Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.4.3.1
2.4.3.1 Verenigde Staten
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473176:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Gilmore 1965, p. 40 en 229, voetnoot 2.
Vgl. Gilmore 1965, p. 26.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van deze ontwikkeling Gilmore 1965, p. 27-47 (zaken), 128-145, 228-249 en 251-253 (vorderingen).
Vgl. Gilmore 1965, p. 358-359.
Uniform Commercial Code: official text and comments, St. Paul: West Group 2010, p. 883. Zie ook Gilmore 1965, p. 359. Daarbij moet overigens wel de aantekening worden gemaakt dat een “supergenerieke” omschrijving van het onderpand, in de zin van “alle goederen van de schuldenaar”, niet mogelijk is (§ 9-108(c) UCC). Een generieke omschrijving aan de hand van categoriën goederen is daarentegen wel mogelijk. Zie § 9-108(b) UCC.
11 USC (Bankruptcy Code) § 552(a). Vgl. 11 USC § 541(a)(7) op grond waarvan de goederen die gedurende het faillissement worden verworven tot de boedel behoren. Zie ook Goode 2007, nr. 14-035.
Zie 11 USC (Bankruptcy Code) § 552(b)(1) en (2). Bijzonder is overigens dat de insolventierechter de bevoegdheid heeft om van deze regel af te wijken in voorkomende gevallen. De toelichting merkt hierover op dat: “The provision allows the court to consider the equities in each case. In the course of such consideration the court may evaluate any expenditures by the estate relating to proceeds and any related improvement in position of the secured party.” De discussie richt zich dientengevolge op de mogelijke kwalificatie van het verkregen goed als “proceeds” en, indien dit het geval is, of de rechter een uitzondering dient te maken waardoor de goederen niettemin onbezwaard in de boedel vallen. Zie hierover Warner 2011.
33. Het Amerikaanse zekerhedenrecht stoelt, net zoals het Engelse recht, op de common law. Het Amerikaanse recht heeft zich echter anders ontwikkeld dan het Engelse recht. De levering en verpanding van toekomstige goederen stuitte op meer weerstand in de rechtspraak. De vraag naar de toelaatbaarheid van zekerheid op de toekomstige zaken van de zekerheidsgever (ook wel after-acquired property clause genoemd), was één van de grote controverses van het Amerikaanse privaatrecht in de negentiende eeuw. Vergelijkbare moeilijkheden deden zich voor in de twintigste eeuw ten aanzien van toekomstige vorderingen.1 De rechtspraktijk heeft zich, mede wegens het gebrek aan een algemene erkenning, weten te redden door de ontwikkeling van verschillende specifieke zekerheidsconstructies.2 Van een aanvankelijk vijandige houding, is het Amerikaanse recht via een zuinige erkenning van dergelijke constructies in de praktijk opgeschoven naar een bijzonder ruime toelaatbaarheid met de totstandkoming (en de implementatie in het recht van de verscheidene staten) van Article 9 van de Uniform Commercial Code vanaf 1952.3
De regeling van Article 9 UCC huldigt het uitdrukkelijke uitgangspunt dat zekerheid kan worden verschaft op toekomstige goederen. § 9-204(a) UCC bepaalt dat “a security agreement may provide that collateral, whenever acquired, shall secure all obligations covered by the security agreement”.4 Zodra de toekomstige goederen zijn verkregen, worden zij automatisch bezwaard met het zekerheidsrecht, zonder de noodzaak van een aanvullende handeling door partijen. 5 De regeling maakte ook ruim baan voor vormen van “stille” zekerheid. Uit § 9-205(a) UCC volgt namelijk dat een zekerheidsrecht niet ongeldig is of bedrieglijk ten opzichte van overige crediteuren op de enkele grond dat de zekerheidsgever bevoegd is om het onderpand te gebruiken of vervreemden (en de opbrengsten te behouden).6 Aldus is het mogelijk om zekerheid te verkrijgen op alle huidige en toekomstige goederen van de zekerheidsgever.7
Met de herziening van de Bankruptcy Code in 1978 is ook de verhouding van dit zekerheidsrecht tot het faillissement van de zekerheidsgever duidelijk gereguleerd. De totstandkoming van bij voorbaat gevestigde zekerheid op de toekomstige goederen van de schuldenaar wordt doorkruist door diens tussentijdse faillissement. De goederen die de schuldenaar bij voorbaat in onderpand heeft gegeven, vallen onbezwaard in de boedel indien zij pas na de opening van de procedure door hem worden verkregen.8 Op deze regel bestaat overigens een belangrijke uitzondering. Zo staat het faillissement er niet aan in de weg dat de zekerheidsnemer gedurende het faillissement zekerheidsrechten verkrijgt op de opbrengsten (proceeds, products, offspring, or profits) van de reeds aan hem in onderpand gegeven goederen.9