De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.2.4:2.4.2.4 De wil van de oprichter
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.2.4
2.4.2.4 De wil van de oprichter
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232257:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Gerven 2007, nr. 263.
Voorheen artikel 30 § 3 V&S-wet.
Van Gerven 2007, nr. 264.
Van Gerven 2007, nr. 264.
Van Gerven 2007, nr. 264. Van Gerven schrijft over deze voordien in artikel 30 § 3 V&S-wet opgenomen bepaling: ‘De rechter zal zich verplaatsen op de dag van vandaag en nagaan wat de wil van de stichter ware geweest indien hij de stichting vandaag had opgericht.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De mogelijkheden tot statutenwijziging van een stichting zijn in België in essentie dezelfde als in Nederland. Als de statuten niet de persoon of het orgaan aanwijzen dat bevoegd is de statuten te wijzigen, is statutenwijziging niet mogelijk.1 Dit volgt uit artikel 11:4 WVV:
‘Indien ongewijzigde handhaving van de statuten gevolgen zou hebben die de stichter bij de oprichting redelijkerwijze niet kan hebben gewild en de personen gemachtigd om de statuten te wijzigen dat nalaten, kan de ondernemingsrechtbank op verzoek van ten minste één bestuurder of op vordering van het openbaar ministerie de statuten wijzigen. Zij waakt erover daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af te wijken.’2
Daardoor staat ook in België de wil van de oprichter bij de stichting centraal. Ook Van Gerven legt het verband tussen deze bepaling en de wil van de oprichter:
‘Daar het een bepaling van dwingend recht betreft in het belang van het voortbestaan van de stichting in overeenstemming met de wensen van de stichter, kan de rechtbank op grond van deze bevoegdheid de statuten wijzigen zelfs indien de statuten dit verbieden: in de statuten kan de toepassing van deze wettelijke mogelijkheid niet worden uitgesloten.’3
De wil van de oprichter is kennelijk zo belangrijk dat – juist om het voortleven van de wil van de oprichter te waarborgen – de rechter de mogelijkheid moet hebben de statuten te wijzigen. De rechter moet de wil van de oprichter achterhalen uit de statuten of andere geschriften die werden opgesteld bij de voorbereiding van de oprichting, aldus Van Gerven.4 Dit vormt een aanwijzing dat het ook in België niet gaat om de subjectieve wil van de erflater/oprichter, maar om de geobjectiveerde wil. Ook uit het gebruik van uit het Nederlandse artikel 2:294 lid 1 BW ontleende term ‘redelijkerwijze’ in artikel 11:14 WVV vormt daar een aanwijzing voor.5 Dus ook in België, net als in Duitsland en Nederland, fixering van de wil van de oprichter zonder dat dit tot redelijkerwijze niet-bedoelde gevolgen mag leiden.