Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.2.3:4.3.2.3 De vrije bewijsleer
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.2.3
4.3.2.3 De vrije bewijsleer
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940790:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.2.1.
Zie daarover nader hierna in paragraaf 4.3.4 en paragraaf 4.3.9. Aldus ook: Schuurmans 2005, p. 1-2.
Zie daarover nader paragraaf 4.3.5.
Zie daarover nader hierna in paragraaf 4.3.8.
Zie Koopman 1996, p. 37.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 37. Zie hieromtrent nader paragraaf 7.3.7.3 en 7.3.10.3.2, waaruit blijkt dat de Hoge Raad deze bevoegdheid in fiscalibus zeker niet ruim uitlegt.
Koopman 1996, p. 40-42 noemt nog enkele voorbeelden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Awb-wetgever wilde de actieve opstelling van de rechter handhaven.1 Die actieve opstelling wordt mede mogelijk gemaakt door de zogeheten vrije bewijsleer. Daaruit vloeit onder meer voort dat (uiteindelijk) de rechter de vrije hand heeft met betrekking tot de bewijslastverdeling en de keuze en waardering van de bewijsmiddelen.2 Ook ten aanzien van de (aard van de) bewijsmiddelen gelden in beginsel geen restricties.3 Verder lijkt de vrije bewijsleer in het bestuursrecht ook de vereiste bewijsgradatie (het vereiste niveau van geloofwaardigheid) te omvatten.4
In het bestuursrecht gold de vrije bewijsleer ook al vóór de harmonisering van de Awb als algemeen uitgangspunt.5 De Awb-wetgever heeft daarin geen wijziging aangebracht, met als motivering dat de rechter (op grond van de Awb) de feiten ambtshalve mag aanvullen.6 Om die reden zou er geen behoefte bestaan aan een wettelijk stelsel van materieel bewijsrecht.7 Zonder een dergelijk stelsel (en mét de nodige vrijheden) kan de rechter immers een actieve rechter zijn, die zelf de waarheid achterhaalt.
Het resultaat is dat er binnen het bestuursrecht vrijwel geen bewijsvoorschriften in de wet zijn opgenomen. Als uitzondering kan art. 6:22 Awb worden genoemd.8 Dat artikel bepaalt dat een besluit ondanks schending van een (on)geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel in stand gelaten kan worden, ‘indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld’. Er moet dus voldoende bewijs zijn voor de niet-benadeling.