Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.6.1
8.6.1 Omvangsafhankelijke inrichtingsvoorschriften
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180200:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:395a lid 1/2:396 lid 1/2:397 lid 1 BW.
Voor het bepalen van het omvangscriterium van de waarde van de activa kan worden uitgegaan van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, ongeacht de waarderingsgrondslag die door de rechtspersoon bij het opstellen van de jaarrekening wordt gehanteerd.
Artikel 2:395a lid 2/2:396 lid 2/2:397 lid 2 BW.
Artikel 2:395a BW is per 1 november 2015 in werking getreden op grond van de Wet van 30 september 2015 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU, 2013, L 182) (Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening), Stb. 2015, 349 en Besluit van 13 oktober 2015 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening en het Besluit van 13 oktober 2015 tot wijziging van het Besluit actuele waarde, het Besluit fiscale waarderingsvraagstukken, het Besluit modellen jaarrekening en enkele andere besluiten ter uitvoering van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU, 2013, L 182) (Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening), Stb. 2015, 350.
De micro-entiteit in de zin van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening als bedoeld in artikel 2:395a BW moet overigens niet worden verward met de micro-onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, waarin aan de lidstaten, de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds wordt aanbevolen de daarin bepaalde drempels te hanteren in het kader van het mededingingsrecht (2003/361/EG).
Artikel 2:396 BW.
Artikel 2:397 BW.
In Titel 9 Boek 2 BW zijn omvangsafhankelijke inrichtingsvoorschriften opgenomen op grond waarvan ondernemingen met een bepaalde omvang kunnen profiteren van vereenvoudigingen voor het inrichten en het openbaar maken van de jaarrekening. Er zijn drie criteria waaraan wordt getoetst:1
de waarde van de activa volgens de balans met toelichting, op de grondslag van de verkrijgings- en vervaardigingsprijs2;
de netto-omzet over het boekjaar; en
het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar.
Om te bepalen tot welke categorie een rechtspersoon behoort, moet de waarde van de activa, de netto-omzet en het getal van het aantal werknemers van groepsmaatschappijen die in de consolidatie zouden moeten worden betrokken als de rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening zou moeten opmaken, worden betrokken, behoudens indien de rechtspersoon artikel 2:408 BW toepast.3 Uitgaande van de verschillende drempelwaarden per criterium, ontstaan vier categorieën van rechtspersonen, namelijk de micro-45 de kleine6, de middelgrote7 en de grote rechtspersoon.
Micro
Klein
Middelgroot
Groot
Waarde activa
≤ € 350.000
≤ € 6.000.000
≤ € 20.000.000
> € 20.000.000
Netto-omzet
≤ € 700.000
≤ € 12.000.000
≤ € 40.000.000
> € 40.000.000
Gemiddeld aantal werknemers
< 10
< 50
< 250
≥ 250
Om gebruik te kunnen maken van de verlichte en vereenvoudigde inrichtingsvoorschriften, zoals die gelden voor een micro-, kleine en middelgrote rechtspersoon, moet gedurende twee opeenvolgende balansdata en zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata aan ten minste twee van de drie genoemde criteria zijn voldaan om tot de desbetreffende categorie van rechtspersonen te behoren. Het kan daardoor voorkomen dat een rechtspersoon met een waarde van de activa van € 10.000.000 en een omzet van € 20.000.000 gebruik kan maken van de inrichtingsvoorschriften die gelden voor een kleine rechtspersoon, hoewel deze rechtspersoon voldoet aan twee van de drie criteria voor een middelgrote rechtspersoon.