Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.1:4.1 Inleiding
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661306:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Happé 1996, p. 34-35.
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/55; Feteris 2007, p. 6-7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk breng ik de rechtsregel voor toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting in het belastingrecht in kaart (‘geldend recht’). Daarmee verschuift de aandacht van de voorlichtende taak van de Belastingdienst (hoofdstuk 2) en zijn praktische invulling (hoofdstuk 3) naar de kant van de burger die verwachtingen kan ontlenen aan de verstrekte voorlichting. De invalshoek verandert daarmee van enerzijds die van de Belastingdienst en de belastingwet(gever) naar anderzijds die van de belastingrechter en rechtsbescherming bij voorlichting.1 Het specifieke juridische kader is in dit hoofdstuk het leerstuk van het vertrouwensbeginsel. De toepassing van het vertrouwensbeginsel bepaalt of de verwachtingen die de burger heeft ontleend aan voorlichting worden beschermd. Als uitgangspunt geldt bij voorlichting dat de burger daaraan niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen (‘huidige koers’). Die koers volgt uit arresten van de Hoge Raad sinds 1979 inzake ‘algemene voorlichting’ en ‘inlichtingen’ (hierna: ‘de voorlichtingsjurisprudentie’), waarin BNB 2022/10 geen principiële wijziging heeft gebracht.
In de fiscale literatuur is de huidige koers weliswaar vaak beschreven, maar nauwelijks ter discussie gesteld. Er is bovendien relatief weinig bekend over de uitgangspunten en veronderstellingen die aan de huidige koers ten grondslag liggen. Daarmee ontbreekt mijns inziens zicht op houdbaarheid en wenselijkheid van de stand van het recht, mede gelet op juridische en maatschappelijke ontwikkelingen.2
De deelvraag in dit hoofdstuk is: Op welke wijze wordt het vertrouwensbeginsel bij voorlichting toegepast, en voldoet de huidige toepassing in het licht van het juridische kader en maatschappelijke ontwikkelingen? Het doel van dit hoofdstuk is tweeledig. Ten eerste is beoogd om de stand van de voorlichtingsjurisprudentie in kaart te brengen, waarbij met name zicht moet worden verkregen in de factoren, aannames en gezichtspunten die daarbij relevant zijn. In de tweede plaats is het doel om te bepalen of het geldende recht nog voldoet, of bijstelling verdient. Bij de herijking van de toepassing van het vertrouwensbeginsel moet immers worden nagegaan of het recht nog voldoende ‘is afgestemd op “de” werkelijkheid die het bestrijkt’.3
Ter beantwoording van de deelvraag behandel ik eerst het leerstuk van het vertrouwensbeginsel en de specifieke methode die de belastingrechter daarbij heeft ontwikkeld (paragraaf 4.2). Daarna volgt de bespreking van de voorlichtingsjurisprudentie, waarbij de bespreking met name is gericht op het identificeren van de voor de huidige koers relevante factoren (paragraaf 4.3). Vervolgens zet ik de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting af tegen die bij beleidsregels (paragraaf 4.4) en bij toezeggingen (paragraaf 4.5). Deze vergelijking dient als hulpmiddel om de huidige koers en de daarbij relevant geachte uitgangspunten, keuzes en knelpunten verder bloot te leggen en te toetsen. De vergelijking geeft aanleiding om de kwalificatie- en afbakeningsproblematiek die zich tussen uitingen in het kader van de ‘voorlichtende taak’ en andere uitingen kan voordoen preciezer te analyseren (paragraaf 4.6). Daarna zal ik reflecteren op de belangrijkste punten van de huidige koers en zal ik de houdbaarheid daarvan kritisch tegen het licht houden (paragraaf 4.7). Ik sluit af met een tussenconclusie, waarin ik concludeer dat de huidige toepassing bijstelling verdient (paragraaf 4.8).