Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.6
5.2.6 Beoordeling van klachten bij beperking van feitelijke ondervraging
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland).
Ook de jurisprudentie met betrekking tot anonieme getuigen geeft aanleiding om te denken dat beperkingen bij de feitelijke ondervraging een grond kunnen opleveren voor de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht. Anonieme getuigen kunnen dikwijls wel door de verdediging worden ondervraagd, maar daarbij bestaat een beperking: de identiteit van de getuige is niet bekend bij de verdediging. Daarvoor moet een goede reden bestaan. Hoewel het EHRM nooit een schending van artikel 6 EVRM heeft aangenomen op de enkele grond dat een goede reden voor anonimiteit ontbrak, lijkt het daartoe wel bereid te zijn. De eis van een goede reden wordt namelijk vrij stellig verwoord. Zie bijvoorbeeld EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland), p. 15: ‘The national authorities must have adduced relevant and sufficient reasons to keep secret the identity of certain witnesses.’
EHRM 23 april 1997, appl.nos. 21363/93 e.a. (Van Mechelen e.a./Nederland), § 58.
ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland): ‘In exceptional circumstances there may be reasons (...) to allow a witness not to answer certain questions’. Zie ook EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland), p. 20-21.
Daarbij is van belang dat de nationale autoriteiten een margin of appreciation hebben, op grond waarvan zij bijvoorbeeld zelf mogen bepalen of antwoorden mogen worden belet. Zie ECRM 14 januari 1998, appl.no. 33127/96 (T.D./Nederland).
ECRM 13 juli 1987, appl.no. 11853/85 (P.V./Duitsland). Zie ook Klip 1995, p. 251.
EHRM 8 februari 2011, appl.no. 35863/10 (dec.) (Judge/Verenigd Koninkrijk), § 27.
Dat een regel van nationaal recht geschonden kan zijn, is een andere kwestie.
Wanneer een getuige weliswaar kon worden ondervraagd, maar daarbij een beperking heeft bestaan, is het beslismodel van het arrest Al-Khawaja & Tahery onverkort van toepassing. Dit betekent dat het ehrm zal onderzoeken of, ondanks de beperking, sprake is geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid. Is dit niet het geval, dan zal daarvoor een goede reden moeten bestaan.1
De oudere Straatsburgse jurisprudentie bevat aanwijzingen dat deze reden ook moet bestaan wanneer kan worden aangenomen dat wel sprake was een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging.2 In het arrest Van Mechelen overwoog het ehrm: ‘Having regard to the place that the right to a fair administration of justice holds in a democratic society, any measures restricting the rights of the defence should be strictly necessary. If a less restrictive measure can suffice then that measure should be applied.’3 Hieruit zou bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid dat voor een videoverhoor van een getuige een goede reden moet bestaan. Ontbreekt deze, dan zou de getuige rechtstreeks moeten kunnen worden ondervraagd. Ten aanzien van het beletten van antwoorden heeft de ecrm geoordeeld dat een rechter alleen in uitzonderlijke gevallen een getuige toestemming mag geven om vragen onbeantwoord te laten.4 Dit kan zo worden uitgelegd dat voor deze beperking een goede reden moet bestaan.5 Ten aanzien van getuigenverhoren in het buitenland overwoog de ecrm dat deze toegestaan zijn wanneer het bewijsmateriaal niet op een andere wijze kan worden vergaard. Dit veronderstelt dat ook voor het organiseren van een verhoor in het buitenland een goede reden moet bestaan.6
In de zaak Judge overwoog het ehrm: ‘an accused does not have an unlimited right to put whatever questions he wishes to awitness; it is entirely legitimate for domestic courts to exercise some control of the questions that may be put in cross-examination to a witness and an issue would only arise under Article 6 § 3(d) if the restrictions placed on the right to examine witnesses were so restrictive as to render that right nugatory.’7 Mijns inziens is dit een juiste benadering. Het ehrm zou alleen moeten onderzoeken of een goede reden voor een beperking bij de feitelijke ondervraging heeft bestaan wanneer de geboden ondervragingsgelegenheid door deze beperking niet meer kan worden aangemerkt als een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging. Is de ondervraging wel van voldoende kwaliteit, dan zou de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht niet in verhouding staan tot de aard van het nadeel dat de verdediging heeft ondervonden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een antwoord dat door de rechter zonder geldige reden is belet. Op grond van het beletten van dat ene antwoord hoeft het ondervragingsrecht niet in alle gevallen geschonden te worden geacht.8