Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.2.5
2.4.2.5 De rol van het vermogen
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232300:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Boven 2011, nr. 144. Wel kan worden opgemerkt dat ten gevolge van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, B.S. 14 juni 2013, artikel 496/3 BBW is ingevoerd. Op grond van die bepaling kan een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon, bewindvoerder zijn over het vermogen van te beschermen persoon.
Van Gerven 2007, nr. 255.
Parl. St. Senaat 2000-2001, nr. 2-283/16, p. 45.
Vgl. ook M.E. Storme, ‘Van trust gespeend? Trusts en fiduciaire figuren in het Belgisch privaatrecht’, https://www.law.kuleuven.be/personal/mstorme/trust.pdf, p. 28. Oudere versies van deze tekst verschenen in CBR Jaarboek 1997-98 en nadien in Tijdschrift voor Privaatrecht 1998, nr. 35, pp. 703-819.
Voorheen artikel 28 onder 6° V&S-wet. Van Boven 2011, nr. 123.
Van Boven 2011, nr. 130.
Het vermogen van de stichting speelt in Nederland geen doorslaggevende rol meer, zo zagen wij hiervoor in 2.2.2.5. De stichting als doelorganisatie is volledig erkend. In Duitsland daarentegen speelt het vermogen wel een doorslaggevende rol: zonder vermogen, geen stichting (zie 2.3.2.5). Hoe dat in België zit, is niet helemaal duidelijk. De wet stelt niet de eis dat de stichting bij de oprichting moet worden voorzien van een aanvangsvermogen. Maar of een stichting zonder vermogen denkbaar is, is in België omstreden. Volgens de heersende mening in de literatuur is een vermogen vereist. Van Boven acht een vermogen niet nodig vanwege het ontbreken van een uitdrukkelijke vermogenseis in de wet.1
De onduidelijkheid rond de vraag of een stichting zonder bezit in België denkbaar is, hangt wellicht samen met de aard van de Belgische stichting. De aard van de Belgische stichting is, net als in Duitsland, die van doelvermogen.2 Dit doelvermogen houdt de stichting niet voor zichzelf, maar ten behoeve van derden.
‘De aard zelf van de stichting die bestaat in het beheer van een kapitaal,’
aldus de Belgische minister van Justitie.3 Dit duidt op de gedachte dat de stichting fiduciair eigenaar is van haar vermogen.4 Een andere aanwijzing daarvoor is de mogelijkheid tot het opnemen van het ‘elastiekbeding’ in de statuten (artikel 11:2 lid 2 WVV).5 Het elastiekbeding voorziet in de mogelijkheid voor de oprichter de door hem ter verwezenlijking van het doel in de stichting ingebrachte goederen – of de waarde daarvan – terug te nemen. Het terugnamerecht kan ook toekomen aan de erfgenamen of legatarissen van de stichter. Terugname is alleen dan mogelijk wanneer het belangeloos doel van de stichting is verwezenlijkt.6 Dit ‘elastiekbeding’ voedt de gedachte dat de stichting haar vermogen slechts onder zich houdt, zolang dat nodig geacht wordt. Het terugneemrecht vormt daardoor een belangrijk verschil met de Nederlandse stichting. In 5.3 kom ik hierop terug bij de behandeling van de achtergrond van het uitkeringsverbod in Nederland. Daar zal blijken dat een elastiekbeding niet past in de Nederlandse visie op het dupliceringsverbod dat eist dat vermogen dat is ingebracht in een stichting, daar niet meer uitgehaald kan worden ten behoeve van de inbrenger.