Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.5.2
VI.5.2 Rechtsverlies door stemgedrag
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178749:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor de GmbH: Michalski/Römermann 2017, Anh. § 47 Rn. 386 en MüKoGmbHG/Wertenbruch 2019, Anh. § 47 Rn. 271. Zie voor de AG de vindplaatsen in de volgende noot.
§ 245 1 AktG. Zie Spindler/Stilz/Dörr 2015, AktG § 245 Rn. 24 e.v. en MüKoAktG/Hüffer/Schäfer 2016, AktG § 245 Rn. 36.
HR 18 november 1926, NJ 1927/283, m.nt. Meijers (Coöperatieve Stroocartonfabriek Ons Belang). Zo ook HR 18 april 1913, W. 9500, m.nt. Wolterbeek Muller (Bierbrouwerij de Posthoorn). De vooroorlogse literatuur was sterk verdeeld; zie Rozendaal 1931, p. 85.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/316. Kroeze beroept zich op Rb. Groningen 24 juni 1974, rov. 24, te kennen uit HR 5 januari 1979, NJ 1979/317 (Slijkerman/Volkshogeschool ’t Öldorp): directeur Slijkerman kan zich er niet op beroepen dat het stichtingsbestuur dat besloot hem te ontslaan, onjuist is samengesteld, als hij jarenlang met dat bestuur heeft samengewerkt. Deze casus is niet wat ik hier bedoel, maar wel een fraaie toepassing van rechtsverwerking.
Meinema 2003, p. 151.
HR 29 november 1996, NJ 1997/345, m.nt. Maeijer (Chipshol/Landinvest), waarover § IX.3.5.
Zie § 5.1 slot en § IX.3.5. Zie ook Maeijer in zijn noot onder OK 16 maart 1989, NJ 1990/318 (Coöperatieve Levensmiddelengroothandel NCM Kenbake), rov. 3.4, waarin de OK – volgens Maeijer ten onrechte – de absolute eis stelt dat degene die heeft vertrouwd op de vóórstem van de ander iets heeft gedaan of nagelaten waardoor hij in een ongunstiger positie is komen te verkeren.
HR 31 mei 1996, NJ 1996/694, m.nt. Maeijer (Lampe/Videoworks), rov. 3.4.
Ook in België wordt e.e.a. in verband gebracht met afstand van recht. Zie Ronse 1966, p. 399 en De Dier 2016/248. In Duitsland is de regel een toepassing van het verbod op venire contra factum proprium, dat op zijn beurt uit de Treu und Glauben van § 242 BGB voortspruit. Zie Spindler/Stilz/Dörr 2015, AktG § 245 Rn. 30.
Zie voor België Tilleman 1994, p. 79-80 en De Dier 2016/391. Zie voor Duitsland Spindler/Stilz/Dörr 2015, AktG § 245 Rn. 30, met verwijzingen.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2016, JOR 2017/159, m.nt. Van Vught (Ugchelenplaza).
In het voorgaande bleven de drie leerstukken – zeker rechtsverwerking – enigszins abstract. Wanneer het recht tenietgaat tegen een besluit op te komen, valt niet steeds exact te zeggen. Maar zijn er ook harde regels? Zo geldt in België dat degene die vóór een besluit stemt, daarvan niet de vernietiging kan vorderen (art. 2:42 lid 2 WVV). In Duitsland is dat niet anders.1 In de AG eist de wet bovendien dat de aandeelhouder ter vergadering verschijnt, tegenstemt én uitdrukkelijk de geldigheid van het besluit betwist – verzuim hiervan leidt tot verlies van de bevoegdheid de vernietiging te vorderen.2
Leidt voorstemmen ook in Nederland tot rechtsverlies? In een tweetal vooroorlogse arresten antwoordt de Hoge Raad ontkennend. Naar zijn oordeel
‘is [niet] in te zien, hoe een besluit – indien het den voor het ontstaan van verbintenissen noodzakelijken grondslag in overeenkomst of wet mist – door de houding van een lid alleen kon worden tot een te zijnen opzichte geldige titel, waar eenzelfde besluit niet kan zijn geldig tegenover het ééne lid, doch ongeldig tegenover andere leden’.3
Blijkens het slot van dit citaat doet de Hoge Raad zijn opvatting steunen op het erga omnes-beginsel, op grond waarvan een besluit jegens allen geldig óf ongeldig is. Overtuigend is dit niet, in ieder geval niet voor het huidig recht. Zoals zo-even al aangegeven (§ 5.1) maakt de afstand van een enkeling een besluit niet onaantastbaar geldig. Voor degene die afstand doet is het besluit even geldig als voor alle anderen. Pas als een ander zijn vernietigingsbevoegdheid wel uitoefent en de rechter tot vernietiging komt, is het besluit voor eenieder ongeldig, óók voor degene die eerder afstand deed. Dat volgt uit art. 2:16 lid 1 BW. De oude jurisprudentie heeft zogezegd geen betekenis meer.
Naar de (moderne) wetsgeschiedenis kan de omstandigheid dat iemand welbewust voor een besluit heeft gestemd, ‘onder andere van invloed zijn’ op de vraag of diegene een redelijk belang heeft bij een vordering tot vernietiging van dat besluit.4 Kroeze lijkt dezelfde opvatting toegedaan, maar plaatst die mede in de sleutel van de redelijkheid en billijkheid. Bovendien stelt hij de regel breder: wie meewerkt aan de besluitvorming, kan daardoor onder omstandigheden het recht verliezen tegen de genomen besluiten op te komen.5 Meinema verdedigt dat wie voorstemt, zijn recht verwerkt om vernietiging te vorderen.6 Dit laatste valt uit het door Meinema aangehaalde Chipshol-arrest7 echter niet zo absoluut af te leiden. Bij rechtsverwerking is naar haar aard steeds ruimte voor een afweging van de omstandigheden van het geval, omdat dat leerstuk voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn.8 De scherpe regel – wie voorstemt, moet later zwijgen – lijkt dus geen geldend recht. Ook de opvatting van de wetgever komt mij wat gewrongen voor. Dat iemand heeft voorgestemd, zegt niets over zijn redelijk belang bij de naleving van de geschonden regel (zoals art. 2:15 lid 3 onder a BW het formuleert). Hij kan immers ook tegen zijn eigenbelang in hebben voorgestemd, maar daarvan later willen terugkomen. Aldus kan diegene nog altijd de vernietiging vorderen als hij – zoals het de Hoge Raad het formuleert – in een eigen belang is of dreigt te worden geschaad.9 Het vereiste van een redelijk belang heeft geen normatieve inhoud.
Toch zou ik de regel willen aanvaarden zoals die in België en Duitsland geldt. Codificatie verdient de voorkeur, maar in de tussentijd mag de regel worden beschouwd als een toepassing van het leerstuk van afstand. Wie voorstemt, heeft kennelijk de wil om afstand te doen van het recht datzelfde besluit aan te tasten. In ieder geval wekt hij welbewust het vertrouwen dat hij het besluit niet zal bestrijden.10 De ratio van de regel bestaat eruit dat de mogelijkheid van vernietiging ex art. 2:15 BW ten dienste staat van degene die aan een besluit niet heeft meegewerkt. Het gaat niet aan dat iemand die vóór een besluit heeft gestemd, dat besluit kan laten toetsen op zijn wijze van totstandkoming en overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. Wie voorstemt, is niet gebonden door het meerderheidsbeginsel, maar is gebonden door zijn instemming. Die instemming heeft hetzelfde karakter als de instemming met een overeenkomst. En een partij bij een overeenkomst kan die later niet laten toetsen op zijn wijze van totstandkoming en zijn redelijkheid. Dat is althans het uitgangspunt. Slechts wanneer er iets schort aan de instemming met de overeenkomst door gebrekkige wilsvorming, kan die worden aangetast. Art. 2:15 BW geeft de rechter meer speelruimte om een besluit te toetsen, maar die ruimte is er omdat men aan een besluit gebonden kan zijn tegen zijn wil.
De voorstemmer kan dus niet vernietigen. Reeds uit het voorgaande volgt dat deze regel uitzonderingen kent. In België bepaalt het nieuwe art. 2:42 lid 2 WVV dat hij niet geldt als sprake was van een ‘gebrek in de toestemming’, oftewel een gebrekkige wilsvorming. Wie bij het stemmen heeft gedwaald of bijvoorbeeld onder druk is gezet om voor te stemmen, kan zich nog altijd tot de rechter wenden. Uiteraard geldt hetzelfde als het gebrek in het besluit de voorstemmer niet kenbaar was ten tijde van het nemen van het besluit.11 Zo kunnen latere omstandigheden een besluit onredelijk maken. Ten slotte mag de voorstemmer mijns inziens afgaan op de betekenis die aan het te nemen besluit wordt gegeven – als het besluit door een latere, andersluidende uitleg bezwaarlijk wordt, ontbreekt de instemming met dat besluit evenzeer.12 De bewijslast voor deze uitzonderingen rust logischerwijs op de voorstemmer die tegen een besluit opkomt.