Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.9
5.2.9 Motivering van beperkingen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 14 februari 2008, appl.no. 66802/01 (Dorokhov/Rusland), § 72.
EHRM 22 april 1992, appl.no. 12351/86 (Vidal/België), § 34-35.
EHRM 16 oktober 2014, appl.no. 20077/04 (Suldin/Rusland); EHRM 23 september 2014, appl.no. 17362/03 (Soysal/Turkije); EHRM 14 maart 2013, appl.no. 16133/08 (Insanov/Azerbeidzjan), § 162-163 EHRM 15 november 2012, appl.no. 19157/06 (Khayrov/Oekraïne), § 91.
EHRM 27 juli 2000, appl.no. 36732/97 (Pisano/Italië), § 24.
Vgl. EHRM (GC) 16 november 2010, appl.no. 926/05 (Taxquet/België), § 90-92.
In EHRM 3 mei 2012, appl.no. 23880/05 (Salikhov/Rusland), § 116 had de Russische regering verzuimd haar inspanningen te onderbouwen met betrouwbare documenten. Het enige document dat zij had geleverd was een proces-verbaal van een politieambtenaar die had opgeschreven dat hij bij het huis van de verdachte was geweest. Deze politieambtenaar had later echter ten overstaan van de rechter verklaard dat hij alles had verzonnen, omdat zijn chef nu eenmaal een rapport wenste te zien.
EHRM 4 december 2008, appl.no. 1111/02 (Trofimov/Rusland), § 35.
EHRM 20 december 2001, appl.no. 33900/96 (P.S./Duitsland), § 28; EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 72.
In EHRM 3 november 2011, appl.no. 24885/05 (Vanfuli/Rusland), § 119 waren de door de Russische rechter genoemde redenen voor afwijzing van getuigenverzoeken op zichzelf relevant, maar het EHRM kon niet vaststellen dat zij ook in de concrete zaak voldoende rechtvaardiging boden, omdat de beslissing tot afwijzing niet voldoende was gemotiveerd. Zie ook EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56.
In dat geval zou het EHRM ook het recht op motivering van rechterlijke beslissingen geschonden kunnen achten.
EHRM 23 oktober 2012, appl.no. 38623/03 (Pichugin/Rusland), § 204-205.
Ten aanzien van het ondervragingsrecht is het recht op een gemotiveerde beslissing meestal relevant wanneer de rechter in het geheel geen gevolg heeft gegeven aan een getuigenverzoek. Wanneer een getuigenverzoek duidelijk is bedoeld om de rechtsgang te frustreren, is de rechter niet gehouden daarop te reageren.1 In alle andere gevallen bestaat in beginsel een verplichting tot het nemen van een beslissing. In de meeste gevallen is ‘the complete silence of the judgment’ met betrekking tot een getuigenverzoek niet in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces.2 Bij het ontbreken van een beslissing op een getuigenverzoek of een motivering voor de afwijzing ervan zal het ehrm al snel oordelen dat de beperking van het ondervragingsrecht niet noodzakelijk was.3
De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat iedere beslissing op een verzoek uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. In de zaak Pisano meende het ehrm bijvoorbeeld dat de reden voor afwijzing van het getuigenverzoek in kwestie voldoende kon worden afgeleid uit de motivering van de schuldigverklaring door de rechter.4 Het gaat niet primair om de motivering, maar om het bieden van inzicht in de redenen voor de rechterlijke beslissing.5 Ook andere documenten dan een rechterlijke uitspraak waaruit de inspanningen van de autoriteiten blijken, zal het ehrm in aanmerking kunnen nemen.6
Het ehrm eist niet alleen motivering van de afwijzing van getuigenverzoeken, maar ook een zekere kwaliteit van die motivering. Het ehrm accepteert bepaalde redenen voor niet-oproeping van getuigen, maar de nationale rechter moet wel overtuigend hebben gemotiveerd waarom één van die redenen zich voordeed. Zo mag het vonnis niet volstaan met de vermelding dat een getuige niet succesvol kon worden opgeroepen, maar moet het ook aangeven waarom dat het geval was.7 Wanneer de rechter aanneemt dat een confrontatie van de getuige met de verdachte of met de eerder beleefde gebeurtenissen te ingrijpend zou zijn, mag dat oordeel niet speculatief van aard zijn.8 Uit de motivering moet duidelijk blijken op grond van welke omstandigheden de verdediging geen gelegenheid heeft gekregen om deze specifieke getuige te ondervragen.9 Ontbreekt een deugdelijke motivering, dan zal het EHRM al redelijk snel aannemen dat geen goede reden bestond voor de beperking van het ondervragingsrecht.10
Ook beperkingen tijdens de feitelijke ondervraging zullen moeten worden verantwoord. Zo zal een rechter niet zomaar mogen beslissen dat de getuige vragen niet mag of hoeft te beantwoorden. Het beletten van antwoorden is alleen toegelaten in geval van bijzondere omstandigheden, die uit de motivering van de beslissing daaromtrent moeten blijken.11