Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.4.1
7.4.1 Ontwerpen 1816 en 1820
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264427:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Gessel-De Roo 1991, p. XV; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 368.
Voorduin, Geschiedenis I,I, p. 17-20, p. 28 en p. 32; Van Gessel-De Roo 1991, p. XV; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 366-371; Van Hoof 2015, p. 220.
Herman 1914, p. 125-129; Van Gessel-De Roo 1991, p. 357, onderschrift bij art. 1718 Ontwerp-1816.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 357, art. 1718 Ontwerp-1816.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 375, art. 1527 Ontwerp-1820.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 375, art. 1527 Ontwerp-1820.
Voorduin, Geschiedenis IV, p. 416-417; Noordziek, Beraadslagingen 1824-1825 II, p. 380.
Voordat het BW in 1838 werd ingevoerd, waren er verschillende ontwerpen. Zij haalden de eindstreep niet. Ik bespreek de ontwerpen van 1816 en 1820. Zij kwamen van de hand van de Leidse hoogleraar J.M. Kemper (1776-1824).1 Hij kreeg in 1814 van de Koning de opdracht een codificatie te ontwerpen die aansloot bij het recht dat gold voor de Franse bezetting.2 In beide ontwerpen kwam het recht van pandgebruik voor. Beide ontwerpen leken sterk op de regelingen van het recht van pandgebruik die ik heb besproken in §7.23, waarnaar zij verwezen voor een uitgebreidere behandeling. In het Ontwerp 1816 vielen onder het pandrecht niet alleen het verpande goed zelf, maar ook alle vruchten en ‘aanwassen’. Met een pandrecht ontstond van rechtswege een recht van pandgebruik: de pandhouder had van rechtswege de bevoegdheid de inkomsten van het onderpand te innen en te ontvangen en onder zich te houden, ter verrekening met de gesecureerde vordering.4
In het Ontwerp-1820 kwam het recht van pandgebruik voor in de afdeling over het vuistpandrecht. De zelfstandige antichrese kwam niet voor. Wel kon het recht van pandgebruik onder het Ontwerp-1820 gepaard gaan met een hypotheekrecht. Onder het ontwerp viel onder een pandrecht niet alleen het verpande goed zelf, maar ook alle aanwassen, waardoor het goed vergroot of vermeerderd werd. Voorts bepaalde het ontwerp dat een hypotheekrecht onafhankelijk was van het bezit. Niettemin konden partijen overeenkomen dat een verhypothekeerde zaak in het bezit van de hypotheekhouder zou overgaan. In dat geval kreeg de hypotheekhouder de bevoegdheid om vruchten, renten, huurpenningen of andere inkomsten van het onderpand te ontvangen en onder zich te houden, ter verrekening met de gesecureerde vordering.5 Aannemelijk is dat de hypotheekhouder dan ook bevoegd was het hypotheekobject te gebruiken, aangezien hij in het ‘bezit’ was van het onderpand. Gebruik was bovendien noodzakelijk om natuurlijke vruchten voort te brengen. Op grond van een beding in de hypotheekovereenkomst kon de hypotheekhouder dus het recht van pandgebruik uitoefenen over het verhypothekeerde goed. Zo’n hypothecaire beheersbevoegdheid hoefde niet te worden geregistreerd: een enkele overeenkomst was voldoende.6
Zo keerden de Ontwerpen-1816 en- 1820 terug naar het oudvaderlandse recht van pandgebruik. De Franse zelfstandige antichrese kwam niet voor in deze ontwerpen. Dit riep de vraag op, of de afdeling over pandrecht geen onderscheid zou moeten maken tussen pandrecht (de Franse gage) en “vruchtgebruik als rente” (de Franse antichrèse). Het antwoord op deze vraag werd aan de commissie van redactie overgelaten.7