Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.1
12.5.1 Inleiding en plan van behandeling
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491488:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De eis dat de latere heffing moet zijn verzekerd, omvat ook de situatie waarin bij de splitser en/of de verkrijger(s) een latent liquidatieverlies aanwezig is. Art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 bevat daarnaast de eis dat bij de verkrijgers (afsplitsing en zuivere splitsing) en bij de splitser (zuivere splitsing) geen aanspraak mag bestaan op toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Tot slot bepaalt art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 dat de splitsingspartners (vrij vertaald) de innovatiebox niet mogen toepassen. Ik kom op deze drie onderwerpen terug bij de analyse van de regels over fiscale aanspraken en overige (fiscale) posities van de splitsingspartners in onderdeel 12.6.
Zie onderdeel 12.3.
Bij fiscaal gefaciliteerde splitsingen rekent de splitsende rechtspersoon niet af over de splitsingswinst. Daar staat tegenover dat vennootschapsbelastingclaims doorschuiven naar de verkrijger(s). Daarbij wordt op dit moment in essentie de volgende tweesporenbenadering gevolgd:
De meeste claims gaan via de fiscale indeplaatstreding automatisch over naar de verkrijger(s).
De wettelijke doorschuifregeling kan alleen worden toegepast als aan alle eisen van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 is voldaan. Een aantal van die eisen heeft (ook) betrekking op, of houdt verband met, het handhaven van vennootschapsbelastingclaims. Voldoen de splitsingspartners niet aan een of meer van die eisen, dan is fiscale facilitering alleen mogelijk op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Een aantal standaardvoorwaarden is vervolgens gericht op het handhaven of afwikkelen van vennootschapsbelastingclaims. Dit systeem kan als volgt worden samengevat:
Wettelijke eis
Nadere regels
Nadere regels
(art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969)
Zuivere splitsing
Afsplitsing
1.
Voor het bepalen van de winst zijn bij de splitsingspartners dezelfde bepalingen van toepassing
X
X
2.
De latere heffing is verzekerd. In de volgende gevallen is dat (mogelijk) niet het geval:1
a. Als gevolg van de splitsing gaat vermogen teniet
Stvw 1
Stvw 1
b. Door de splitsing verlaat vermogen het bereik van de Wet VPB 1969
Stvw 1
Stvw 1
c. De afsplitsende rechtspersoon is een beperkt belastingplichtige (stichting of vereniging)
X
Stvw 7
d. Een vordering daalt in waarde door de splitsing
Stvw 2
Stvw 2
e. De splitser heeft een deelneming als bedoeld in art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011)
Stvw 3
Stvw 3
f. De splitsende rechtspersoon beschikt over een opwaarderingsreserve ex art. 13ba, lid 1, Wet VPB 1969
Stvw 4
Onderdeel 5.2 beleidsbesluit
g. Bij de splitsing wordt een negatieve winst behaald
Stvw 12
Stvw 12
Stvw = Standaardvoorwaarde
X = Geen nadere regels gepubliceerd
Hiervóór is geconcludeerd dat het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek zou moeten vervallen.2 Dit betekent onder meer dat de wettelijke eisen in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 kunnen worden geschrapt. Voor zover dat noodzakelijk is, dienen tegelijkertijd de standaardvoorwaarden – mogelijk in gewijzigde vorm – te worden opgenomen in de Wet VPB 1969 en/of in het te ontwerpen Besluit reorganisaties. In de onderdelen hierna kom ik hierop terug.
Hierna wordt eerst het toetsingskader nader geconcretiseerd (onderdeel 12.5.2). Vervolgens worden de regels met betrekking tot het waarborgen van vennootschapsbelastingclaims in diverse onderdelen getoetst aan het toetsingskader en worden aanbevelingen geformuleerd (onderdelen 12.5.3 t/m 12.5.11). Afsluitend wordt ingegaan op een specifiek voorschrift met betrekking tot het vaststellen van het opgeofferde bedrag in het geval van een moeder-dochterafsplitsing (onderdeel 12.5.12).