De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/3.1:3.1 Doel en rechtvaardiging van verjaring
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/3.1
3.1 Doel en rechtvaardiging van verjaring
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370151:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De mededeling dat doel en rechtvaardiging van verjaring in dit boek het denken over verjaringsvragen in belangrijke mate beïnvloedt, verbaast op zichzelf waarschijnlijk niet. Reeds in het algemeen verdient het aanbeveling bij de gedachtevorming over een regel belangrijke betekenis toe te kennen aan zijn doel en rechtvaardiging waarom dus niet in het kader van de verjaring? Er is evenwel een "verjaringsspecifieke" reden die de noodzaak daartoe in het bijzonder doet voelen.
Die reden is dat een redenering opgezet vanuit het doel en de rechtvaardiging van verjaring naar mijn indruk bijna steeds min of meer dwingend tot een bepaald antwoord voert; het lijkt alsof logica de boventoon kan voeren en kwesties van waardering, waardeoordelen zo men wil, in bovengemiddelde mate buiten deur kunnen blijven. Nu is deze stelling naar zijn aard natuurlijk lastig te bewijzen en misschien heeft mijn onevenredige aandacht voor de verjaring het vergelijkende zicht op de zaken ook wel vertroebeld. Laat ik daarom als subsidiaire stelling poneren dat tot op heden in Nederland verjaringsrechtelijke vragen te weinig vanuit doel en rechtvaardiging zijn beantwoord, en dat reeds daarom dat perspectief in dit boek uitgebreide behandeling behoeft. Neem het volgende voorbeeld.
Ter inleiding: als gevolg van tijdsverloop wordt de positie van een debiteur in tweeërlei opzicht aangetast: (i) zijn bewijspositie verzwakt en (ii) zijn vermogenspositie is steeds minder op nakoming ingesteld. Om die reden is er de bevrijdende verjaring: op enig moment prevaleert het belang dat de debiteur erbij heeft dat de vordering tegen hem niet meer in rechte kan worden afgedwongen, boven het belang van de crediteur bij voortdurende afdwingbaarheid van zijn vordering. Als van de crediteur verlangd mocht worden dat hij zijn vordering instelde en hij dat niet heeft gedaan, doet zich dat voor na betrekkelijk korte tijd (als regel na vijf jaar)1 en als hem dat verwijt niet treft na lange tijd (twintig of dertig jaar).2
Bijna ieder rechtsstelsel kent evenwel een middel om de voltooiing van de verjaring af te wenden, te weten de stuiting. Naar Nederlands recht kan stuiting plaatsvinden door: (i) het instellen van een rechtsvordering, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde (art. 3:316 BW), door (ii) een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 BW) of door (iii) erkenning (art. 3:318 BW). Deze gebeurtenissen doen de crediteur weten dat de debiteur nog nakoming verlangt. De gedachte is dat als de debiteur dat weet, hij zijn bewijspositie kan verzekeren en zijn vermogenspositie op nakoming kan inrichten. De stuiting stelt hem als het ware in staat de nadelige gevolgen van tijdsverloop af te wenden.
Nu heeft zich de vraag voorgedaan of de dagvaarding (die krachtens art. 3:316 een stuiting constitueert) tevens stuit ten behoeve van hetgeen later bij vermeerdering van eis extra wordt gevorderd. De Hoge Raad heeft beslist, kort gezegd, dat zolang "het meerdere" wordt gevorderd op basis van dezelfde feitelijke en juridische grondslag als het bij de oorspronkelijke dagvaarding gevorderde deel, de dagvaarding ook ten aanzien van het meerdere stuitende werking heeft.
De bedoelde beslissing werd genomen in HR 23 mei 1997.3 In die zaak vordert de eiser vergoeding van bepaalde schade als gevolg van een mislukte transactie. Bij inleidende dagvaarding van 13 januari 1983 vordert zij een aantal posten, waaronder opslagkosten, renteverlies, koersverlies en winst die zij had gederfd doordat zij gedurende enige tijd in de onmogelijkheid heeft verkeerd haarwerkkapitaal op andere wijze aan te wenden. Zij vermeerdert haar eis tot vergoeding van "gederfde winst als gevolg van verkoop tegen lagere prijzen", bij memorie van grieven van 23 februari 1995 — ruim twaalf jaar later dus. De aangesproken partij betoogt dat die laatste vordering verjaard is. Het hof vond dat ook, maar de Hoge Raad oordeelde anders:
Het middel strekt onder meer ten betoge dat het Hof, aldus oordelende, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat de verjaring door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding is gestuit. Door het vermeerderen van haar eis heeft BWW, aldus het middel, niet een nieuwe rechtsvordering ingesteld, die voor de beantwoording van de verjaringsvraag opnieuw aan de desbetreffende wettelijke bepalingen moest worden getoetst. Dat betoog is juist. In geval een eiser in de loop van het geding zijn eis vermeerdert en de verweerder zich tegen de aldus bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering beroept op verjaring, hangt het tijdstip waarnaar moet worden beoordeeld of dit verweer doel treft, daarvan af of de aldus ingestelde vordering al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe rechtsvordering; in het eerste geval is voor de vraag of zij tijdig is ingesteld, het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend, in het tweede geval dat van de rechtsingang. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid (vgl. HR 12 november 1965, NJ 1966, 58, HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495).
Ik meen dat het oordeel van de Hoge Raad onjuist is. De Hoge Raad zoekt ter beantwoording van de verjaringsvraag aansluiting bij een procesrechtelijke kwalificatie, terwijl hij het doel en de rechtvaardiging van verjaring tot uitgangspunt had moeten nemen.
Meer concreet: bij de stuiting gaat het er als gezegd om dat de schuldenaar ervan bewust raakt dat hij zijn bewijspositie moet bewaren en zijn vermogenspositie onverkort op nakoming moet inrichten. Het procesrechtelijke onderscheid tussen een nieuwe of een niet nieuwe rechtsvordering sluit niet bij dat doel aan. Bepaald niet gezegd is immers dat van de inleidende dagvaarding het signaal uitgaat dat de debiteur tevens onverkort met betaling van het later bij vermeerdering van eis alsnog gevorderde restant rekening moet houden. Integendeel, als op een bepaalde juridische en feitelijke grondslag een vordering wordt ingesteld, zal de debiteur veelal geneigd zijn te veronderstellen dat het verder wel bij die vordering zal blijven en zal hij dus zijn bewij sen vermogenspositie ten aanzien van het meerdere niet verzekeren.
Zo zal in de onderhavige zaak de aangesprokene met de ruim twaalf jaar na de inleidende dagvaarding te berde gebrachte schadepost geen rekening meer hebben gehouden. Dat is uit oogpunt van zijn bewijspositie bezwarend, omdat met het enkele feit dat de vordering op dezelfde feitelijke grondslag berust, niet gezegd is dat hij ten aanzien van de nieuw gevorderde post geen apart feitelijk verweer zou hoeven voeren. Het zal erom gaan of de nieuw gevorderde schadepost bestaat — moest de eiser zijn producten tegen een lagere prijs verkopen of niet? — en dat is een debat met geheel eigen bewijsmiddelen. Ook uit oogpunt van de planning van zijn vermogenspositie is de eisvermeerdering bezwarend, omdat hij die niet meer op nakoming van de extra gevorderde schade heeft ingericht. De vordering had dus met het oog op doel en rechtvaardiging van verjaring wél verjaard geoordeeld moeten worden.
Tot zover mijn voorbeeld. Het voorgaande hoopt het belang van gedachtevorming over doel en rechtvaardiging van verjaring te illustreren. De ruime aandacht voor doel en rechtvaardiging in dit boek wordt overigens niet alleen bepaald door hun belang. Ook de bijkomende omstandigheid dat er in Nederland gewoon nog niet veel over geschreven is, maakt een vrij uitvoerige behandeling noodzakelijk.