Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.6.2
4.6.2 Accommodationisme versus liberaal gezindte pluralisme
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457613:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Burg maakt in dit verband het onderscheid tussen exclusieve, inclusieve en compenserende neutraliteit waarbij hij de categorie exclusieve neutraliteit koppelt aan de seculiere staat. Inclusieve en compenserende neutraliteit lijken bij Van der Burg varianten van een accommodationistisch perspectief waarbij de inclusieve neutraliteit vooral betrekking heeft op de gelijke accommodatie van de bestaande religies en levensovertuigingen en de compenserende visie het aspect betreft dat de uitoefening van godsdiensten die op de een of andere manier historisch zijn achtergesteld ter zake van die achterstelling worden gecompenseerd door middel van accommodatie. Dit betreft dan accommodatie die de betreffende godsdienst of levensovertuiging ‘voortrekt’ of een dispensatie biedt teneinde de achterstelling ten opzichte van andere godsdiensten of levensovertuigingen te kunnen inlopen. Zie oratie Van der Burg 2009.
Nussbaum 2013, p. 99.
Ten aanzien van levensovertuiging: EHRM 25 februari 1982, nr. 7511/76 en 7743/76 (Campbell and Cosans v UK), par. 36. Ten aanzien van godsdienst: EHRM 15 januari 2013, EHRC 2013/67 (Eweida and Others v United Kingdom), par. 82.
EHRM 2 oktober 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1002DEC004985399 (Pichon en Sajous v Frankrijk), p. 4; EHRM 25 februari 1995, nr. 22838/93 (Van den Dungen v the Netherlands).
Taylor stelt dat deze kritiek uitgaat van ‘de politiek van de universele erkenning’. Zie Taylor 1995, p. 56. Zie ook gelijkluidende kritiek van Post, TvRRB 2011/2-3, p. 56.
Taylor 1995, p. 76.
Nussbaum 2013, p. 106.
Het accommodationisme verdraagt zich voor wat betreft het godsdienstbegrip op een aantal punten slecht met het liberaal gezindtepluralisme en in het bijzonder met de Lockeaanse uitgangspunten hiervan. Ten eerste is vanuit het accommodationistische ideaaltype de liberale scheiding tussen publiek en privaat kwestieus. We kunnen stellen dat het accommodationistische perspectief niet zoals het liberale model ten aanzien van religieuze uitingen van de burger een onderscheid aanbrengt tussen een publiek en privaat domein. Accommodationisten zijn er juist voorstander dat het publieke domein ‘gevuld’ wordt met religieuze pluriformiteit. In feite is de opvatting van het accommodationistische perspectief tegengesteld aan dat van het seculiere perspectief.1 Zoals seculieren het publieke domein willen vrijwaren van godsdienst zo willen accommodationisten het publieke domein juist vullen met een verscheidenheid aan godsdiensten. (Semi-)overheidsinstanties, scholen etc. dienen religieuze pluriformiteit te accommoderen. Dat betekent bijvoorbeeld dat hoofddoekjes, keppeltjes, kettingen met kruisjes, etc. in rechtbanken, scholen mogen worden gedragen evenzeer als dat rechters, politieagenten, docenten en ambtenaren hun religieuze opvattingen mogen uitdragen.
Accommodationisten zullen daarom geen hiërarchie willen aanbrengen in godsdienstige uitingen of gedragingen om vervolgens het niveau van bescherming daarop af te stemmen. Een hiërarchie tussen verschillende godsdienstige uitingen en gedragingen op basis van het liberale onderscheid tussen een privaat en een publiek domein, zoals dit terugkomt in artikel 6 Grondwet, de leer van het forum internum en forum externum en de kernrechtbenadering, zullen ze niet onderschrijven. De reden hiervoor is dat een hiërarchische rangschikking een zekere objectivering van het godsdienstbegrip veronderstelt. Accommodationisten zullen daarentegen juist een zo open mogelijk begrip van godsdienst willen hanteren om zo tegemoet te komen aan de opvattingen van het rechtssubject.
Ten tweede staat de accommodationistische benadering op gespannen voet met een Lockeaanse visie op tolerantie. Vanuit het accommodationistisch perspectief is het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme ontoereikend omdat het geen acht slaat op onbekende (exotische) godsdiensten en atypische godsdienstige uitingen en gedragingen. Binnen het accommodationistische perspectief staat het individuele geweten centraal. Daaruit vloeit voort dat als iemand een afwijkende interpretatie heeft van zijn of haar religie, het niet van belang is of de meerderheid van de aanhangers van die religie het daarmee niet eens is.2 Wanneer we deze redenering doortrekken dan betekent dit in theorie dat ook zuiver singuliere religieuze opvattingen ook door de rechtsorde als zodanig moeten worden erkend. De bewijslast is voor dergelijke gevallen echter hoog. In praktijk helpt het wanneer het rechtssubject kan aantonen dat er meer mensen zijn die dezelfde opvattingen erop nahouden en hun ‘godsdienst’ op dezelfde wijze belijden.
Het accommodationistische begrip van godsdienst staat op gespannen voet met het in de EHRM en nationale jurisprudentie geldende uitgangspunt dat een godsdienstige opvatting beschikt over ‘een zekere graad van overreding, ernst, cohesie en belangrijkheid’.3 Met vage opinies of ideeën neemt men geen genoegen. Er moet sprake zijn van een identificeerbare religie of overtuiging. Ook noemt het EHRM als voorbeeld van zaken die een expressie zijn van godsdienst of levensovertuiging ‘(…) acts of worship or devotion forming part of the practice of a religion or a belief in a generally accepted form’,4 Met deze objectiveringen wordt gerefereerd aan de welbekende traditionele vormen van religieus belijden. Accommodationisten zullen elke objectivering van het godsdienstbegrip afwijzen met het argument dat deze objectiveringen zijn ingegeven door meerderheidsopvattingen over wat ‘telt’ als godsdienst.
Ten derde hebben accommodationisten problemen met de Lockeaanse visie op neutraliteit. In de Lockeaanse visie moet de overheid geheel neutraal zijn en kan zij minderheden niet tegemoet komen in het accommoderen van bezwaren tegen bestaande wetgeving omdat ze minderheden dan ten opzichte van de rest van de samenleving langs een andere meetlat zou leggen en hen daarmee zou bevoordelen.5 Men zou bijvoorbeeld kunnen betogen dat de uitzonderingsbepaling die regelt dat joden en moslims onverdoofd ritueel mogen slachten ervoor zorgt dat joden en moslims langs een andere meetlat worden gelegd en hen daarmee bevoordeelt ten opzichte van de rest van de bevolking.6 Nussbaum verwijt de aanhangers van het Lockeaanse perspectief gebrek aan inlevingsvermogen. Zij stelt dat wat neutraal is, bepaald wordt door de democratische meerderheid. Het recht is niet kleurenblind. In veel gevallen bevoordelen de bestaande wetten impliciet de meerderheid.7
De kritiek van het accommodationisme op de Lockeaanse conceptie van neutraliteit raakt ook het in de nationale en EHRM jurisprudentie ontwikkelde uitgangspunt (zie 4.3) dat een godsdienstige uiting of gedraging een directe expressie van godsdienst moet zijn. Het idee dat een godsdienstige uiting of gedraging een directe expressie moet zijn van godsdienst roept immers de vraag op wat een directe expressie is. Baseert de rechter zich daarbij op wat de meerderheid van de samenleving een directe expressie vindt? Ter illustratie van deze kwestie heb ik in 4.3 de uitspraak van de ARRvS over de antroposofische huisarts genoemd. Het weigeren om deel te nemen aan de verplichte pensioensregeling op grond van een antroposofische overtuiging was volgens de ARRvS geen directe expressie van godsdienst. Het ARRvS vindt dat de pensioensregeling neutraal van aard is en geen inbreuk maakt op de godsdienstvrijheid. Waarom vindt de rechter het niet willen deel nemen aan een pensioensregeling geen directe uitdrukking van godsdienst? Wellicht omdat hij traditionele vormen van religieus belijden voor ogen had en niet een onderwerp als het betalen van pensioenspremie waarvan de meerderheid van de bevolking ongetwijfeld zal stellen dat dit een alledaagse (neutrale) gedraging is en geen expressie van godsdienst.
Het gevolg van een Lockeaanse benadering is dat uitingen en gedragingen (bijvoorbeeld alledaagse uitingen en gedragingen of bepaalde weigeringen om aan een wettelijke plicht te voldoen) waarvan de relatie met de godsdienst niet zo evident is, niet tot godsdienst worden gerekend. Vanuit een accommodationistisch perspectief kan men hier tegenin brengen dat de verplichte pensioensregeling helemaal niet neutraal is en een product van de meerderheid van de bevolking. Men zal zich op het standpunt stellen dat de rechtsorde de bezwaren van de antroposofische arts moet accommoderen door een uitzondering in de wet op te nemen (of de wet in deze gevallen buiten toepassing moet laten) en men zal er op grond van de verklaring van de justitiabele vanuit gaan dat deze uiting een directe expressie is van godsdienst.