dat de overweging over onredelijk lange duur slechts op gaat indien de procedures in de gewraakte lidstaat in het algemeen lang duren, niet in het specifieke geval.1 Daarmee is naar mijn mening de Gasser-uitspraak niet funest voor de toepassing van art. 6 EVRM in gevallen waarin de eerst aanhangige procedure onredelijk lang duurt. Dat betekent dat in een zeer specifiek geval waarin sprake is van excessieve vertraging in de afdoening van de eerst aanhangige procedure, het aanhouden van de zaak door de laatst aangezochte rechter een schending van art. 6 EVRM kan opleveren. Hiervan zal echter, het zij nogmaals benadrukt, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn.