Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.7.4.1
16.7.4.1 Rekening en verantwoording aan de aandeelhoudersvergadering
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364886:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, ARO 2008/3, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
Art. 2:101/210 BW, respectievelijk art. 2:107/217 lid 2 BW.
Anders Croiset van Uchelen 2008, p. 222 en 223.
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 439.
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 438. Vgl. HR 4 december 1992,NJ 1993, 271 m.nt. Maeijer (Mast Holding). Wel is in art. 2:357 lid 5 BW dwingendrechtelijk vastgelegd dat de ondernemingskamer tijdelijke bestuurder kan opdragen haar regelmatig verslag uit te brengen. Met Olden (2009, p. 123 en 124) ben ik van mening dat daaruit niet a contrario kan worden afgeleid dat tijdelijke bestuurders geen rekening en verantwoording aan de aandeelhoudersvergadering zijn verschuldigd.
Dienaangaande dient dan wel een (onmiddellijke) voorziening te worden getroffen.
Onderdeel van de bekritiseerde rechtspraak waarin de ondernemingskamer oordeelde dat slechts zij décharge kan verlenen aan tijdelijke bestuurders was dat zij slechts rekening en verantwoording verschuldigd waren aan de ondernemingskamer. Partijen die het niet eens waren met het beleid van de tijdelijke bestuurder dienden zich te richten tot de ondernemingskamer.1 De ondernemingskamer is nog niet (expliciet) ‘om’ gegaan op dit punt. Evenwel is het afleggen van rekening en verantwoording aan de aandeelhoudersvergadering in de praktijk onvermijdelijk als de tijdelijke bestuurder een décharge wenst.
Dan de vraag of een tijdelijke bestuurder de plicht heeft om rekening en verantwoording af te leggen aan de aandeelhoudersvergadering. Voor een goed begrip van deze kwestie dient voor ogen te worden gehouden wat dit inhoudt. Daartoe behoort in ieder geval de verplichting om een jaarrekening op te maken en een jaarverslag uit te brengen en om tijdens de aandeelhoudersvergadering alle verlangde inlichtingen te verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.2 Deze verplichtingen zijn, voor zover het gewone bestuurders betreft, van dwingend recht. Mijns inziens heeft de ondernemingskamer in de desbetreffende beschikkingen niet geoordeeld dat tijdelijke bestuurders deze verplichtingen niet zouden hebben.3 Wat de ondernemingskamer bedoelt, is dat tijdelijke bestuurders niet in de aandeelhoudersvergadering hoeven uit te leggen dat en waarom zij zich (naar hun oordeel) behoorlijk van hun taak hebben gekweten om vervolgens dienaangaande in de vergadering te kunnen worden bekritiseerd en bevraagd.4
Een verplichting om op dergelijke wijze rekenschap af te leggen over het gevoerde beleid is niet vastgelegd in een dwingendrechtelijke bepaling als bedoeld in art. 2:25 BW, terwijl mij ook geen rechtspraak bekend is waaruit blijkt dat het zou gaan om een dwingendrechtelijke verplichting.5 Deze verplichting lijkt dus hooguit statutair van aard te zijn of voort te vloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW. In het eerste geval kan de ondernemingskamer bepalen dat tijdelijk wordt afgeweken van de desbetreffende statutaire bepaling6 en in het tweede geval kan de ondernemingskamer tot het oordeel komen dat de redelijkheid en billijkheid iets anders vorderen van gewone bestuurders dan van tijdelijke bestuurders.