De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.3:7.3 Beantwoording onderzoeksvraag
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.3
7.3 Beantwoording onderzoeksvraag
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949689:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt de hoofdvraag van dit onderzoek beantwoord:
Binnen welke kaders heeft de leraar in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps- en hoger onderwijs autonomie bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen?
De leraar is werkzaam binnen een school en hij heeft zich dan ook te houden aan het beleid, de regels en de instructies van het bevoegd gezag. Ook wordt van hem verwacht dat hij met zijn onderwijs inspeelt op de behoeften van zijn leerlingen. De leraar moet bij het uitoefenen van zijn autonomie verder rekening houden met zijn omgeving en zich richten op het belang van de leerling. Hij geeft zijn onderwijs dus niet in een vacuüm. De mate van autonomie van de leraar is van zijn omgeving afhankelijk. Anderzijds is zijn omgeving in zekere mate afhankelijk van hoe hij zijn onderwijs vormgeeft en hoe hij invulling geeft aan zijn autonomie. Waar de leraar autonomie heeft, moet het bevoegd gezag immers een stap terug doen en moeten de ouders vertrouwen op de kundigheid van de leraar. Dit kan leiden tot spanningen met het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor de kwaliteit van onderwijs en de leerling die het onderwijs vlot en met goede resultaten wil afronden. Zij zijn hierbij evenwel afhankelijk van de deskundigheid en inzet van de leraar.
Hoewel de autonomie van de leraar soms kan leiden tot spanningen met het bevoegd gezag en de leerling, is zijn autonomie ook in hun belang. Met zijn autonomie kan de leraar immers binnen bepaalde kaders nader invulling geven aan het onderwijsprogramma, met toepassing van zijn kennis en ervaring. Dit verrijkt het onderwijs en geeft betekenis aan het beroep van leraar. Autonomie is daarnaast simpelweg noodzakelijk om onderwijs te kunnen geven; het onderwijs kan immers niet volledig worden vastgelegd in procedures, maar vereist juist flexibiliteit. De leraar heeft autonomie nodig in het belang van de leerling: om vorm te kunnen geven aan lessen, in te springen op concrete situaties in de klas, en ten behoeve van het kunnen beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Met zijn autonomie draagt de leraar dan ook bij aan het vervullen van de taak van het bevoegd gezag, namelijk het verwezenlijken van kwalitatief goed onderwijs. Zijn autonomie is dan ook doelgebonden; de leraar zet zich met zijn autonomie in voor het verwezenlijken van goed onderwijs in het belang van zijn leerlingen.
Het geven van onderwijs is een taak die door de wetgever in de meeste onderwijssectoren exclusief aan de leraar is opgedragen, met als voorwaarde dat hij beschikt over een bepaald getuigschrift. Hiermee wordt geborgd dat enkel een leraar met de juiste expertise bepaald onderwijs kan geven. Duidelijk is dat het geven van onderwijs een taak is die exclusief aan de leraar is opgedragen en dat hij in principe verantwoordelijkheid draagt voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school. De bijbehorende autonomie van de leraar is echter afhankelijk van tal van factoren, zowel in het algemeen (toepasbare wet- en regelgeving), binnen de betreffende onderwijssector, als op de specifieke school. Binnen de school maakt het bevoegd gezag beleid, stelt het regels en geeft het instructies aan de leraar; hiermee geeft het invulling aan zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs. Hiermee kan het bevoegd gezag echter niet treden in de autonomie van de leraar, zoals vastgelegd in het professioneel statuut. Van de leraar wordt daarnaast verwacht dat hij rekening houdt met onder meer de ondersteuningsbehoefte van de leerling. Hij heeft zijn autonomie immers in het belang van deze leerling. De autonomie van de leraar is dan ook afhankelijk van tal van factoren. Hierdoor is niet eenduidig vast te stellen hoever de autonomie van een individuele leraar bij het geven van onderwijs precies reikt; dit hangt af van de precieze situatie waarin de leraar zich bevindt en kan daardoor verschillen per school of zelfs per klas.
Doordat de autonomie van de leraar afhankelijk is van veel verschillende factoren en niet eenduidig is ingekaderd, maakt dit de leraar kwetsbaar in situaties waarin het bevoegd gezag hem geen ruimte geeft om zijn eigen invulling te geven aan zijn onderwijs, collega’s gezamenlijk geen initiatief nemen om een professioneel statuut op te stellen of leerlingen of ouders de leraar onder druk zetten. Het is in de eerste plaats aan de leraar zelf om kaders te stellen waarbinnen hij zijn autonomie uitoefent. Dit kan door binnen de school in een professioneel statuut afspraken te maken met het bevoegd gezag of doordat de beroepsgroep landelijk een professionele standaard vaststelt. De leraar heeft dan op school- of landelijk niveau een statuut of standaard om op terug te vallen. Een groot deel van de scholen heeft evenwel nog geen professioneel statuut en ook een landelijke professionele standaard is nog niet opgesteld door de beroepsgroep.
Met uitzondering van het hoger onderwijs komt de bevoegdheid om examens af te nemen vaak toe aan het bevoegd gezag of de examencommissie. Dit betekent dat, met uitzondering van het hoger onderwijs, het bevoegd gezag of de examencommissie bevoegd is om de uitslag van het examen vast te stellen. In de praktijk wordt deze taak echter uitgevoerd door de leraar die het betreffende vak geeft of bekend is met de leerling. Hij heeft immers de expertise en kennis om de leerling te examineren. Dit onderkent ook de wetgever door de leraar bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van de leerling (net als bij het geven van onderwijs) een zelfstandige verantwoordelijkheid, en daarmee een zekere mate van autonomie, te laten. Omdat deze beoordeling mede op basis van de specifieke deskundigheid, blik en ervaringen van de betreffende leraar plaatsvindt, is dit per definitie in meer of mindere mate subjectief.
De rechter laat diegene die het examen afneemt eveneens een mate van beoordelingsruimte. Hoe ver die ruimte voor de leraar precies reikt, hangt af van het beleid en de instructies van het bevoegd gezag of de examencommissie, maar ook van het soort examen. Bij bijvoorbeeld een centraal examen is de leraar immers gebonden aan het antwoordmodel en moet hij samenwerken met een gecommitteerde. Ook het soort vraag is hierbij van belang. Bij een essayvraag heeft de leraar een grotere mate van beoordelingsvrijheid dan bij een meerkeuzetoets. Ten slotte vloeit uit zijn professionele standaard voort dat van de leraar onder meer wordt verwacht dat hij rekening houdt met de ondersteuningsbehoeften van de specifieke leerling, hij een professionele afstand bewaart tot zijn leerlingen en dat hij extra zorgvuldigheid betracht bij het examineren van zijn leerlingen.