Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.8
14.3.8 Kwalificatie bij herroepelijkheid
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232951:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk voor de trust Boer, dissertatie 2011, paragraaf 6.3.2.4.
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 8.4, alsmede de daar aangehaalde literatuur.
Zie hiervoor nader paragraaf 14.3.10.
Besluit van 15 juni 1988, nr. DB88-3940, V-N 1988/2031, 12, later vervangen door het besluit van 22 november 2000, nr. CPP2000/1933M.
Een trust die beoogde te voorkomen dat (buitenlands) vermogen in beslag werd genomen, bijvoorbeeld omdat dit als vijandelijk werd aangemerkt, doordat het op moment van intreden van de noodtoestand werd aangemerkt als vermogen van een (lokale) trustee. Tot het moment was intreden van de noodtoestand was de trust veelal herroepelijk (zie Boer, dissertatie 2011, paragraaf 8.4.1).
Besluit van 16 december 1993, nr. DB93/4451, besluit van 22 juni 1995, nr. DB95/1771M, besluit van 10 februari 2000, nr. DB99/4199M, BNB 2000/154, besluit van 8 december 2000, nr. CPP2000/2816M, besluit van 22 oktober 2002, nr. CPP2002/2773M, NTFR 2002/1607 en besluit van 15 december 2005, nr. CPP2005/2528M, V-N 2006/15.1 (het laatste besluit is ingetrokken bij besluit van 16 december 2009, nr. CPP2009/2357M, Staatscourant nr. 20099, 23 december 2009.
Hof Den Haag 5 oktober 1962, ECLI:NL:GHSGR:1962:AX9782, BNB 1963/118 en hof ’s-Hertogenbosch 24 april 1964, ECLI:NL:GHSHE:1964:AX8342, BNB 1964/265.
Boer en Freudenthal, WPNR 2009/6802, paragraaf 4. In vergelijkbare zin Roelofs, WFR 2010/6887, paragraaf 4.
Zie paragraaf 14.3.7.2.
Vergelijk J.W. Zwemmer, Fiscaal- en civielrechtelijke aspecten van voorwaarde en tijdsbepaling, Kluwer Deventer 1997, die de gevolgen van voorwaarden en tijdsbepalingen voor verschillende heffingen bespreekt.
In de literatuur wordt de geldigheid van een herroepelijke schenking ook vrij algemeen aanvaard, zie M.M. Bavinck en H.F. van Joolingen, Eens gegeven, blijft niet altijd gegeven; de fiscale kwalificatie van de herroepelijke schenking, WFR 2005/6632, I.J.F.A. van Vijfeijken, De fiscale behandeling van de herroepelijke schenking, WPNR 2008/6744, F. Houwer en H.R. Bruggink, De herroepelijke schenking, civiel- en fiscaalrechtelijk bezien, WFR 2009/6799.
Een potentieel als APV kwalificerende entiteit kan een herroepelijk karakter hebben, waarbij onderscheid gemaakt dient te worden tussen twee situaties: de instelling van de entiteit als zodanig is herroepelijk, zoals bij een revocable trust, of slechts de overdracht van vermogen aan een overigens onherroepelijk ingestelde entiteit is herroepelijk.
In beide gevallen rijst de vraag in hoeverre deze herroepingsmogelijkheid tot gevolg kan hebben dat de entiteit niet als APV kwalificeert, terwijl dat bij een onherroepelijke entiteit c.q. inbreng wel het geval zou zijn geweest. Ik ga bij het navolgende steeds uit van een herroepingsmogelijkheid die slechts afhankelijk is van de wil van de inbrenger en niet (tevens) van overige voorwaarden. Tevens ga ik uit van een herroepingsmogelijkheid die geen terugwerkende kracht heeft en dus de rechtsgevolgen tot aan het moment van herroeping in stand laat.1
Vooropgesteld zij dat de tekst van artikel 2.14a Wet IB 2001 geen onderscheid maakt tussen herroepelijke en onherroepelijke entiteiten, noch tussen een herroepelijke en een onherroepelijke afzondering van vermogen. Daar vanuit gaand hoeft een herroepingsmogelijkheid dus niet in de weg te staan aan de kwalificatie van een entiteit als APV. De parlementaire geschiedenis bij de APV-regeling noemt het woord “herroepelijk” geheel niet en “onherroepelijk” slechts eenmaal, te weten de onherroepelijke aanwijzing van beneficiaries in het kader van een voorbeeld. Duidelijk is dat met de mogelijkheid van een element van herroepelijkheid bij de instelling van een APV geen rekening is gehouden.
Boer bespreekt in het kader van zijn onderzoek naar de kwalificatie van trusts de wijzen waarop een revocable trust beschouwd kan worden.2 Samengevat zijn de volgende zienswijzen mogelijk:
Zolang de trust niet herroepen is, is sprake van een geldig tot stand gekomen trust, met de daaraan verbonden rechtsgevolgen. Er kan in dit verband een parallel getrokken worden met de civielrechtelijke behandeling van herroepelijke schenkingen en overeenkomsten onder ontbindende voorwaarde onder het Nederlandse recht: zolang herroeping of ontbinding niet heeft plaatsgevonden, is sprake van een geldige overeenkomst, met de daarbij behorende rechtsgevolgen, tot het moment van herroeping c.q. ontbinding. In oudere fiscale jurisprudentie is een revocable trust ook als bestaand erkend.
Gezien de beschikkingsmacht die de settlor van een revocable trust heeft, kan deze trust als transparant worden aangemerkt. Een voorbeeld hiervan is de fiscale behandeling in de US van een zogenoemde grantor trust. Er kan een parallel getrokken worden met de jurisprudentie inzake de transparantie van stichtingen.3
Uit de door Boer aangehaalde literatuur volgt dat beide visies verdedigd worden. Boer is zelf van mening dat de bestaande civielrechtelijke verhoudingen als uitgangspunt genomen dienen te worden. Aangezien civielrechtelijk bezien een revocable trust evenzeer geldig is als een irrevocable trust, gaat het te ver om de eerste louter vanwege de mogelijkheid tot herroepen fiscaal te negeren. Daartoe kan wel reden zijn indien een specifieke wettelijke bepaling daartoe noopt, of indien sprake is van strijd met doel en strekking van de belastingwet. Daarvan is zijns inziens evenwel geen sprake.
Het beleid met betrekking tot de fiscale behandeling van trusts geeft voorts geen aanleiding om te veronderstellen dat een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen revocable en irrevocable trusts:
Beleid4 met betrekking tot zogenoemde emergency trusts5 geeft weliswaar een goedkeuring op grond waarvan de trust voor de Nederlandse belastingheffing genegeerd kon worden tot het moment dat deze onherroepelijk werd als gevolg van het intreden van de emergency, maar hieraan is de voorwaarde gekoppeld dat de settlor tot dat moment het volledige economische belang bij en de zeggenschap over het trustvermogen had behouden. Hieraan kan mijns inziens in ieder geval niet ontleend worden dat de staatssecretaris revocable trusts in algemene zin fiscaal transparant acht en wellicht eerder een aanwijzing voor het omgekeerde.
Daarnaast zijn er meerdere besluiten geweest met betrekking tot de fiscale behandeling van trusts en later ook de Antilliaanse SPF en andere vormen van “zwevend vermogen”.6 Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen herroepelijke en onherroepelijke figuren, anders dan in (i) de constatering dat de trustarresten van 1998 betrekking hebben op een irrevocable discretionary trust en (ii) de opmerking dat een vaststellingsovereenkomst voor dergelijke situaties niet mogelijk is. Slechts in de laatste versie van het besluit is hier aan toegevoegd dat in die situaties het vermogen de beschikkingsmacht van de settlor definitief verlaten heeft. In alle overige gevallen was het sluiten van een transparantieovereenkomst kennelijk mogelijk, ook indien sprake was van een element van herroepelijkheid, hetgeen suggereert dat dit aspect wellicht van enig, maar niet van doorslaggevend belang is bij de fiscale kwalificatie van een trust of vergelijkbare rechtsfiguur.
Ten slotte merk ik op dat in enkele oudere fiscale uitspraken7 een revocable trust als bestaand is erkend. Het gaat hier echter om vrij specifieke situaties, waarbij (mede) sprake was van een herroepingsmogelijkheid die afhankelijk was van de goedkeuring van een derde en dus niet slechts van de enkele wil van de settlor. Hieraan is derhalve ook geen duidelijke conclusie te ontlenen.
Men houde in gedachten dat het voorgaande betrekking heeft op de regels geldend voor invoering van de APV-regeling per 2010. De nadien verschenen literatuur die ingaat op de herroepelijkheid van een entiteit, dan wel de inbreng, in relatie tot de kwalificatie als APV is beperkt. Boer en Freudenthal merken op dat kan worden betoogd dat het recht om de instelling van een trust te herroepen een zekere economische (deel)gerechtigdheid vertegenwoordigt, als gevolg waarvan huns inziens geen sprake is van een APV. Hoewel de mogelijkheid tot herroeping geen volledige economische gerechtigdheid inhoudt, vereist artikel 2.14a Wet IB 2001 dit ook niet. Enige economische deelgerechtigdheid, van welke omvang en in welke vorm dan ook stelt naar hun mening het APV-regime buiten werking.8 Gezien de beperkte uitleg die de Hoge Raad geeft aan het begrip economische deelgerechtigdheid9 lijkt dit standpunt mij echter niet langer houdbaar.
Civielrechtelijk zijn echter zowel de herroepelijke schenking als de overeenkomst onder ontbindende voorwaarde als geldig beschouwd totdat de herroeping c.q. ontbinding heeft plaatsgevonden. Ook in fiscale zin wordt dit gevolgd,10 zie bijvoorbeeld HR 12 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4376, BNB 1991/251 voor de aanmerkelijkbelangregeling en artikel 53 lid 1 SW voor de schenk- en erfbelasting.11 Dit in aanmerking nemend zie ik geen reden om een herroepelijke inbreng in een APV, dan wel de herroepelijke instelling van een APV bij ontbreken van concrete aanwijzing in die richting op afwijkende wijze te behandelen.
Samenvattend maken noch de tekst van artikel 2.14a Wet IB 2001, noch de bijbehorende parlementaire geschiedenis, onderscheid tussen een onherroepelijke en een herroepelijke afzondering van vermogen in een APV. Voorts werd voor invoering van de APV-regeling evenmin duidelijk een dergelijk onderscheid gemaakt. Daarnaast worden zowel in civielrechtelijke als in fiscale context herroepelijke schenkingen en overeenkomsten onder ontbindende voorwaarde als geldig aangemerkt zolang de voorwaarde niet vervuld is. Derhalve concludeer ik dat ook in geval van de instelling van een herroepelijke entiteit of van een herroepelijke inbreng de APV-regeling van toepassing is, tot het moment dat de herroeping daadwerkelijk plaatsvindt.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het al dan niet van toepassing zijn van de APV-regeling vermoedelijk in de meeste gevallen tot dezelfde uitkomst zou leiden. Indien men waarde hecht aan de mogelijkheid tot herroeping, leidt dit logischerwijs tot toerekening aan degene die dit herroepingsrecht heeft en dit zal veelal de inbrenger zijn. Toerekening aan de inbrenger op grond van het herroepingsrecht of op grond van de APV-regeling zal in principe tot vergelijkbare uitkomsten leiden.