Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.7.2
12.5.7.2 Reguliere situaties waarin vermogen het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491426:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 7.3.5 (situatie 1a).
Voor een uitgebreide analyse van deze Fusierichtlijnvoorschriften verwijs ik naar Van den Broek 2012, onderdeel 6.3.2.6, p. 203-210, Boulogne 2016, onderdeel 3.02[C], p. 150-159 en de door hen genoemde literatuur.
In dezelfde zin ook bijvoorbeeld Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.11.4, p. 223.
HvJ EU, C-371/10 (National Grid Indus), BNB 2012/40.
Zie met name de punten 52 t/m 64.
Zie de punten 65 t/m 85.
Vgl. ook HvJ EU, C-164/12 (DMC), BNB 2014/193 en HvJ EU, C-657/13 (Verder LabTec), V-N 2015/28.28. Zie ook HvJ EU, C-292/16 (A Oy), V-N 2017/60.13. Het ging in die zaak over een inbreng van activa (bedrijfsfusie), waarbij een Finse vennootschap een Oostenrijkse vi inbracht in een Oostenrijkse vennootschap. Finland mocht bij deze bedrijfsfusie acuut belasting heffen met inachtneming van art. 10, lid 2, Fusierichtlijn. De vraag was of deze acute belastingheffing in overeenstemming was met de vrijheid van vestiging. Het Hof van Justitie oordeelde in lijn met de hiervóór genoemde jurisprudentie dat Finland inderdaad acuut belasting mocht heffen, maar de belastingplichtige de keuze moet bieden tussen onmiddellijke betaling of uitgestelde betaling. Meer in het algemeen kan uit dit arrest worden afgeleid dat de jurisprudentielijn die is ingezet met de zaak National Grid Indus ook geldt voor situaties waarin de Fusierichtlijn belastingheffing niet verbiedt, zoals het geval is met betrekking tot vermogen dat het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat.
Zie art. 25a IW 1990 (wettekst 2018). Deze regeling gold voor de exitheffing in vennootschapsbelasting (art. 15c en 15d Wet VPB 1969) en voor de exitheffing voor ondernemers in de inkomstenbelasting (art. 3.60 en 3.61 Wet IB 2001). Art. 25a IW 1990 is met ingang van 1 januari 2019 gewijzigd en omvat nu nog slechts genoemde exitheffing in de Wet IB 2001.
HvJ EU, C-581/17 (Wächtler), V-N 2019/13.5, punt 68. Het ging in deze zaak overigens over het recht op vestiging zoals neergelegd in de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Zwitserland anderzijds (OVP).
Hierbij rijst ook de vraag of het oordeel in de zaak Wächtler kan worden doorgetrokken naar de verkeersvrijheden uit het VWEU. In de Redactionele aantekening, V-N 2019/13.5, wordt geconcludeerd dat dit het geval is omdat de belastingplichtige die zich beroept op de verkeersvrijheden uit het VWEU anders minder bescherming geniet dan een belastingplichtige waarop de OVP van toepassing is. Dat lijkt mij een plausibel betoog.
Zie onderdeel 9.3.
Zie onderdeel 9.5.
Ook als de op het splitsingstijdstip aanwezige fiscale meerwaarden na dat tijdstip ‘verdampen’, komt de Nederlandse fiscus niets tekort. De splitser heeft dan weliswaar op het splitsingstijdstip niet afgerekend over de splitsingswinst, maar daar staat tegenover dat de verkrijgers de fiscale boekwaarden van het verkregen vermogen overnemen. De verkrijgers kunnen de ‘verdampte’ splitsingswinst na de splitsing niet ten laste van hun fiscale winst brengen.
Als de vestigingslanden van de verkrijgers voorzien in een step-up, dreigt dubbele niet-heffing.
Bellingwout & Koerts, WFR 2012/12, onderdeel 4.4.3, maken melding van een Franse regeling op basis waarvan een emigrerende vennootschap de mogelijkheid heeft om directe fiscale afrekening bij zetelverplaatsing achterwege te laten, mits een fictieve vi achterblijft in Frankrijk. Deze fictieve vi zet de onderneming van de emigrerende vennootschap voort en gaat verder met de fiscale boekwaarden van de activa en passiva. Zoals de auteurs naar mijn mening terecht concluderen, lijkt die nationaalrechtelijke oplossing lastig te verenigen met afspraken in belastingverdragen. Zie hierover ook Pötgens in: Boulogne & Pieterse 2012, onderdeel 3.2, p. 162.
Het EU-recht dwingt daar ook niet toe (zie hiervóór).
Verderop in dit onderdeel ga ik nog in op een derde oplossing op internationaal niveau in de heffingssfeer. Zie voor een beschrijving van (andere) mogelijke oplossingen ook Van den Broek 2012, onderdeel 10.3.2, p. 648-656.
Wattel, NTFR 2002/303.
Kemmeren in: Raaijmakers-bundel 2009, onderdeel 6, p. 242-244. Vgl. ook Kemmeren, WFR 2005/1613, onderdeel 8, waarin de auteur aangeeft dat de verdeling van heffingsrechten door middel van verschillende rechtsinstrumenten kan plaatsvinden, bijvoorbeeld een belastingverdrag, een multilateraal belastingverdrag of een Europese verordening.
Ik neem aan dat hieronder ook de niet-geactiveerde goodwill wordt begrepen.
In onderdeel 7.3.5 (situatie 2) is dat systeem met een cijfervoorbeeld verduidelijkt.
In het clearingsysteem kan de belastingclaim worden gekoppeld aan de verkrijgers. Bij vestigingsplaatsgebonden compartimentering is het lastiger aangezien er in dat systeem vanuit wordt gegaan dat het lichaam dat de zetel verplaatst na die verplaatsing aangifte blijft doen in de vertrekstaat van zijn wereldinkomen. Zie Kemmeren in: Raaijmakers-bundel 2009, onderdeel 6, p. 243. Bij splitsing verhuist de belastingclaim echter naar de verkrijgers. Een mogelijke oplossing kan zijn dat deze verkrijgers na de splitsing aangifte doen in de vestigingsstaat van de splitser. Een aangifte over het wereldinkomen lijkt dan overigens wel wat veel gevraagd indien de verkrijgers bestaande lichamen zijn en slechts een beperkt ‘Nederlands verleden’ overnemen van de splitser. Mogelijk is dan de derde oplossing (zie hierna) te prefereren.
Bovendien wordt de splitsingswinst na de splitsing belast in de vestigingslanden van de verkrijgers tegen een ander tarief. Zie ook Van den Broek 2012, onderdeel 10.3.2.6, p. 653.
Ten tijde van de hiervóór genoemde publicaties van Kemmeren werd op grond van de tot dat moment gewezen jurisprudentie van het Hof van Justitie aangenomen dat het voor de vertrekstaat verplicht zou zijn om met waardeverminderingen rekening te houden, voor zover de ontvangststaat dat niet zou doen. Uit HvJ EU, C-371/10 (National Grid Indus), BNB 2012/40, punt 52-64, blijkt echter dat de vertrekstaat die verplichting niet heeft. Mijns inziens is dat overigens terecht want in overeenstemming met het fiscale territorialiteitsbeginsel.
In dit onderzoek wordt uitgegaan van het OMV. De daarin opgenomen verdeling van heffingsbevoegdheid van ondernemingswinsten wordt niet ter discussie gesteld.
Tegelijkertijd dient de Wet VPB 1969 te worden aangepast, zodat de heffingsmogelijkheid ook kan worden geëffectueerd. Dit kan door art. 17, lid 3, onderdeel a jo. art. 17a Wet VPB 1969 aan te passen. Het oorspronkelijke Fusierichtlijnvoorstel bevatte in art. 4 overigens een vergelijkbare oplossing. Zie PbEG 22 maart 1969, nr. C 39/1, V-N 1969, p. 675-689. Het verschil met de uitwerking in de hoofdtekst is echter dat de vestigingsstaat van de splitser in die oorspronkelijke Fusierichtlijnbenadering ook zou kunnen heffen over de fiscale meerwaarden die zouden ontstaan ná de splitsing. Dit is uiteindelijk niet terechtgekomen in de aangenomen Fusierichtlijn. Zie ook Van den Broek 2012, onderdeel 10.3.2.8, p. 654.
HvJ EU, C-327/16 en C-421/16 (Jacob en Lassus), V-N 2018/18.15.
Punt 21.
Punt 84.
Het Hof van Justitie verwijst naar HvJ EU, C-371/10 (National Grid Indus), BNB 2012/40.
Zie punt 82.
Vergelijkbare problematiek speelt bij fiscaal gefaciliteerde bedrijfsfusies en juridische fusies. Deze oplossing in de invorderingssfeer dient daarom ook open te staan wanneer die reorganisatiefaciliteiten worden toegepast en vermogen de Nederlandse vennootschapsbelastingsfeer verlaat. Dit zorgt voor consistentie en draagt bij aan neutraliteit tussen de diverse reorganisatievormen.
Overigens dient de hier voorgestelde nationale oplossing bij voorkeur ook te worden opgenomen in de Fusierichtlijn, maar ook dat eist overeenstemming in EU-verband. In de literatuur is daar eerder al voor gepleit. Zie Van den Broek 2012, onderdeel 10.3.8, p. 660 en Boulogne 2016, onderdeel 3.02[D], p. 166-168.
Dat is complex, maar dat geldt ook voor de hiervóór besproken oplossingen op internationaal niveau in de heffingssfeer, althans als ervoor wordt gezorgd dat de vestigingsstaat van de splitser uiteindelijk zijn vennootschapsbelastingclaim volledig kan innen. Dat is nu eenmaal het gevolg van de bestaande fiscale grenzen, ook binnen de EU/EER. Overigens is dit een keuzeregeling. Mocht de belastingschuldige de complexiteit onoverkomelijk vinden, dan kan gespreid worden betaald.
Bij zuivere splitsingen komt deze verplichting terecht bij de verkrijgende rechtspersonen als rechtsopvolgers onder algemene titel van de splitsende rechtspersoon.
Een mogelijke schematische weergave van deze situatie ziet er als volgt uit:
Toets aan hoger recht
De eerste vraag die met betrekking tot deze gevallen mogelijk opkomt, is of de acute belastingheffing (exitheffing) in overeenstemming is met het hoger recht.
Wat betreft belastingverdragen is dat eerder in dit onderzoek met betrekking tot de ruisende splitsing al onderzocht. Op die plaats is geconcludeerd dat Nederland gerechtigd is vennootschapsbelasting te heffen over fiscale meerwaarden die betrekking hebben op ander vermogen in de zin van art. 13, paragraaf 5, OMV. Voor zover het gaat over fiscale meerwaarden in vermogensbestanddelen als bedoeld in art. 13, paragraaf 4, OMV, zoals aandelen in vastgoedentiteiten, dient Nederland bij de splitsing af te zien van belastingheffing.1
Voor de toets van standaardvoorwaarde 1, lid 1 aan het Europees recht maak ik onderscheid tussen het secundaire EU-recht (Fusierichtlijn) en het primaire EU-recht (verkeersvrijheden). De Fusierichtlijn staat niet in de weg aan de acute belastingheffing die voortvloeit uit standaardvoorwaarde 1, lid 1. Art. 4, lid 1, Fusierichtlijn verbiedt weliswaar enigerlei belastingheffing over vermogenswinsten, maar die vermogenswinsten worden bepaald door het verschil tussen de werkelijke waarde van de ingebrachte activa en passiva en hun fiscale waarde. Art. 4, lid 2, onderdeel b, Fusierichtlijn maakt vervolgens duidelijk dat onder de ‘ingebrachte activa en passiva’ slechts de vermogensbestanddelen vallen, die (i) daadwerkelijk gaan behoren tot een vi van de verkrijgende rechtspersoon in de lidstaat van de splitsende rechtspersoon en (ii) gaan bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten die in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag in die lidstaat.2 Dat is met betrekking tot de hier bedoelde vermogensbestanddelen nu juist niet het geval. Die verlaten immers de Nederlandse vennootschapsbelastingsfeer.3
Resteert de vraag of de acute belastingheffing in overeenstemming is met het primaire EU-recht. In de zaak National Grid Indus stond de (voormalige) eindafrekeningsregeling in de vennootschapsbelasting centraal in een casus waarin een Nederlandse BV haar zetel verplaatste naar het Verenigd Koninkrijk.4 Het Hof van Justitie kwam tot de slotsom dat het niet in strijd is met de vrijheid van vestiging wanneer Nederland bij een zetelverplaatsing de verschuldigde vennootschapsbelasting over latente fiscale meerwaarden in activa bij belastingaanslag vaststelt.5 Nederland hoeft daarbij bovendien geen rekening te houden met (eventuele) waardedalingen van die activa na de zetelverplaatsing. Het onmiddellijk invorderen van de vastgestelde verschuldigde vennootschapsbelasting is echter niet in overeenstemming met de proportionaliteitseis.6 De belastingschuldige moet volgens het Hof van Justitie een keuze worden geboden tussen onmiddellijke invordering en uitstel van betaling waarbij de lidstaat van vertrek rente in rekening mag brengen overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling.7 Naar aanleiding van deze zaak heeft Nederland aanvankelijk een regeling ingevoerd op grond waarvan de belastingschuldige een aantal keuzemogelijkheden werd geboden wanneer – kort gezegd – de exitheffing van toepassing was.8 Deze regeling gold ook als de belastingheffing veroorzaakt was door een bedrijfsfusie, juridische fusie of splitsing.9 Naar aanleiding van de implementatie van de ATAD 1-richtlijn is voor de exitheffing in de vennootschapsbelasting nu een regeling opgenomen art. 25b IW 1990. De belastingschuldige heeft op dit moment de keuze tussen directe betaling van de verschuldigde vennootschapsbelasting of een betaling in vijf jaarlijkse termijnen. Kiest de belastingschuldige voor de gespreide betalingsregeling, dan vervalt de eerste betalingstermijn één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet. Elk van de volgende termijnen vervalt een telkens een jaar later. De gespreide betalingsregeling wordt beëindigd ingeval de verkrijger met betrekking tot het verkregen vermogen voordelen zou hebben gerealiseerd indien deze wél tot het Nederlandse ondernemingsvermogen zouden hebben behoord (art. 25b, lid 4, onderdeel d, IW 1990). Gelet op het voorgaande lijkt de exitheffing van standaardvoorwaarde 1, lid 1 in combinatie met de betalingsregeling in art. 25b IW 1990 in overeenstemming met EU-recht. Toch bestaat er ruimte voor twijfel. In de zaak Wächtler emigreerde een natuurlijke persoon met een 50%-aandelenpakket in een Zwitserse vennootschap van Duitsland naar Zwitserland. De emigratie zorgde ervoor dat Duitse inkomstenbelasting werd geheven over de fiscale meerwaarde in het aandelenpakket. De Duitse regeling bood echter de mogelijkheid om de belasting gespreid te betalen. Volgens het Hof van Justitie was dat echter niet voldoende om strijd met het recht op vestiging te voorkomen:10
“Aan die slotsom [dat sprake is van een niet-gerechtvaardigde beperking van het recht op vestiging; GCvdB] wordt niet afgedaan door het feit dat die belastingregeling voorziet in de mogelijkheid de betaling van die belasting te spreiden, in het geval dat de onmiddellijke inning van de verschuldigde belasting voor de belastingplichtige tot moeilijk draagbare gevolgen leidt. Afgezien van het feit dat die spreidingsmaatregel enkel in dat specifieke geval mogelijk is, is hij namelijk niet van dien aard om in dat geval het liquiditeitsnadeel ongedaan te maken dat ontstaat doordat de belastingplichtige op het moment waarop hij zijn woonplaats naar Zwitserland overbrengt, een deel van de belasting moet betalen die is verschuldigd over de latente meerwaarden op de betrokken aandelen. Bovendien blijft dit voor de belastingplichtige een duurdere maatregel dan een maatregel waarbij de betaling van de verschuldigde belasting wordt uitgesteld tot op het tijdstip van overdracht van die aandelen.”
Het is de vraag of deze overweging ook geldt in het geval van exitheffingen in de winstsfeer, zoals de toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 1.11 Een pakket aandelen zoals in de zaak Wächtler lijkt mij namelijk na de emigratie eenvoudiger te volgen dan vermogensbestanddelen die onderdeel uitmaken van een onderneming, zijnde een meeromvattend en complexer geheel. Het is echter onduidelijk of het Hof van Justitie deze nuance wenst aan te brengen. Volgens mij is daarom op dit moment onzeker of alleen een gespreide betalingsmogelijkheid voldoende is voor het slagen van de proportionaliteitstoets. Als dat niet zo is, dient de belastingschuldige daarnaast de mogelijkheid te krijgen de verschuldigde belasting te betalen op (het) realisatietijdstip(pen) na de splitsing. Dat zou dan ook gelden voor een fiscale outbound GOS waarbij vermogen het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat.
Fiscaal-theoretische toets en fiscaaltechnische toets
Los van deze EU-rechtelijke onduidelijkheid rijst de vraag of de fiscale afrekening die voortvloeit uit standaardvoorwaarde 1, lid 1 in combinatie met de gespreide betalingsregeling het meest recht doet aan de fiscaal-theoretische toets en de fiscaaltechnische toets. Is het met andere woorden mogelijk om deze outbound grensoverschrijdende splitsingssituaties minder belemmerend te behandelen? Eerder in dit onderzoek is meer in het algemeen geconcludeerd dat doorschuifregelingen de voorkeur genieten boven betalingsregelingen.12 Het voorkomen dat de vennootschapsbelastingwetgeving (de betrokkenen bij) wenselijke splitsingen belemmert moet echter samengaan met het handhaven van belastingclaims.13 Dit laatste is lastig als vermogensbestanddelen het bereik van de Wet VPB 1969 verlaten. Het kenmerk van doorschuifregelingen is namelijk dat de belastingclaims verhuizen van het splitsende belastingsubject naar de verkrijgende belastingsubjecten. Indien de op het splitsingstijdstip aanwezige fiscale meerwaarden in de periode na dat tijdstip door de verkrijger(s) worden gerealiseerd, terwijl de verkrijgers het verkregen vermogen rekenen tot hun Nederlandse ondernemingsvermogen, kan en mag Nederland daarover na het splitsingstijdstip heffen. Voor de Nederlandse fiscus dreigt dan geen claimverlies.14 Dit ligt anders voor zover het vermogen het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat. Voor zover de splitsende rechtspersoon daarover niet hoeft af te rekenen, verliest Nederland namelijk zijn vennootschapsbelastingclaim.15 Dat is ongewenst. Nederland kan dit probleem niet eenzijdig in de heffingssfeer oplossen. Het opnemen van een fictie in de Wet VPB 1969 waarin wordt bepaald dat de verkrijgers in zo’n geval en in zoverre worden geacht een Nederlandse onderneming te drijven (een fictieve vi), zou weliswaar een nationaalrechtelijke oplossing in de heffingssfeer zijn, maar dan wordt voorbijgegaan aan afspraken in belastingverdragen.16 Daarom kan een oplossing in de heffingssfeer mijns inziens alleen op internationaal niveau worden bereikt. Omdat daar nu geen concreet uitzicht op bestaat,17 dienen vooralsnog de nationale regels in de invorderingssfeer te worden aangepast (art. 25b IW 1990), zodat zoveel als mogelijk recht wordt gedaan aan de fiscaal-theoretische toets.
Hierna ga ik afzonderlijk nader in op mogelijke oplossingen op internationaal niveau in de heffingssfeer en een nationale oplossing in de invorderingssfeer.
Oplossingen op internationaal niveau in de heffingssfeer
In de literatuur zijn op het gebied van (onder meer) internationale zetelverplaatsingen al diverse oplossingen aangedragen op internationaal niveau in de heffingssfeer. Ik bespreek er twee:18
Clearingsysteem tussen EU-lidstaten.19 Dit is een macro-oplossing op EU-niveau, waarin de ontvangststaat de fiscale claim van de vertrekstaat overneemt (koopt). De fiscale claim verhuist dan met het onderliggende vermogen naar een andere EU-lidstaat. Op grond van een te ontwerpen EU-richtlijn worden de vertrekstaat en de ontvangststaat verplicht om de waarde van de fiscale claim van de vertrekstaat te bepalen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval. Voor de belastingplichtige zelf verandert er niets. De fiscale boekwaarde van het vermogen blijft onveranderd. De betrokken lidstaten rekenen periodiek, bijvoorbeeld per (belasting)jaar, met elkaar af.
Woon- of vestigingsplaatsgebonden compartimentering.20 In een voor beroep vatbare beschikking wordt de omvang van de stille reserves21 vastgelegd waarover de vertrekstaat een belastingclaim heeft en in de toekomst mag heffen. Het gaat concreet over het verschil tussen de waarden in het economische verkeer van de betreffende activa en passiva en de fiscale boekwaarden daarvan. Met eventuele waardedalingen na de verplaatsing van de werkelijke leiding wordt in de vertrekstaat rekening gehouden voor zover de ontvangststaat dat niet doet (zie echter hierna). In bepaalde dooremigratiesituaties dient alsnog te worden afgerekend in de eerste vertrekstaat. Voor de technische vormgeving zou kunnen worden aangesloten bij het systeem dat Nederland al langer hanteert bij de duurzame overbrenging van activa en passiva van het Nederlandse hoofdhuis naar een in het buitenland gelegen vi.22
Deze voorstellen zijn toegespitst op zetelverplaatsing van een lichaam (entiteit). De belastingclaim blijft dan achter bij dezelfde belastingplichtige. Bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing is dat anders en komt hier een extra dimensie bij. Een oplossing in de heffingssfeer vereist dan niet alleen dat de belastingclaims intact blijven, maar ook dat zij verhuizen naar de verkrijger(s). Deze extra dimensie lijkt mij inpasbaar in beide oplossingen.23 Mijn voorkeur gaat uit naar de vestigingsplaatsgebonden compartimentering. Die oplossing is namelijk in tegenstelling tot het clearingsysteem niet beperkt tot EU-situaties.24 Daarbij dienen de compartimenteringsregels mijns inziens echter wel zodanig te worden ingericht dat de omvang van de te incasseren belastingclaims voor de vestigingsstaat van de splitser niet verandert. Die staat hoeft mijns inziens namelijk geen rekening te houden met waardedalingen in het overgegane vermogen die zijn ontstaan in de periode na de splitsing, op welk moment de vestigingsstaat van de verkrijger heffingsbevoegd is.25 Op die manier wordt zo zuiver mogelijk aangesloten bij de verdeling van heffingsbevoegdheid in belastingverdragen.26 Het vestigingsland van de splitser incasseert zodoende uiteindelijk precies zijn belastingclaims: niets meer, maar ook niets minder.
Gelet op deze parameters laat zich nog een derde oplossing op internationaal niveau in de heffingssfeer denken. De hoofdlijnen daarvan zouden als volgt kunnen zijn:
Op het splitsingstijdstip wordt geen acute vennootschapsbelasting geheven over de fiscale meerwaarden in het vermogen dat het bereik van de lokale vennootschapsbelasting van het vestigingsland van de splitsende rechtspersoon verlaat.
De verkrijgers van dit vermogen worden geacht een vi aan te houden in het land van de splitsende rechtspersoon (fictieve vi).
Het verkregen vermogen wordt voor vennootschapsbelastingdoeleinden in de vestigingsstaat van de verkrijgers op de fiscale balans opgenomen voor de waarde in het economische verkeer op het splitsingstijdstip. Met deze verplichte step-up wordt dubbele belastingheffing over de splitsingswinst in de kiem gesmoord.
De fiscale meerwaarden die op het splitsingstijdstip bij de splitsende rechtspersoon aanwezig zijn en waarover het vestigingsland van de splitser een gerechtvaardigde belastingclaim heeft, worden na de splitsing in aanmerking genomen bij de fictieve vi van de verkrijger(s). Dit gebeurt door jaarlijks de fictieve vi-winst vast te stellen volgens de vennootschapsbelastingregels die in het vestigingsland van de splitser gelden. Voor zover de fiscale meerwaarden na verloop van een nader vast te stellen termijn, bijvoorbeeld 10 jaren, niet zijn gerealiseerd, volgt in zoverre alsnog fiscale afrekening en wordt de fictieve vi opgeheven. De totale belastingheffing over de fictieve vi-winst is per definitie gelijk aan de onbelast gebleven splitsingswinst.
Deze oplossing zou kunnen worden ondergebracht en uitgewerkt in een multilateraal belastingverdrag, zoals het Multilateraal Instrument (MLI)27 en daarnaast in de Fusierichtlijn.28
Zowel de mogelijkheid van de fictieve vi als het vestigingsplaatsgebonden compartimenteren heeft tot gevolg dat (i) acute vennootschapsbelastingheffing bij de splitsing achterwege blijft terwijl (ii) de volledige Nederlandse vennootschapsbelastingclaim in stand blijft. Hiermee wordt voldaan aan de fiscaal-theoretische toets en de toets aan hoger recht. Wat betreft de fiscaaltechnische toets is het van belang ervoor te zorgen dat de technische kwaliteit van de te ontwerpen bepalingen in orde is. Het behoeft mijns inziens geen betoog dat de zojuist besproken oplossingen bijzonder complex zijn en bovendien pas kunnen werken als op dit punt internationale consensus is bereikt. Een vraag die in dit verband terecht kan worden gesteld, is of de oplossingen niet té ingewikkeld zijn. Hierbij moet voor ogen gehouden worden dat in het door mij bepleite systeem op voorhand zeker moet zijn dat de vestigingsstaat van de splitsende rechtspersoon uiteindelijk zijn volledige belastingclaim incasseert (zie hiervóór). De splitsingswinst moet dus worden gefixeerd en de vestigingsstaat van de splitser zal vroeg of laat de vennootschapsbelasting daarover innen. Dat element maakt een oplossing in de heffingssfeer complex. Het is ook een verschil met een doorschuifregeling in een zuiver nationale situatie waarin Nederland, kort gezegd, na de splitsing volledig heffingsbevoegd blijft en additionele regels ter bescherming van de heffingsbevoegdheid niet nodig zijn. In zo’n zuiver binnenlandse situatie staat ook niet op voorhand vast dat de splitsingswinst uiteindelijk wordt belast. De splitsingswinst kan immers verdampen. Als het vermogen de Wet VPB 1969 verlaat is dat ook mogelijk, maar dat dient naar mijn mening de omvang van de Nederlandse belastingclaim niet aan te tasten.
Tot slot vraag ik nog aandacht voor de gevoegde zaken Jacob en Lassus van het Hof van Justitie, waarin de Franse regeling voor aandelenfusies centraal stond.29 Kortheidshalve ga ik uit van de zaak Lassus. De door de heer Lassus in privé gehouden aandelen in een Franse vennootschap werden ingebracht in een overnemende Luxemburgse vennootschap, tegen uitreiking van aandelen. In het Franse systeem werd op het moment van deze aandelenfusie geen inkomstenbelasting geheven. Slechts de fiscale meerwaarde werd vastgesteld en daarvoor gold uitstel van belastingheffing.30 Op een later tijdstip verkocht Lassus zijn in ruil verkregen aandelen (gedeeltelijk) aan derden. Op dat verkooptijdstip woonde hij niet in Frankrijk, maar de Franse rechter oordeelde dat Frankrijk mocht heffen op het vervreemdingsmoment. Het vervreemdingsvoordeel was gelijk aan het voordeel dat bij de eerdere aandelenfusie niet in aanmerking was genomen. Het Hof van Justitie oordeelde dat Frankrijk op grond van de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU) rekening moest houden met waardedalingen die zich in de periode tussen de aandelenfusie en de latere aandelenverkoop hadden voorgedaan. Het Hof van Justitie maakt hierbij een vergelijking met een zuiver binnenlandse situatie, waarin Frankrijk wél rekening zou hebben gehouden met die waardedalingen.31 Volgens het Hof van Justitie verschilt deze casus van de eerdere jurisprudentie over exitheffingen.32 Het ging in die arresten volgens het Hof van Justitie over het uitstel van invordering van belasting (de belastingschuld was definitief vastgesteld), terwijl het in de zaken Jacob en Lassus gaat over uitstel van belastingheffing.33 Het lijkt erop dat het Hof van Justitie een onderscheid maakt tussen beide methodes. Dat zou betekenen dat een lidstaat die bij een Fusierichtlijntransactie voorziet in belastinguitstel verplicht rekening moet houden met (eventuele) later waardedalingen, terwijl een lidstaat die uitstel van betaling verleent dat niet hoeft. Is deze interpretatie juist, dan rijst de vraag of dat onderscheid ook geldt voor situaties waarin vermogensbestanddelen in het kader van een splitsing het bereik van de Wet VPB 1969 verlaten. Mocht die vraag bevestigend worden beantwoord, dan pleit dat niet voor een oplossing in de heffingssfeer. Zoals hiervóór al is onderbouwd, is het mijns inziens namelijk onwenselijk als de vestigingsstaat van de splitser in dergelijke gevallen verplicht zou zijn om rekening te houden met waardedalingen die zich na de splitsing voordoen.
Oplossing in de invorderingssfeer
Als ik dit alles overzie, dan meen ik dat het – in elk geval vooralsnog – voldoende is om een extra keuzemogelijkheid te creëren in de invorderingssfeer. Dat kan door art. 25b IW 1990 aan te passen of door een specifieke invorderingsbepaling te ontwerpen voor situaties waarin vermogen in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat.34 Met zo’n oplossing worden outbound grensoverschrijdende splitsingssituaties minder belemmerd dan nu het geval is. Bovendien worden de Nederlandse belastingclaims geïnd van de splitsende rechtspersoon, zodat wordt voorkomen dat de verkrijger(s) – in veel gevallen feitelijk onnodig – vennootschapsbelastingplichtig moeten worden in Nederland (fictieve vi). Bovendien hoeft niet te worden gewacht op internationale consensus.35
Om zoveel mogelijk recht te doen aan de fiscaal-theoretische toets dient de invordering van de vennootschapsbelasting zoveel mogelijk synchroon te lopen met de situatie waarin de splitsingswinst zou zijn doorgeschoven naar de verkrijger(s). Dit kan worden bereikt door de belastingschuldige (splitsende rechtspersoon) de volgende mogelijkheid te bieden: de belastingheffing over de fiscale meerwaarden in het vermogen dat het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat – en die voortvloeit uit de toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 1 – kan worden voldaan naar gelang die belastingheffing geheven zou worden ingeval de belastingclaims zouden zijn doorgeschoven naar (een) verkrijger(s).36 Het lijkt mij gerechtvaardigd om de splitsende rechtspersoon daarbij te verplichten om de Nederlandse Belastingdienst jaarlijks aan de hand van schriftelijke bescheiden inzicht in deze positie te geven.37 Deze betalingsregeling dient daarnaast een gespreide en een acute betalingsmogelijkheid te bevatten, in lijn met het huidige art. 25b IW 1990. Vanzelfsprekend dient de wetstechnische vormgeving in orde te zijn (fiscaaltechnische toets), maar dat lijkt mij goed mogelijk.
Ik wijs er ten slotte op dat het huidige art. 25b IW 1990 alleen kan worden toegepast als de belastingschuldige gevestigd is in een EU-lidstaat of – mits bijstand bij de belastinginvordering is gewaarborgd – in een EER-land.38 Mijns inziens is dat (in elk geval) voor de hier bedoelde splitsingssituaties onwenselijk. Het is voldoende te eisen dat de belastingschuldige is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden die voortvloeien uit belastingen naar de winst.39