Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.3.8.2
7.3.8.2 Voorwaarden waaronder kortingen in aanmerking mag worden genomen
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258388:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 20 juni 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:C:2019:519, r.o. 40-45. Zie ook onderdeel 6.4.5.4.
Punt 5 van Commentary 8 of the Customs Code Committee and the Customs Expert Group (Valuation Sections) Treatment of discounts under Article 70 UCC and Article 130 UCC IA.
Advisory Opinion 2.1. Acceptability of a price below prevailing market prices for identical goods. (Adopted, 2nd Session, 2 October 1981, 27.960).
Artikel 130, lid 3, UDWU en punt 6 van Commentary 8 of the Customs Code Committee and the Customs Expert Group (Valuation Sections) Treatment of discounts under Article 70 UCC and Article 130 UCC IA.
Explanatory note 1.1. Time element in relation to Articles 1, 2 and 3 of the Agreement. (Adopted, 2nd Session, 2 October 1981, 27.960).
De vraag is in hoeverre kortingen in aanmerking genomen moeten worden om de douanewaarde vast te stellen. In de CVA is daarover niets opgemerkt. Onder het DWU-wetgevingspakket is wel voorzien in bepalingen waarin de behandeling van kortingen uiteen wordt gezet. Zo geeft artikel 130 UDWU, lid 1, aan dat kortingen in aanmerking mogen worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig de transactiewaarde van de ingevoerde goederen indien voor de aanvaarding van de douaneaangifte de kortingen en het bedrag ervan in de verkoopovereenkomst waren opgenomen. Het artikel lijkt echter niet geschreven om kortingen bij de toepassing van alternatieve waarderingsmethoden in aanmerking te nemen.1
Ik meen dat de voorwaarde, inhoudende dat het bedrag van de korting in de verkoopovereenkomst opgenomen moet zijn, zo uitgelegd moet worden dat uit de bewoordingen van de verkoopovereenkomst of andere documentatie die samenhangt met de verkoop, moet blijken hoe het bedrag van de korting berekend moet worden. Het is mijns inziens niet vereist dat het precieze bedrag al is vastgesteld. Voor de toets of een korting in aanmerking genomen mag worden voor de vaststelling van de douanewaarde, is het voorts niet noodzakelijk om vast te stellen of de korting volgt uit normale commerciële praktijken en/of dat de korting ook aan andere kopers wordt gegund.2 Zelfs indien de korting tot resultaat heeft dat de prijs na aftrek van de korting beneden de marktprijs van identieke goederen uitkomt, zou in mijn optiek een korting in aanmerking moeten worden genomen.3
Een korting die niet volgt uit een voorafgaand aan de invoer opgemaakt contract of op andere wijze voorafgaand aan het moment van invoer aan de koper wordt gegund, kan niet in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen.4 Op dit vereiste valt een en ander af te dingen. Stel bijvoorbeeld dat na invoer van de goederen door de koper een prijskorting wordt verleend, die niet volgt uit een voor het moment van invoer opgemaakt contract, dan kan gesteld worden dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs achteraf bezien lager is. Het temporeel beperken van het in aanmerking nemen van een prijskorting verhoudt zich daarnaast niet met Explanatory note 1.1, waarin is opgenomen dat: “[…] there is no time element involved in determining transaction value under Article 1.”5 Ik meen dat er derhalve goede gronden zijn om het Hof van Justitie op basis van een verdragsconforme interpretatie van de CVA ertoe te bewegen om artikel 130, lid 3, UDWU ongeldig te verklaren. Een en ander vanwege het feit dat de Europese Commissie oneigenlijk van zijn bevoegdheid tot uitvaardiging van uitvoeringshandelingen gebruik lijkt te hebben gemaakt bij het stellen van nadere voorwaarden in artikel 130, lid 3, DWU wat zich niet verhoudt met de reikwijdte van artikel 70, lid 1, DWU.