Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.4.4.2:IV.4.4.2 Duidelijkheid
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.4.4.2
IV.4.4.2 Duidelijkheid
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460154:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. IV.2.5 en IV.2.7 over de verschillende interpretaties die in omloop zijn, met betrekking tot de verhouding tussen de ernstig verwijt-maatstaf en de vereisten van de onrechtmatige daad.
Zie par. IV.2.2.3 onder het kopje ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW’ sub ‘omvangsfase’.
Zie par. IV.2.8.4.
Zie hieromtrent ook wat ik schreef in par. IV.3.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de eerste plaats zorgt het buiten toepassing laten van de ernstig verwijt-maatstaf voor een duidelijkere en eenvoudigere systematiek voor de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Op deze manier is het namelijk niet langer nodig om twee aansprakelijkheidsregimes – met ieder een eigen systematiek, ratio en toepassingsbereik – naast elkaar of door elkaar heen te gebruiken. Dit verhelpt de compatibiliteitsproblemen en onduidelijkheden die ik heb aangestipt in paragraaf IV.2.7. Dan hoeft bijvoorbeeld niet meer te worden gediscussieerd over de vraag of het ernstig verwijt betrekking heeft op de normschending of de toerekenbaarheid; of op allebei; of op de gedraging van de rechtspersoon; of op nog iets anders.1 Het afschaffen van de ernstig verwijt-maatstaf verlost de toets voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van haar veranderlijke en dubbelzinnige karakter. Dan bestaat er voor de beoordeling van deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid eindelijk rechtszekerheid over de toepasselijke voorwaarden en de verhouding tussen die voorwaarden.
Nog een belangrijk voordeel van de terugkeer naar de gewone onrechtmatige daad, is dat de ‘notoir onduidelijke’ ernstig verwijt-maatstaf niet langer problemen oplevert in het algemene aansprakelijkheidsrecht. Zoals onder meer besproken in paragraaf IV.3.6.5, beklagen zowel voor- als tegenstanders van de ernstig verwijt-maatstaf zich over het vage en complexe karakter van deze maatstaf. Op basis van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW, kan de juridische beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid scherper en inzichtelijker worden gevoerd. Want anders dan de ernstig verwijtmaatstaf, kent het leerstuk van onrechtmatige daad constitutieve, uitgekristalliseerde voorwaarden die het juridische debat structuur geven.
Bijvoorbeeld, als er discussie is over de vraag of en zo ja welke schade van een derde het gevolg is van het handelen van een bestuurder, kan de rechter bij de onrechtmatige daad in de vestigingsfase teruggevallen op het doorwrochte leerstuk van causaliteit, en in de omvangsfase op de daarvoor ontwikkelde multifactor benadering voor de redelijke toerekening van schade.2 Telkens is duidelijk welke subcriteria gelden, en wat de gevolgen zijn als een bepaald criterium (niet) wordt vervuld.
Vergelijk dat met de werking van de ernstig verwijt-maatstaf: voor het beantwoorden van de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft, is de rechter – zeker buiten Beklamel-gevallen – in belangrijke mate op zichzelf aangewezen om te bepalen welke omstandigheden van het geval relevant zijn. Vervolgens moet de rechter zelf uitzoeken op welke manier de relevante omstandigheden moeten worden gewogen. Als er dan bijvoorbeeld discussie bestaat over het causale verband tussen een bestuurshandeling en de schade, is de ernstig verwijt-maatstaf slechts beperkt richtinggevend: kan het gebrek aan proximiteit tussen handeling en schade worden gecompenseerd door de ernst van de normschending? Is er alleen sprake van een ernstig verwijt als de normschending een noodzakelijke oorzaak is voor de schade? Voor dit soort kwesties biedt de gewone onrechtmatige daad meer houvast.
Het verlaten van de ernstig verwijt-doctrine, heeft ook als voordeel dat dan weer voor alle vormen van (bestuurders)aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad dezelfde voorwaarden gelden voor de toewijsbaarheid van een schadevergoeding. Niet langer hoeft op basis van hoedanigheid een kunstmatig onderscheid te worden gemaakt om te bepalen of de gewone vereisten van de onrechtmatige daad gelden of dat moet worden uitgeweken naar een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime.3 Wie ook wordt aangesproken door een derde op grond van onrechtmatige daad – een bestuurder die handelt in hoedanigheid, een bestuurder die niet handelt in hoedanigheid, een professionele beroepsbeoefenaar, een curator, iemand van mid-management, een uitvoerend werknemer of wie dan ook – telkens heeft de beoordeling van de aansprakelijkheid dezelfde systematiek. Voor de toewijsbaarheid van de schadevergoeding gelden telkens de eerdergenoemde constitutieve vereisten: er moet sprake zijn van een toerekenbare onrechtmatige handeling jegens de eiser ten gevolge waarvan de eiser schade heeft geleden. Ook al worden telkens dezelfde vereisten toegepast, de onrechtmatige daad is geen knellend keurslijf.4 Dat brengt me bij het volgende punt.