Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.2.2.3.1
7.6.2.2.3.1 Complexvereiste
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291226:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de procestaal, het Deens, wordt het woord ‘bebyggelse’ gebruikt dat beter vertaald kan worden met gebouwencomplex dan met onroerend goedcomplex, zoals in de Franse, Italiaanse, Nederlandse en Spaanse vertaling is gedaan. In de Duitse vertaling van het arrest is wel gekozen voor de vertaling ‘Gebäudekomplexes’.Het besluit Staatssecretaris van Financiën 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3 hanteert daarom terecht het begrip ‘gebouwencomplex’.
HvJ EG 13 juli 1989, zaak 173/88, FED 1990/72, m.nt. Bijl, r.o. 18 (Morten Henriksen).
Hof Leeuwarden 24 oktober 1991, nr. 1138/90, V-N 1993/1443, 30.
Vgl. besluit Staatssecretaris van Financiën 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3 waarin de parkeerruimte wordt genoemd die zich in of onder de hoofdruimte bevindt.
Dit lijkt ook de strekking te zijn van (de cirkelredenering in) het besluit Staatssecretaris van Financiën 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3: ‘van hetzelfde gebouwencomplex is niet alleen sprake indien de parkeerruimte zich in of onder het andere onroerend goed bevindt, maar ook als de parkeerruimte zich bevindt in een afzonderlijk (garage)complex nabij het andere onroerend goed, dat behoort tot hetzelfde gebouwencomplex’.
Het Hof van Justitie heeft het complexvereiste geïntroduceerd in de zaak Morten Henriksen. In die zaak ging het om twee gebouwen met elk twaalf garageboxen die tegelijk met een blok van 37 rijtjeshuizen waren gebouwd. De garageboxen werden verhuurd aan de bewoners van de rijtjeshuizen en aan andere personen in de buurt. Alle garageboxen waren gesloten ruimten, van elkaar gescheiden door een muur, en elke garagebox had een eigen (garage)deur. Het is onduidelijk of een dergelijke garagebox en een nabijgelegen rijtjeshuis naar het oordeel van het Hof van Justitie één gebouwencomplex1 vormt. Het Hof heeft zich hierover in het Morten Henriksen-arrest niet uitgelaten, maar het aan de nationale (feiten)rechter overgelaten om op basis van de feiten en omstandigheden van een concreet geval vast te stellen of de verhuurde parkeerruimte tot hetzelfde complex behoort als de hoofdruimte.2 Niettemin valt uit deze beslissing wel af te leiden dat een dergelijke garagebox een complex kan vormen met een nabijgelegen rijtjeshuis.
Enkele jaren na het Morten Henriksen-arrest heeft Hof Leeuwarden de verhuur van garageboxen die nauw verband houden met de verhuur van woningen aangemerkt als een dienst die opgaat in de vrijgestelde verhuur van woningen.3 Voor dit nauwe verband acht het hof van belang dat de garageboxen door de verhuurder, een woningcorporatie, uitsluitend werden verhuurd aan de huurders van zijn woningen, de verhuur van de garagebox eindigde bij de verhuur van de woning, de huurders de garageboxen samen met de woningen in gebruik hebben voor het stallen van hun voertuigen en ook wel als algemene berg- en opslagruimte voor hun (particuliere) eigendommen en de garagebox op maximaal 75 tot 100 meter van de verhuurde woning staat en – naar het hof begreep – de woningen en garageboxen aldus samen deel uitmaken van een complex. Hof Leeuwarden lijkt in voormelde uitspraak het feit dat de garageboxen zich op loopafstand van de woningen liggen beslissend te achten voor het voldoen aan het complexvereiste. Hierbij past de kanttekening dat in deze zaak – net als in de zaak Morten Henriksen – sprake lijkt te zijn van de situatie dat de garageboxen tegelijk met en ten behoeve van de nabijgelegen (huur)woningen zijn gebouwd.
Het complexvereiste veronderstelt naar mijn mening dat sprake is van een samenhang in bouwkundig opzicht tussen de verhuurde parkeerruimte enerzijds en de verhuurde hoofdruimte anderzijds. Bevindt de verhuurde parkeerruimte zich in, op of onder (het gebouw waarvan) de verhuurde hoofdruimte (deel uitmaakt), dan wordt hieraan naar mijn mening voldaan.4 Dit geldt naar mijn mening eveneens indien de parkeerruimte zich bevindt op het bij de hoofdruimte behorende terrein (zie voor het begrip ‘bijbehorend terrein’ paragraaf 5.4.4), zoals een direct naast een gebouw gelegen parkeerterrein. Zowel de zaak Morten Henriksen als voormelde uitspraak van Hof Leeuwarden laten echter zien dat ook sprake kan zijn van een bouwkundige samenhang indien de verhuurde parkeerruimte niet fysiek verbonden is aan (het gebouw waarvan) de verhuurde hoofdruimte (deel uitmaakt). Ook een parkeerruimte die op enige afstand van (het gebouw waarvan) de verhuurde hoofdruimte (deel uitmaakt) is gelegen, kan behoren tot hetzelfde gebouwencomplex. Om in dat geval van een bouwkundige samenhang te kunnen spreken, is naar mijn mening vereist dat de parkeerruimte nabij de hoofdruimte moet zijn gelegen. In de zaak Morten Henriksen was dit een gegeven, terwijl ook de garageboxen in voormelde uitspraak van Hof Leeuwarden zich op loopafstand bevonden van de woningen. Naar mijn mening is de geringe afstand tussen de verhuurde parkeerruimte en de verhuurde hoofdruimte niet voldoende. Voor het aannemen van een bouwkundige samenhang is naar mijn mening ook nodig dat de parkeerruimte tegelijk met en/of ten behoeve van (het gebouw waarvan) de hoofdruimte (deel uitmaakt) is gebouwd/aangelegd.5